Home

Rechtbank Noord-Holland, 22-05-2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:4704, AWB - 16 _ 1019

Rechtbank Noord-Holland, 22-05-2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:4704, AWB - 16 _ 1019

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22 mei 2017
Datum publicatie
20 juni 2017
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2017:4704
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1019
Relevante informatie
Successiewet 1956 [Tekst geldig vanaf 01-01-2023 tot 01-01-2024] art. 35b

Inhoudsindicatie

Verweerder heeft terecht de bedrijfsopvolgingsregeling van artikel 35b van de Successiewet niet toegepast. Er is geen sprake van een onderneming in materiële zin, omdat de verrichte arbeid voor de vier onroerende zaken niet meer omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 16/1019 en HAA 16/1020

1. [X 1]wonende te [Z 1] , eiser,

2. [X 2]wonende te [Z 2] , eiseres,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. G. Franken RB),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een aanslag erfbelasting opgelegd ten bedrage van € 44.107. Voorts is bij beschikking een bedrag van € 632 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiseres een aanslag erfbelasting opgelegd ten bedrage van € 36.293. Voorts is bij beschikking een bedrag van € 520 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.

Eisers hebben daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2017 te Haarlem. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.A Pals en drs. N.M.P. de Louw.

Overwegingen

Feiten

1. Op 11 december 2013 is overleden [A] (hierna: erflater). Erflater heeft in zijn testament tot zijn erfgenamen benoemd zijn echtgenote en zijn drie kinderen, eiser, eiseres en [B] (hierna: de andere erfgenaam). De echtgenote van erflater is overleden op 17 juli 2013.

2. Tot de huwelijksgoederengemeenschap van erflater en zijn echtgenote behoorden de aandelen in de besloten vennootschap [C] B.V., opgericht in 1979 (hierna: de vennootschap). Op 12 juli 2013 is de huwelijksgoederengemeenschap bij huwelijkse voorwaarden opgeheven en zijn de aandelen aan erflater toebedeeld. Bij de verdeling van de nalatenschap van erflater zijn de aandelen in de vennootschap aan eisers toebedeeld en hebben zij ieder de helft van de aandelen verkregen onder schuldigerkenning van een bedrag dat gelijk staat aan de waarde van één derde deel van de aandelen aan de andere erfgenaam. De waarde van de door eisers verkregen aandelen in de vennootschap bedraagt in totaal € 2.265.396.

3. Tot het vermogen van de vennootschap behoort op de overlijdensdatum van de erflater de eigendom van de navolgende onroerende zaken:

- bedrijfsruimten en appartementen gelegen aan de [d ]

- de opstallen (voormalige timmerfabriek en loodsen) gelegen aan de [e]

- bospercelen [f] (50% eigendom)

- appartement gelegen aan de [g]

4. De activiteiten van de vennootschap worden in het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel omschreven als:

“[…] Financiële holdings

[…] Projectontwikkeling

[…] Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw

Holdingmaatschappij Projectontwikkeling en aannemingsactiviteiten”

5. Vanaf 2008 tot medio 2013 was alleen de echtgenote van de erflater in dienst bij de vennootschap.

Geschil

6. In geschil is of eisers voor de verkrijging van de aandelen in aanmerking komen voor de bedrijfsopvolgingsregeling van artikel 35b van de Successiewet 1956 (hierna: de SW). Meer specifiek is in geschil of de vennootschap een onderneming drijft in materiële zin.

7. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onderneming in materiële zin. Er is sprake van een duurzame en winstgerichte organisatie van kapitaal en arbeid die deelneemt aan het maatschappelijk productieproces. De werkzaamheden overschrijden qua aard en tijdsbeslag ruimschoots die van de normale vastgoedbelegger. Het rendement van de vennootschap is aanmerkelijk hoger dan het rendement volgens de IPD Vastgoedindex. De rentabiliteit van het totale vermogen van de vennootschap is hoger. Erflater en zijn echtgenote waren tot aan hun overlijden fulltime bezig met werkzaamheden voor de vennootschap. In 2011 is erflater gestart met zijn laatste projecten, namelijk een volgende stap voor het complex gelegen aan de [d ] en het herontwikkelen van de bedrijfslocatie [e] . Deze projecten zijn in 2015 en 2016 afgerond door eiser. Eisers concluderen tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de aanslagen erfbelasting.

8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een onderneming in materiële zin. De projectontwikkelingswerkzaamheden zijn niet relevant, omdat deze werkzaamheden na het overlijden van erflater zijn gestart. De verhuurwerkzaamheden leiden niet tot meer dan normaal vermogensbeheer. Er is geen sprake van meerarbeid. De behaalde en beoogde rendementen zijn niet relevant, omdat de aard en omvang van de werkzaamheden gedurende de periode van het bezitsvereiste niet afwijken van die van een (actieve) belegger. Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat wel sprake is van een onderneming in materiële zin, heeft verweerder de volgende (meer) subsidiaire standpunten ingenomen. Indien sprake is van meerarbeid, dienen eisers aannemelijk te maken dat deze meerarbeid een hoger netto rendement oplevert dan door een belegger in dezelfde regio met een vergelijkbare onroerendgoedportefeuille is behaald. De door eisers overgelegde rendementscijfers van de vennootschap zijn niet voorzien van een berekening, waardoor de juistheid niet kan worden beoordeeld. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat door het aangaan van de huwelijkse voorwaarden en de toedeling van de aandelen aan erflater binnen een jaar voor het overlijden van erflater, de helft van de aandelen niet aan het bezitsvereiste voldoet voor de bedrijfsopvolgingsregeling. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

10. Ingevolge artikel 35b van de SW kan indien tot de verkrijging ondernemingsvermogen behoort als bedoeld in artikel 35c van de SW, dat wordt verkregen in het kader van een bedrijfsopvolging als bedoeld in het vijfde lid, op verzoek van de verkrijger een voorwaardelijke vrijstelling worden verleend. Onder bedrijfsopvolging wordt blijkens voormeld vijfde lid verstaan: een verkrijging van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c van de SW, van een erflater die voldoet aan de bezitstermijn als bedoeld in artikel 35d van de SW, mits de verkrijger gedurende vijf jaren voldoet aan het voortzettingsvereiste, zoals bedoeld in artikel 35e van de SW.

11. In zijn arrest van 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:LJN ZC5731 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat van normaal vermogensbeheer geen sprake is indien het rendabel maken van onroerende zaken mede geschiedt door middel van arbeid welke de eigenaar van de onroerende zaken verricht en deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaken, welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan.

11. In zijn arrest van 29 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1845, heeft de Hoge Raad in een geval waarin onroerende zaken zijn gekocht en vervolgens via verbouwingswerkzaamheden geschikt zijn gemaakt voor de verhuur geoordeeld dat voor de beantwoording van de vraag of de huuropbrengst van de panden voor een belastingplichtige inkomsten uit vermogen vormde, slechts van belang is of aard en omvang van de door hem ter zake van de verhuur verrichte werkzaamheden, nadat de verbouwing was voltooid, al dan niet meer hebben omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is.

13. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:396, met betrekking tot de vraag of een vennootschap met haar ontwikkelingsactiviteiten (ten dele) een onderneming drijft als volgt geoordeeld:“2.3.1. Het Hof is uitgegaan van een juiste vooropstelling omtrent het begrip onderneming in de zin van artikel 35c SW. Niettemin treft het middel doel. Het Hof heeft geoordeeld dat ook de ontwikkelingsactiviteiten van de vennootschap niet kunnen worden aangemerkt als onderneming in de zin van artikel 35c SW. Het Hof heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat de omvang van de ontwikkelingsactiviteiten ten opzichte van de overige activiteiten van de vennootschap, te weten de verhuur van onroerende zaken, te beperkt is om hieraan betekenis toe te kennen in die zin dat op basis van projectontwikkeling kan worden geoordeeld dat de vennootschap (ten dele) een onderneming drijft in de zin van artikel 35c SW. Beslissend is in dit verband echter of de ontwikkelingsactiviteiten op zichzelf bezien, kunnen worden aangemerkt als een onderneming in materiële zin. Daarom is het Hof er ten onrechte vanuit gegaan dat de relatieve omvang van de ontwikkelingsactiviteiten in verhouding tot de beleggingsactiviteiten beslissend is voor de beantwoording van de vraag of de vennootschap met de ontwikkelingsactiviteiten een onderneming in materiële zin drijft.”

14. Voor de beantwoording van de vraag of eisers in het onderhavige geval recht hebben op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit is doorslaggevend of de vennootschap, waarin de aandelen zijn verkregen, ten tijde van het overlijden van erflater een onderneming drijft als bedoeld in artikel 35c van de Successiewet 1956. De activiteiten van de vennootschap moeten op zichzelf kunnen worden aangemerkt als een onderneming in materiële zin, waarvan sprake is bij aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk productieproces met het oogmerk om winst te behalen. Bij exploitatie van onroerende zaken geldt in dat verband dat de in dit kader te verrichten of verrichte arbeid naar aard en omvang meer moet hebben omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is, met als doel het behalen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat.

15. Een juiste verdeling van de bewijslast brengt mee dat eisers, die zich immers beroepen op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit, feiten en omstandigheden dienen te stellen en bij betwisting aannemelijk dienen te maken die leiden tot de conclusie dat die faciliteit van toepassing is.

16. De rechtbank stelt op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting vast dat het gaat om een onroerendgoedportefeuille bestaande uit een viertal onroerende zaken, waaronder bedrijfsgebouwen en -loodsen, appartementen en bospercelen. In 1998 is voor het laatst een onroerende zaak gekocht. De werkzaamheden die door de vennootschap worden verricht bestaan uit onderhandelingen met huurders en het opstellen van huurovereenkomsten, inning en huuradministratie en beheer van de onroerendgoedportefeuille.

17. Vooropgesteld moet worden dat de ontwikkeling van het complex aan de [d ] in 1969 en dus ruim voor 2013 haar beslag heeft gekregen. Die werkzaamheden spelen bij de beoordeling van de onderhavige zaak daarom geen rol. De door eisers ingenomen stelling dat de vennootschap in 2011 gestart is met twee projecten en eiser de projecten na het overlijden van erflater heeft opgepakt, is - mede gelet op de gemotiveerde weerspreking door verweerder - niet voldoende onderbouwd en aldus niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank komt op grond van de gedingstukken tot de conclusie dat de inkomsten van de vennootschap ten tijde van het overlijden van erflater louter afkomstig zijn uit verhuuractiviteiten. Uit de gedingstukken volgt naar het oordeel van de rechtbank dat erflater (bijgestaan door zijn echtgenote) zich namens de vennootschap feitelijk bezig hield met het behouden van het rendement op de bestaande onroerendgoedportefeuille. De rechtbank acht hierbij het volgende van belang:

-

De verhuur van het complex aan de [d ] aan [h] betreft de belangrijkste inkomensbron van de vennootschap. Eisers hebben toegelicht dat verbouwingen van het complex nog steeds doorgaan en worden ingegeven door de wensen van de huurder. Ter zitting hebben eisers bevestigd dat aan deze wensen tegemoet wordt gekomen om de continuïteit van de onderneming van de vennootschap te waarborgen. De grote verbouwing van het complex waarbij de gevel geheel is vernieuwd heeft in 2015 plaatsgevonden en kan bij de beoordeling van de activiteiten in 2013 daarom geen rol spelen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook deze werkzaamheden slechts zijn verricht om de huurrelatie te bestendigen. De vennootschap heeft immers geen verhoging van de huurprijs bedongen en [h] heeft toegezegd de supermarkt te blijven exploiteren en heeft afstand gedaan van het recht van eerste koop. Alle handelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank daarom gericht op het behouden van [h] als belangrijkste huurder en aldus het in stand houden van de belegging. Dit wordt ondersteund door de verklaring van eiser ter zitting over de slechte huurmarkt voor complexen als dit in Bakel;

-

Het appartement aan de [g] is in 1998 aangekocht om kinderen van erflater te huisvesten en is later verhuurd. Enige vorm van projectontwikkeling ter zake is voldoende gesteld noch gebleken;

-

Uit de stukken die eiseres heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat ten aanzien van de opstallen aan de [e] en de bospercelen aan de [f] sprake is van projectontwikkeling moet worden afgeleid dat in 2015 slechts sprake was van planvorming, zodat projectontwikkeling in 2013 niet aannemelijk is.

De rechtbank concludeert dat de verrichte arbeid naar aard en omvang niet meer omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is, zodat geen sprake van een materiële onderneming.

18. Nu de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van een onderneming in materiële zin, komt de rechtbank niet meer toe aan het door eisers ter zitting gedane bewijsaanbod om de rendementen nader te onderbouwen. De rendementen zijn enkel van belang indien sprake is van meerarbeid en daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

19. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht de bedrijfsopvolgingsregeling niet heeft toegepast, omdat geen sprake is van een onderneming. De meer subsidiaire stelling van verweerder behoeft daarom genoemde bezitseis behoeft, geen bespreking.

19. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

21. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Koenis, voorzitter, mr. M.C. van As en mr. B. van Walderveen, leden, in aanwezigheid van mr. M.R. Marinus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel