Home

Rechtbank Noord-Holland, 16-01-2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:2196, HAA 18/5341

Rechtbank Noord-Holland, 16-01-2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:2196, HAA 18/5341

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende bezwaar. Verzoeker heeft verzocht verweerder te gelasten onverwijld alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem ter inzage te verstrekken en geen uitspraak op bezwaar te doen zolang deze hernieuwde en volwaardige inzage niet heeft plaatsgevonden. Dat deze procesbeslissing als zodanig zelfstandig vatbaar niet is voor bezwaar en beroep wil nog niet zeggen dat er geen sprake is van materiële connexiteit tussen de gevraagde voorziening en de bestreden informatiebeschikking. Het verzoek is daarom ontvankelijk. Er is voldoende spoedeisend belang.

De beslissing toepassing te geven aan artikel 7:4, zesde lid, van de Awb is niet ontegenzeggelijk onjuist, terwijl een toewijzing van de gevraagde voorziening onomkeerbare gevolgen heeft voor de thans nog geheim gehouden stukken. Ook zou het treffen van de gevraagde voorziening verweerders autonome bevoegdheid doorkruisen de bezwaarprocedure binnen de kaders van de wet naar eigen inzicht in te richten en daarbij die beslissingen te nemen die hij juist acht. Het feit dat verweerder daarbij tevens controle-strategische belangen bij zijn beoordeling betrekt, maakt die beslissing nog niet onrechtmatig. Volgt afwijzing van het verzoek.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/5341

(gemachtigden: mr. D.G. Barmentlo en mr. M. van Leeuwen)

en

Procesverloop

Met dagtekening 21 december 2017 heeft verweerder ten name van verzoeker een

informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake

rijksbelastingen vastgesteld.

Bij brief van 30 januari 2018 heeft verzoeker tegen deze beschikking een bezwaarschrift

ingediend.

Bij brief van 10 december 2018 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een

voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

  1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

  2. Verzoeker heeft verzocht verweerder te gelasten “onverwijld alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem ter inzage te verstrekken, daaronder begrepen ieder stuk dat relevant zou kunnen zijn voor de onderhavige casus alsmede onverwijld inzicht te verschaffen in de aard en de omvang van het volledige dossier (hieronder dient ook te worden begrepen de interne correspondentie n.a.v. de verzoeken van verzoeker(s) tot verdere inzage)”. Voorts heeft verzoeker verzocht verweerder te gelasten “geen uitspraak op bezwaar te doen zolang deze hernieuwde en volwaardige inzage [niet; rechtbank] heeft plaatsgevonden en verzoeker(s) tenminste 30 dagen nadien de gelegenheid te bieden een schriftelijke reactie in te dienen”.

  3. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 17 december 2018 primair het standpunt ingenomen dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is, omdat de materiële connexiteit ontbreekt. Ook ontbreekt volgens verweerder het voor het treffen van een voorlopige voorziening vereiste spoedeisend belang. Verweerder ziet dit standpunt bevestigd in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag van 22 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1892. Subsidiair heeft verweerder betoogd dat de wet de uitdrukkelijke mogelijkheid biedt inzage in stukken te weigeren. Daarvoor bestaan volgens verweerder in casu meerdere redenen, zodat het verzoek moet worden afgewezen.

4. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de

volgende feiten:

In april 2017 is verweerder een onderzoek gestart naar verzoekers betrokkenheid bij een

Afgezonderd Particulier Vermogen (APV). Met het oog op dit onderzoek heeft verweerder

met dagtekening 21 december 2017 aan verzoeker de in deze procedure aan de orde zijnde

informatiebeschikking opgelegd. Bij e-mail van 27 september 2018 heeft verweerder een gedeelte van het dossier aan verzoeker ter beschikking gesteld. Bij de brief van 16 november 2018 heeft verzoeker verweerder verzocht ook de ontbrekende op de zaak betrekking hebbende stukken te over te leggen. Verzoeker heeft tevens verzocht om inzage in het volledige dossier en een hoorzitting. Telefonisch zijn partijen de inzage en hoorzitting overeengekomen op respectievelijk 6 december 2018 en 18 december 2018. Bij brief van 22 november 2018 heeft verweerder aangegeven dat niet het gehele dossier aan verzoeker zal worden overhandigd. De inspecteur heeft daartoe gesteld dat er gewichtige redenen bestaan de informatie nog niet volledig te verstrekken teneinde te voorkomen dat verzoeker zijn gedrag met betrekking tot de aan hem gestelde vragen aanpast, indien hij weet over welke informatie verweerder beschikt en over welke niet. Ook heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat controle-strategische belangen een rol spelen bij zijn beslissing niet het volledige dossier aan verzoeker ter beschikking te stellen. In reactie daarop heeft verzoeker verweerder opnieuw aangeschreven met het verzoek een lijst op te stellen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken en aan te geven welke stukken volgens de inspecteur geheim dienen te blijven. Bij de brief van 28 november 2018 heeft verweerder laten weten geen lijst van aanwezige stukken toe te zullen sturen.

5. Ingevolge artikel 7:4, tweede lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege kan laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.

6. De voorzieningenrechter merkt verweerders mededelingen van 22 november 2018 en 28 november 2018 aan als beslissingen op grond van artikel 7:4, zesde lid, van de Awb. Tegen dergelijke procesbeslissingen staan geen zelfstandige rechtsmiddelen open.

7. Het feit dat de procesbeslissingen niet als zodanig zelfstandig vatbaar zijn voor bezwaar en beroep wil nog niet zeggen dat er geen sprake is van materiële connexiteit tussen de gevraagde voorziening en de bestreden informatiebeschikking, zodat het verzoek niet-ontvankelijk is. De voorzieningenrechter oordeelt dat in een geval als dit, waarin degene die bezwaar heeft gemaakt stelt ten onrechte geen inzage in stukken te krijgen, is voldaan aan het vereiste van materiële connexiteit. Het verzoek ziet immers op de wijze waarop de inhoud van de uitspraak op bezwaar tot stand komt en dus mogelijk op de rechtsgevolgen die daarmee in het leven worden geroepen. Gelet hierop is er dus voldoende inhoudelijk verband tussen het verzoek om een voorlopige voorziening en het connexe besluit in de (eventuele) bodemprocedure. Ook ziet de voorzieningenrechter in de wens van verzoeker om in een zo vroeg mogelijk stadium over het volledige dossier te beschikken voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijk oordeel over de gevraagde voorlopige voorziening.

8. Met betrekking tot verweerders subsidiaire standpunt overweegt de voorzieningenrechter dat verweerders beslissing toepassing te geven aan artikel 7:4, zesde lid, van de Awb naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet ontegenzeggelijk onjuist is, terwijl een toewijzing van de gevraagde voorziening, zoals deze door verzoeker is geformuleerd, onomkeerbare gevolgen heeft voor de thans nog geheim gehouden stukken. Ook zou het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening verweerders autonome bevoegdheid doorkruisen de bezwaarprocedure binnen de kaders van de wet naar eigen inzicht in te richten en daarbij die beslissingen te nemen die hij juist acht. Het feit dat verweerder daarbij tevens controle-strategische belangen bij zijn beoordeling betrekt, maakt die beslissing nog niet onrechtmatig. Deze procesbeslissingen kunnen vervolgens in een eventuele beroepsprocedure aan een volledige toets door de rechter worden onderworpen. Een beslissing op een verzoek met betrekking tot de beperking van kennisneming of algehele geheimhouding van stukken op grond van artikel 8:29 van de Awb kan daarvan zo nodig deel uitmaken.

9. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek om verzoeker “onverwijld inzicht te verschaffen in de aard en de omvang van het volledige dossier” niet voor inwilliging in aanmerking komt. Gegeven dit oordeel is er evenmin aanleiding voor een voorlopige voorziening die verweerder beperkt in zijn bevoegdheid om op zo kort mogelijke termijn uitspraak te doen op het door verzoeker ingediende bezwaar tegen de informatiebeschikking.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.H. Mazel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel