Home

Rechtbank Noord-Holland, 21-06-2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:5726, AWB - 17 _ 4951

Rechtbank Noord-Holland, 21-06-2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:5726, AWB - 17 _ 4951

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21 juni 2019
Datum publicatie
4 juli 2019
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2019:5726
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4951

Inhoudsindicatie

Verweerder heeft over de jaren 2004 tot en met 2013 navorderingsaanslagen en vergrijpboeten opgelegd in verband met het niet aangeven van vermogen op de Zwitserse bankrekening van eiser. De rechtbank oordeelt dat eiser niet met succes een beroep kan doen op de inkeerregeling. Immers, op 27 september 2015 is in de media bekend gemaakt dat de Nederlandse Belastingdienst op 23 juli 2015 informatie heeft opgevraagd bij de Zwitserse autoriteiten over Nederlandse rekeninghouders bij de UBS-bank te Zwitserland. Op 16 oktober 2015 heeft verweerder de inkeermelding van eiser ontvangen. Eiser had echter al op 27 september 2015 redelijkerwijs moeten vermoeden dat verweerder op de hoogte zou raken van zijn Zwitserse bankrekening. De rechtbank acht de door verweerder opgelegde vergrijpboeten passend en geboden.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/4951 tot en met 17/4960

(gemachtigde: mr. N.B.M. Vink),

en

Procesverloop

Met dagtekening 1 juli 2017 heeft verweerder aan eiser voor de jaren 2004 tot en met 2013 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en bij separate beschikkingen van gelijke datum vergrijpboeten ter hoogte van 40% van de verschuldigde belasting (2004 tot en met 2008) respectievelijk 100 % van de verschuldigde belasting (2009 tot en met 2013).

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2019 te Haarlem. Eiser is verschenen in de persoon van zijn gemachtigde mr. S. Vink. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. A.M. Hamers, vergezeld van mr. M.J.A. Dormans.

De zaken van eiser zijn ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaken van [A], zaaknummers HAA 17/4961 tot en met 17/4970 (de andere eiser).

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft voor de jaren 2004 tot en met 2013 aangiften IB/PVV ingediend. Voor al deze jaren zijn definitieve aanslagen IB/PVV vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangiften. Eiser heeft in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2004 tot en met 2013 geen melding gemaakt van de door hem tot en met augustus 2013 aangehouden bankrekening bij de Zwitserse UBS-bank.

2. De UBS-bank heeft haar Nederlandse cliënten in 2014 aangeschreven en verzocht om een bewijs van een juiste fiscale aangifte over te leggen.

3. Op 23 juli 2015 heeft het Central Liaison Office (CLO) een groepsverzoek (GVZ) ingediend bij de Zwitserse autoriteiten, betreffende Nederlandse rekeninghouders met een rekening bij de UBS-bank te Zwitserland. Het verzoek is gebaseerd op artikel 26 van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen beide landen van 26 februari 2010.

Het CLO is belast met de internationale inlichtingenuitwisseling voor directe belastingen. Voor Zwitserland is de Eidgenössische Steuerverwaltung (hierna ook: ESTV) aangewezen als bevoegde autoriteit. Het Memo Groepsverzoek Zwitserland en de daarbij horende projectstukken behoren tot de gedingstukken. In het GVZ verzoekt het CLO de ESTV om de gegevens van rekeninghouders:

• met een Nederlands adres, en

• met een saldo op de rekening(en) van ten minste € 1.500 op enig moment in periode: 1 februari 2013, 1 januari 2014 en 31 december 2014, en

• die ondanks een schrijven als bedoeld in bijlage 4 bij het GVZ niet bij de UBS-bank hebben aangetoond fiscaal transparant te zijn richting de Nederlandse Belastingdienst.

4. Bij brief van 16 september 2015 zijn de rekeninghouders van de UBS-bank schriftelijk geïnformeerd door deze bank over het feit dat de Nederlandse Belastingdienst informatie heeft gevraagd aan de Zwitserse belastingautoriteiten over UBS-rekeninghouders.

5. Op 22 september 2015 is in het publicatieblad van het Zwitserse Bundesambt een officiële aankondiging van de Zwitserse Belastingdienst geplaatst over het informatieverzoek van de Nederlandse Belastingdienst. Naar aanleiding van het GVZ van de Nederlandse Belastingdienst heeft de Zwitserse Federale Belastingdienst via de UBS-bank Nederlandse cliënten gewezen op de mogelijkheid om binnen 20 dagen na 22 september 2015 bezwaar te maken tegen het voornemen om de door Nederland verzochte inlichtingen te verstrekken.

6. Op 27 september 2015 is in de media bekend gemaakt dat de Nederlandse Belastingdienst op 23 juli 2015 informatie heeft opgevraagd bij de Zwitserse autoriteiten over Nederlandse rekeninghouders bij de UBS-bank te Zwitserland. Diverse mediaberichten zijn opgenomen als gedingstukken.

7. Op 16 oktober 2015 heeft verweerder een inkeermelding van eiser ontvangen. Eiser keert in met betrekking tot een in Zwitserland aangehouden bankrekening. Verweerder heeft de inzending van het inkeerverzoek bevestigd. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiser op verschillende momenten op verzoek van verweerder stukken overgelegd.

8. Op 7 juni 2017 heeft eiser een vaststellingsovereenkomst ondertekend, waaraan hij het volgende heeft toegevoegd: “Akkoord met uitzondering van het recht op bezwaar tegen de verhoging voor zover deze hoger is dan bij vrijwillige inkeer (zie e-mail van mr. N.B.M. Vink van 16 mei 2017 en de reactie van uw dienst van 31 mei 2017)”. Op 12 juni 2017 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van het opleggen van vergrijpboeten.

9. Verweerder heeft daarna de in geding zijnde navorderingsaanslagen over de jaren 2004 tot en met 2013 en de boetebeschikkingen opgelegd. De boeteschikkingen bedragen

40 percent (jaren 2004 tot en met 2007) en voor de jaren 2008 en 2013 100 percent.

10. De hoogte van de nagevorderde belasting is als zodanig niet in geschil. Deze is gebaseerd op de door eiser verstrekte gegevens met betrekking tot de in het buitenland aangehouden rekening.

11. Eiser heeft zijn rekening bij de UBS-bank opgeheven in 2013. Hij valt formeel niet onder het GVZ. Zie ook het bericht dienaangaande van de Zwitserse Autoriteiten d.d. 29 september 2017. Ten name van eiser zijn geen gegevens met betrekking tot de bij UBS-bank aangehouden bankrekening van de Zwitserse autoriteiten ontvangen bij de Belastingdienst.

Geschil 12.In geschil is de vraag of sprake is van vrijwillige inkeer in de zin van artikel 67n van de Algemene wet inzake rijksbelasting (AWR). Voorts is in geschil of de opgelegde vergrijpboeten terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd. Tot slot is in geschil of de boeten in strijd met het legaliteitsbeginsel zijn opgelegd.

13.1.

Eiser heeft zich – zakelijk weergegeven – primair op het standpunt gesteld dat hij vrijwillig is ingekeerd. Objectief bezien behoefde eiser niet te weten dat de Belastingdienst reeds op de hoogte was van de tot dan toe anoniem gebleven bankrekening bij de UBS-bank. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat zijn bankrekening reeds in 2013 was opgeheven en dat zijn naam niet in het verstrekte overzicht stond. Dat hij door UBS-bank via een brief is bevraagd of zijn bankrekening in Nederland fiscaal bekend was, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt. Dat sprake is van een inkeer heeft hij nader uiteengezet en onderbouwd met een zevental punten in zijn beroepschrift (bladzijde 4 en 5).

13.2.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, primair tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de boetebeschikkingen, dan wel subsidiair tot een percentage van 30 (jaren 2004 tot en met 2007) en 60 percent (jaren 2008 en 2013).

14.1.

Verweerder heeft zich – eveneens zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat de inkeerregeling niet van toepassing is. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij aangevoerd dat het gaat om een informatieverzoek dat is gericht op bekendmaking van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders met een bij de UBS-bank aangehouden bankrekening in Zwitserland. Hoewel vast is komen te staan dat eiser formeel niet onder het GVZ valt, voldoet hij wel degelijk aan de kenmerken van het groepsverzoek. Hij heeft immers een woonadres in Nederland, hij is houder van een bankrekening bij UBS-bank (persoonlijke rekening met rekeningnummer [A REKENINGNUMMER] tot april 2008 en rekeningnummer [B REKENINGNUMMER] vanaf april 2008 tot augustus 2013) op één van de voornoemde peildata, het saldo van die bankrekening bedraagt op één van de peildata meer dan € 1.500 en hij heeft niet aangetoond dat hij fiscaal transparant is. Het feit dat eiser formeel niet onder het GVZ valt, is volgens verweerder als volgt verklaarbaar.

Het GVZ bevat voor wat betreft de inhoud een zekere tegenstrijdigheid. In de eerste alinea onder het kopje: “Die erbetenen Auskunfte” wordt voor het belang van de Nederlandse belastingheffing onder andere gerefereerd aan Nederlandse rekeninghouders, die hun rekening naar aanleiding van brieven van de bank hebben opgeheven. Eiser heeft zijn UBS-rekening opgeheven in 2013.

In de tweede alinea wordt echter expliciet verwezen naar rekeninghouders aan wie de brief van 7 augustus 2014 is toegezonden. Het is niet waarschijnlijk dat eiser die brief heeft gehad, omdat hij zijn rekening al eerder heeft opgeheven of (grotendeels) heeft leeggehaald. Verweerder stelt dat aannemelijk is dat hij om die reden niet in het GVZ is opgenomen.

14.2.

Verweerder merkt op dat het vorenstaande niet wegneemt dat eiser wel aan de belangrijke criteria van het GVZ voldoet. Het verzoek om gegevensverstrekking bij de buitenlandse bank ten aanzien van een specifiek aangeduide groep klanten, maakt dat er objectief gezien sprake is van een serieuze mogelijkheid dat de gegevens bekend worden bij verweerder.

14.3.

Eiser maakte eerst melding van zijn bankrekening bij verweerder in oktober 2015. Dit is op een moment nadat algemeen bekend was gemaakt dat de gegevens van bepaalde houders van bankrekeningen waren opgevraagd. Eiser voldoet aan belangrijke criteria van de doelgroep. Na de publicatie in de media, voor het eerst op 27 september 2015, ontstond redelijkerwijs het vermoeden dat verweerder met de onjuistheid of onvolledigheid in de aangiften bekend zou worden. Verweerder stelt dat het hier niet om algemene berichtgeving over de aanpak van zwartspaarders gaat, maar om specifieke berichtgeving over Nederlandse zwartspaarders met een rekening bij de UBS-Bank in Zwitserland. Objectief bezien was het niet ondenkbaar (bestond de serieuze mogelijkheid) dat de gevraagde informatie zou worden verstrekt.

14.4.

Onder deze omstandigheden moet eiser op het moment van “inkeer” redelijkerwijs vermoeden, dat verweerder met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of wordt. De inkeerregeling als bedoeld in artikel 67n AWR acht verweerder daarom niet van toepassing.

14.5.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Inkeerregeling UBS-rekening

15. Artikel 67n AWR heeft tot 1 januari 2010 als volgt geluid:Een vergrijpboete wordt niet opgelegd aan de belastingplichtige die alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.

16. Artikel 67n AWR luidt met ingang van 1 januari 2010 als volgt:1. Wanneer de belastingplichtige uiterlijk twee jaar nadat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan of aangifte had moeten doen, alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, wordt geen vergrijpboete opgelegd.2. Ook na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn van twee jaar is het alsnog doen van een juiste en volledige aangifte, dan wel het verstrekken van juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen door de belastingplichtige vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, een omstandigheid die aanleiding geeft tot matiging van de vergrijpboete.

17. In het onderliggende geval spitst het geschil zich toe op de vraag in hoeverre eiser de inkeermelding heeft gedaan op een moment voordat hij objectief bezien, wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat de inspecteur zijn buitenlandse bankrekening reeds op het spoor is.

18. In casu gaat het om een informatieverzoek dat is gericht op bekendmaking van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders met een UBS-bankrekening in Zwitserland. Hoewel vaststaat dat eiser formeel niet onder het GVZ valt, voldeed hij wel degelijk aan de kenmerken van het groepsverzoek. Hij had immers een woonadres in Nederland, hij was houder van een bankrekening bij UBS (persoonlijke rekening met rekeningnummer [A REKENINGNUMMER] tot april 2008 en rekeningnummer [B REKENINGNUMMER] vanaf april 2008 tot augustus 2013) op één van de voornoemde peildata (1 april 2013), het saldo van die bankrekening bedroeg op één van de peildata meer dan € 1.500 en hij heeft niet aangetoond dat hij fiscaal transparant is.

19. Niet in geschil is dat eiser voor de onderhavige jaren het vermogen van de buitenlandse bankrekening opzettelijk niet heeft aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vergrijpboeten in dit geval dan ook terecht op grond van de wettelijke regels opgelegd. Voor een geslaagd beroep op de inkeerregeling van artikel 67n van de AWR is vereist dat de belastingplichtige inkeert vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat verweerder met de onjuistheid of onvolledigheid van zijn aangifte bekend is of bekend zal worden. Van belang is dus of eiser ten tijde van de namens hem geschreven brief van oktober 2015 wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat verweerder met zijn UBS-rekening bekend was of zou worden. Van belang is daarbij dat niet beslissend is of eiser subjectief gezien vermoedde dat verweerder van de UBS-rekening op de hoogte zou komen, maar of hij dit objectief gezien redelijkerwijs moest vermoeden (vgl. Hoge Raad 2 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1375).

20. Vaststaat dat voor het eerst op 27 september 2015 in de Nederlandse media over het groepsverzoek is bericht. Verweerder heeft daartoe diverse op 27 september 2015 op landelijke nieuwswebsites verschenen publicaties, waaronder NOS, RTL Nieuws, NU.nl, het Financieel Dagblad, de NRC, het Algemeen Dagblad en De Telegraaf, overgelegd. Gelet op de aandacht die in de Nederlandse media aan het groepsverzoek is besteed, acht de rechtbank het uiterst onwaarschijnlijk dat eiser op voormeld tijdstip van 5 oktober 2015 niet van het groepsverzoek op de hoogte was. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd om het vorenstaande te weerleggen. Nu het er derhalve in rechte voor moet worden gehouden dat eiser in oktober 2015 van het groepsverzoek op de hoogte was, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat eiser op dat moment reeds bekend was met het feit dat verweerder een onderzoek deed naar Nederlandse zwartspaarders met een Zwitserse UBS-rekening en dat er daardoor een reële mogelijkheid bestond dat verweerder zijn UBS-rekening op het spoor zou komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dan ook in oktober 2015 objectief gezien redelijkerwijs moeten vermoeden dat verweerder door het groepsverzoek van zijn UBS-rekening op de hoogte zou komen. Dat in oktober 2015 nog geen zekerheid bestond dat Nederland de gevraagde gegevens van het groepsverzoek van Zwitserland zou (mogen) ontvangen, dat verweerder op 4 januari 2016 nog niet over informatie beschikte dat eiser onjuiste aangiften had ingediend en een UBS-rekening had, dat verweerder in oktober 2015 ook nog geen vragenbrief naar eiser over een UBS-rekening had gestuurd en dat eiser de hiervoor vermelde brief van de UBS-bank alsook andere brieven van de UBS-bank over het groepsverzoek niet heeft ontvangen, maakt dit niet anders. Dat eiser, naar later is gebleken, niet onder het groepsverzoek viel, alsook de omstandigheid dat het inkeerverzoek ruim drie maanden na de publicaties in de media over het groepsverzoek is ingediend, brengt niet mee dat eiser objectief gezien redelijkerwijs niet meer behoefde te vermoeden dat verweerder zijn UBS-rekening op het spoor zou kunnen komen. Zoals hiervoor onder 19 is overwogen, is immers niet beslissend of eiser zelf - subjectief - vermoedde dat verweerder zijn UBS-rekening op het spoor zou komen, maar of hij dit - objectief - redelijkerwijs had moeten vermoeden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij anderszins kon menen dat verweerder van een nader onderzoek met betrekking tot zwartspaarders bij de UBS-bank zou afzien. Daarbij acht de rechtbank van belang dat een onderzoek naar aanleiding van het groepsverzoek, gelet op de aard van het groepsverzoek alsmede de betrokkenheid van een ander land, lang kan duren. Het door eiser aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4330, leidt de rechtbank ook niet tot een ander oordeel, nu dit arrest op een geheel andere feitelijk situatie betrekking heeft. In die procedure mocht de belanghebbende uit de inhoud van een door het Ministerie van Financiën afgegeven persbericht afleiden dat hij na de publicatie van dat persbericht alsnog kon inkeren. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake.

21. Op basis van de onder de feiten vermelde omstandigheden moest eiser in elk geval vanaf de berichtgeving in de landelijke media op 27 september 2015 redelijkerwijs vermoeden dat verweerder op de hoogte zou raken van zijn rekening bij de UBS-bank. Voor de beoordeling maakt het niet uit dat eiser de brief van 16 september 2015 wellicht niet heeft gekregen, omdat de informatie uit de media al voldoende is.

22. Gelet op het vorenstaande kan eiser ter zake van de UBS-bankrekening naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet met succes een beroep doen op de inkeerregeling.

De rechtbank acht de hoogte van de vergrijpboeten overigens – gelet op het opzettelijke karakter van het niet-vermelden van de bankrekening – passend en geboden.

Legaliteitsbeginsel

23. De Hoge Raad heeft op 2 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2041) arrest gewezen en heeft geoordeeld dat de aan de inkeerbepaling van artikel 67n AWR te ontlenen verwachting omtrent het al dan niet belopen van een boete, niet moet worden beoordeeld naar het moment waarop de onjuiste aangifte wordt gedaan, maar naar het moment waarop de betrokkene inkeert.

De rechtbank heeft, na kennisname van hetgeen eiser dienaangaande heeft doen aanvoeren, geen reden om tot een andersluidend oordeel te komen. Bijgevolg faalt ook dit standpunt van eiser.

24. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Rechtsmiddel