Ga verder naar content

Rechtbank Noord-Holland, 30-06-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:4402, AWB - 19 _ 4087

Rechtbank Noord-Holland, 30-06-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:4402, AWB - 19 _ 4087

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30 juni 2020
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2020:4402
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4087

Inhoudsindicatie

Eiseres is actrice. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar looninkomsten op grond van het vertrouwensbeginsel dan wel het gelijkheidsbeginsel tot de winst mogen worden gerekend.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/4087 en 19/4088

(gemachtigde: B. Schoenmaker),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 22 juni 2019 voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.530.

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 22 juni 2019 voor het jaar 2016 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.741.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 juli 2019 de aanslag ib/pvv 2015 gehandhaafd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 augustus 2019 de aanslag ib/pvv 2016 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.166.

Eiseres heeft tegen beide uitspraken beroep ingesteld; het beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 21 augustus 2019.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De rechtbank heeft op 30 september 2019 een nader stuk van eiseres ontvangen.

De rechtbank heeft op 6 maart 2020 een nader stuk van eiseres ontvangen en in kopie doorgezonden naar verweerder.

De rechtbank heeft op 23 april 2020 een nader stuk van eiseres ontvangen en in kopie doorgezonden naar verweerder.

De rechtbank heeft op 3 juni 2020 een nader stuk van eiseres ontvangen en in kopie doorgezonden naar verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2020 te Haarlem.

Eiseres is verschenen, vergezeld van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] , mr. drs. [B] en mr. [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is actrice.

2. Eiseres heeft in de aangifte ib/pvv 2010 geen looninkomsten aangegeven, alleen winst uit onderneming. Met dagtekening 1 maart 2012 is de aanslag conform de ingediende aangifte, zonder inhoudelijke beoordeling, vastgesteld.

3. Op 31 januari 2012 is een tweede aangifte ib/pvv ingediend, waarin in de rubriek ‘loonheffing op in de winst begrepen loon’ een bedrag van € 2.154 is vermeld. Verweerder heeft deze tweede aangifte in behandeling genomen als een bezwaarschrift en is geheel aan het bezwaar tegemoet gekomen en heeft de loonheffing verrekend als voorheffing.

4. Eiseres heeft in een beroepsprocedure met betrekking tot de aanslag ib/pvv 2014 aangevoerd dat de inkomsten kwalificeren als winst op grond van het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank Noord-Holland heeft in haar uitspraak van

23 september 2019 (HAA 19/1091) het beroep ongegrond verklaard.

5. Eiseres heeft aangifte ib/pvv 2015 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.430. Dit bedrag wordt gekwalificeerd als winst uit onderneming. In de aangifte is een bedrag van € 42.112 als omzet vermeld.

Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag van de omzet een gedeelte, groot

€ 29.270, zijnde de inkomsten van [D] (hierna: [D] ), aangemerkt als loon uit dienstbetrekking.

6. Eiseres heeft aangifte ib/pvv 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.513. Dit bedrag wordt gekwalificeerd als winst uit onderneming. In de aangifte is een bedrag van € 57.538 als omzet vermeld.

Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag van de omzet een gedeelte, groot

€ 44.705, zijnde de inkomsten van [D] , aangemerkt als loon uit dienstbetrekking.

7. Eiseres heeft in de aangiften ib/pvv over 2017 en 2018 de inkomsten genoten bij [D] aangegeven als looninkomsten.

Geschil 8. In geschil is of het vertrouwensbeginsel dan wel het gelijkheidsbeginsel ertoe moeten leiden dat de inkomsten kwalificeren als winst uit onderneming.

9. Eiseres geeft aan dat het geschil identiek is aan het geschil over het jaar 2014.

Het in aanmerking nemen van de inkomsten van [D] als looninkomsten is strijdig met het vertrouwensbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel.

10. Verweerder stelt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel dient te falen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Vertrouwensbeginsel

12. Voor zover eiseres betoogt dat de looninkomsten in de aangiften over 2010 tot en met 2013 waren opgenomen als winst en verweerder deze aangiften zonder nader onderzoek heeft gevolgd, geldt het volgende.

Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in onder meer zijn arrest van 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, is voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. De Hoge Raad heeft hieromtrent het volgende overwogen in genoemd arrest:

“Afgezien van het geval dat de gedragslijn berust op een toezegging waarvan de belastingplichtige mocht menen dat zij ook voor het onderhavige jaar zou gelden, is voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van - voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen - omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling. Omstandigheden als vorenbedoeld kunnen onder meer zijn gelegen in de vaststelling van een aanslag in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige de voor die aanslag van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde had gesteld, in de vaststelling van een aanslag na raadpleging van bewijsstukken, na gehouden besprekingen of gevoerde correspondentie, dan wel in overeenstemming met eerder verstrekte, voor de toen op te leggen aanslag van belang zijnde inlichtingen, of in de tegemoetkoming aan een bezwaar betreffende dezelfde zich onveranderd voordoende aangelegenheid.”

Verweerder heeft aangegeven dat de aangiften ib/pvv 2010 tot en met 2013 geautomatiseerd, conform de ingediende aangiften, zijn afgedaan. De rechtbank is van oordeel dat nu de kwalificatie van de inkomsten over deze jaren noch in de aanslagregelende fase noch in bezwaar expliciet aan de orde is gesteld door eiseres, verweerder geen vragen heeft gesteld en eiseres bovendien niet alle relevante informatie aan verweerder heeft toegezonden - de betreffende arbeidsovereenkomsten zijn toen niet overgelegd -, er geen sprake is geweest van een bewuste standpuntbepaling van de zijde van verweerder en eiseres het handelen van verweerder ook niet als zodanig mocht opvatten. Evenmin is gesteld of gebleken dat verweerder bij het vaststellen van deze aanslagen op dit punt een bindende toezegging heeft gedaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt daarom verworpen.

Gelijkheidsbeginsel

13. De gemachtigde heeft gesteld dat in vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven op grond van niet gepubliceerd beleid of een oogmerk van begunstiging door verweerder. Voor zover geen sprake is geweest van beleid, zo stelt de gemachtigde subsidiair, is in de meerderheid van de met eiseres vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege gebleven.

De gemachtigde stelt dat hij vanaf 1995 voor honderden uitvoerende artiesten heeft verzocht om eerder opgelegde aanslagen ib/pvv alsnog te verlagen in verband met de te verlenen ondernemersaftrek. In die gevallen ging het volgens de gemachtigde om artiesten met loondienstverbanden, waarbij hetzij de gezagsverhouding zou ontbreken, hetzij sprake is van absorptie van looninkomsten door winst uit onderneming. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft de gemachtigde een groot aantal bijlagen overgelegd die betrekking hebben op andere cliënten van hem. Hiermee, zo stelt de gemachtigde, is voldoende aannemelijk gemaakt dat in vergelijkbare gevallen de inkomsten als winst uit onderneming zijn aangemerkt en de zelfstandigenaftrek is verleend.

In de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 29 mei 2018, ECLI:GHAMS:2018:1695, waarin de belastingplichtige (aangeduid als ‘belanghebbende’) werd bijgestaan door dezelfde gemachtigde als die van eiseres, is onder meer het volgende opgenomen:

“Belanghebbende heeft gesteld dat haar gemachtigde vanaf 1995 voor honderden acteurs en musici heeft verzocht om eerder opgelegde aanslagen IB/PVV alsnog te verlagen in verband met te verlenen ondernemersaftrek. In die gevallen ging het volgens belanghebbende om artiesten (of musici) met loondienstverbanden, waarbij hetzij de gezagsverhouding zou ontbreken, hetzij sprake is van absorptie van looninkomsten in de winst uit onderneming. In haar nader stuk in hoger beroep heeft belanghebbende haar standpunt nader toegelicht, zoals weergegeven onder 2.8. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de gemachtigde verduidelijkt dat belanghebbende zich hiermee heeft willen beroepen op de zogenoemde meerderheidsregel; in de meerderheid van de met haar vergelijkbare gevallen is volgens belanghebbende een juiste wetstoepassing achterwege gebleven.

5.4.2. De inspecteur heeft deze standpunten van belanghebbende betwist. Primair heeft hij het standpunt ingenomen dat belanghebbende met de door haar in hoger beroep overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat een of meer van de door haar genoemde belastingplichtigen in gelijke omstandigheden verkeerden als belanghebbende. Subsidiair heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat, indien het Hof van oordeel is dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat er twee of meer gelijke gevallen zijn waarin een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, de relevante groep binnen het ambtsgebied van de inspecteur waarin de wet in de relevante periode juist is toegepast groter is, in voorkomende gevallen alsnog een navorderingsaanslag kan en zal worden opgelegd en in een meerderheid van die gevallen sprake is geweest van een juiste wetstoepassing. Voor het geval dat het Hof aan zijn subsidiaire stelling toekomt, heeft de inspecteur het Hof verzocht in de gelegenheid te worden gesteld hiervan nader bewijs bij te brengen.

5.4.3. Het Hof oordeelt als volgt. Indien een belanghebbende een beroep doet op de zogenoemde meerderheidsregel, dient hij in de eerste plaats feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat in minstens twee gevallen die feitelijk en rechtens met het geval van belanghebbende vergelijkbaar zijn (en die vallen binnen het ambtsgebied van de inspecteur) een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, alvorens het op de weg ligt van de inspecteur om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat de relevante groep groter is en dat in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen de wet juist is toegepast (vgl. HR 15 maart 2000, nr. 34.740, ECLI:NL:HR:2000:AA5142, BNB 2000/278, r.o. 3.4 en 3.7 en HR 6 oktober 2006, nr. 40.443, ECLI:NL:HR:2006: AY9489, BNB 2007/3, r.o. 3.3.2).

5.4.4. Belanghebbende heeft met de door haar overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk gemaakt dat een of meer van de door haar genoemde belastingplichtigen feitelijk en rechtens in vergelijkbare omstandigheden verkeerden als belanghebbende, laat staan dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat bij een of meer van deze belastingplichtigen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. De door belanghebbende overgelegde bewijsstukken zijn daarvoor te globaal van aard; van geen van de door belanghebbende genoemde belastingplichtigen zijn concrete gegevens overgelegd waaruit volgt dat zij werkzaamheden hebben verricht op grond van vergelijkbare contractuele afspraken als die van belanghebbende met het [E] en dat de door hen genoten inkomsten (desondanks) door de inspecteur zijn aangemerkt als winst uit onderneming, zonder dat is voldaan aan de daaraan te stellen voorwaarden (zoals het op de juiste wijze toepassen van het absorptiecriterium). Het standpunt van belanghebbende dat zij voor het door haar te leveren bewijs kan volstaan met de algemene stelling dat zij over dezelfde groepskenmerken beschikt als de belastingplichtigen waarvan zij stukken heeft overgelegd, te weten podiumkunstenaar waarvan de looninkomsten onder de winst uit onderneming vallen, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Reeds op deze gronden dient belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel te worden verworpen. Het Hof komt niet toe aan een beoordeling van het door de inspecteur (subsidiair) gedane bewijsaanbod.”

14. De rechtbank verwijst naar het onder 5.4.3 opgenomen oordeel van het gerechtshof Amsterdam en maakt dat tot haar eigen oordeel. Op gelijke gronden als de door het gerechtshof Amsterdam in zijn uitspraak onder 5.4.4 gebezigde gronden acht de rechtbank de gemachtigde thans evenmin geslaagd in het door hem te leveren bewijs. De rechtbank volstaat om die reden met een verwijzing naar dit onderdeel van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam.

15. Eiseres heeft ter onderbouwing van het beroep op het gelijkheidsbeginsel, in het bijzonder de schending van de meerderheidsregel, bij nader stuk nog verwezen naar stukken van 10 andere belastingplichtigen, van wie de overeenkomsten door verweerder zijn beoordeeld en bij wie de looninkomsten als winst zijn aangemerkt. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd betwist dat in de meerderheid van de gevallen die als gelijke gevallen moeten worden beschouwd, via de absorptietheorie loonbestanddelen tot winst uit onderneming zijn gekwalificeerd. Verweerder heeft daarbij onweersproken gesteld dat drie gevallen ten tijde van het nemen van de beslissing onder een andere eenheid van de Belastingdienst ressorteerden en dus niet meetellen bij toepassing van de meerderheidsregel. Ten aanzien van twee gevallen heeft verweerder aangegeven dat zij andersoortige werkzaamheden verrichtten dan eiser zodat reeds op die grond geen sprake is van gelijke gevallen. Met betrekking tot een tweetal gevallen is het inkomen uit dienstbetrekking volgens de toelichting van verweerder op basis van het vertrouwensbeginsel aangemerkt als winst. Gelet op de zeer gemotiveerde betwisting door verweerder, concludeert de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de meerderheid van de gevallen die als gelijke gevallen moeten worden beschouwd, via de absorptietheorie loonbestanddelen tot winst uit onderneming zijn gekwalificeerd. Voor zover eiser stelt dat sprake is geweest van begunstigend beleid in gevallen waarin verweerder zonder de betreffende overeenkomsten op te vragen of te beoordelen toch een ambtshalve vermindering heeft verleend, acht de rechtbank deze stelling, welke eveneens door verweerder is bestreden, evenmin aannemelijk gemaakt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen.

16. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Rechtsmiddel