Home

Rechtbank Noord-Holland, 01-09-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:6545, AWB - 18 _ 5448

Rechtbank Noord-Holland, 01-09-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:6545, AWB - 18 _ 5448

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
1 september 2020
Datum publicatie
7 september 2020
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2020:6545
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5448

Inhoudsindicatie

Verweerder is voor de zitting geheel aan eiser tegemoet gekomen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van factor 1,5 voor de zwaarte van de zaak.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 18/5448 tot en met 18/5450

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 21 oktober 2017 voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.968.

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 21 oktober 2017 voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.019.

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 21 oktober 2017 voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.302.

Verweerder heeft op 15 november 2017 een bezwaarschrift ontvangen tegen deze navorderingsaanslagen.

Op 18 juni 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 oktober 2019 de navorderingsaanslag ib/pvv 2012 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.624. Tevens heeft verweerder een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 166 (€ 498 (1 punt voor indiening bezwaarschrift, 1 punt voor het hoorgesprek) / 3).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 oktober 2019 de navorderingsaanslag ib/pvv 2013 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.010. Tevens heeft verweerder een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 166.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 oktober 2019 de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.538. Tevens heeft verweerder een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 166.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld, door de rechtbank ontvangen op 5 december 2020.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De rechtbank heeft op 12 augustus 2020 een nader stuk ontvangen van verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2020 te Haarlem.

Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. [A] en mr [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft op 13 maart 2013 aangifte ib/pvv 2012 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.534.

2. Verweerder heeft met dagtekening 6 september 2013 de aanslag ib/pvv 2012 opgelegd conform de aangifte.

3. Eiser heeft op 19 maart 2014 aangifte ib/pvv 2013 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.269.

4. Verweerder heeft met dagtekening 31 mei 2014 de aanslag ib/pvv 2013 opgelegd conform de aangifte.

5. Eiser heeft op 31 maart 2015 aangifte ib/pvv 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.430.

6. Verweerder heeft met dagtekening 19 juni 2015 de aanslag ib/pvv 2014 opgelegd conform de aangifte.

7. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 14 maart 2017 ten aanzien van de aanslagen over 2012, 2013 en 2014 vragenbrieven verzonden met vragen over de kostenaftrek.

8. Verweerder heeft met dagtekening 21 oktober 2017 navorderingsaanslag ib/pvv over de jaren 2012, 2013 en 2014 opgelegd waarbij de aftrek specifieke zorgkosten geheel is gecorrigeerd.

9. Verweerder is bij uitspraken op bezwaar van 26 oktober 2018 deels aan de bezwaren tegemoet gekomen. Bij brief door de rechtbank ontvangen op 12 augustus 2020 heeft verweerder bericht dat de navorderingsaanslagen wegens strijd met het correctiebeleid zijn vernietigd.

Geschil 10. In geschil is de hoogte van de proceskostenvergoeding.

11. Eiser stelt dat een proceskostenvergoeding dient te worden toegekend gebaseerd op een wegingsfactor 1,5. Voorts verzoekt eiser om vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de procedure.

12. Verweerder stelt dat een proceskostenvergoeding dient te worden toegekend gebaseerd op een wegingsfactor 1 en dat recht bestaat op € 1.000 immateriële schadevergoeding.

13. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

14. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de navorderingsaanslagen bij uitspraak op bezwaar zijn gehandhaafd in strijd met het correctiebeleid van verweerder. Vast staat dat deze inmiddels zijn vernietigd. De beroepen zullen daarom gegrond worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

15. Eiser heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding voor de schade die hij heeft geleden en lijdt in de vorm van de spanning en frustratie als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar.

16. De bezwaarschriften zijn ingediend op 15 november 2017, uitspraken op bezwaar zijn gedaan op 26 oktober 2018, en de rechtbank doet uitspraak op 31 augustus 2020, zodat in deze zaken de redelijke termijn is overschreden met (afgerond) 10 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden zijn door verweerder niet gesteld.

Nu sprake is van drie samenhangende zaken wordt per fase van de procedure voor de drie zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd (vergelijk HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540 en Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252).

Aangezien de bezwaarfase, gelet op de datum van de uitspraken op bezwaar (afgerond) 12 maanden heeft geduurd, is een periode van 6 maanden daaraan toe te rekenen. Het restant is toe te rekenen aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom 6/10e deel van € 1.000 te betalen (€ 600) en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) 4/10e deel (€ 400).

Proceskosten

17. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Eiser heeft verzocht om toepassing van wegingsfactor 1,5. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten aangetroffen in het dossier die aanleiding geven tot het oordeel dat er geen sprake is van een zaak met gemiddeld gewicht en acht de zaken, gelet op de aard en omvang daarvan, niet dermate gecompliceerd dat moet worden afgeweken van de standaard gehanteerde wegingsfactor 1.

De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1, en een factor 1 wegens minder dan 4 samenhangende zaken).

Beslissing

Rechtsmiddel