Home

Rechtbank Noord-Holland, 02-09-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:6944, AWB - 19 _ 2306

Rechtbank Noord-Holland, 02-09-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:6944, AWB - 19 _ 2306

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
2 september 2020
Datum publicatie
11 september 2020
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2020:6944
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2306

Inhoudsindicatie

In geschil is of inkomsten, die eiser als acteur heeft behaald, kwalificeren als winst uit onderneming. In het kader hiervan beroept eiser zich op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2306

(gemachtigde: B. Schoenmaker),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.476 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 459. Daarnaast heeft verweerder een bedrag van € 1.217 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2020 te Haarlem.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft in 2014 gewerkt als acteur. Hiervoor heeft hij de volgende inkomsten genoten:

Inhoudingsplichtige

Inkomsten

Loonheffingen

[C]

12.870

4.363

[D]

24.402

10.209

Stg [E]

9.728

3.078

[F]

3.783

1.370

Stichting [G]

5.364

1.945

WW Uitkering UWV

10.325

3.451

Totaal

66.472

24.416

2. Eiser heeft op 10 februari 2015 een aangifte ib/pvv 2014 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.678. Dit bedrag is als volgt berekend:

Winst uit onderneming

43.639

Zelfstandigenaftrek

-7.280

MKB-winstvrijstelling

-5.091

Pensioen, lijfrente of andere uitkering

10.325

Inkomsten/aftrekposten eigen woning

-15.915

Belastbaar inkomen

25.678

3. Verweerder heeft de aangifte gecorrigeerd en met dagtekening 19 juli 2018 de onderhavige aanslag opgelegd. Verweerder heeft de door eiser aangegeven winst uit onderneming (hierna: WUO) niet geaccepteerd waardoor tevens de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling zijn komen te vervallen. Verder heeft verweerder inkomsten van [F] B.V. geconstateerd en deze, evenals de inkomsten van [C] , [D] en Stg [E] , als loon in aanmerking genomen. De inkomsten van Stichting [G] heeft verweerder aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. Verweerder heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt berekend:

Winst uit onderneming

-

Zelfstandigenaftrek

-

MKB-winstvrijstelling

-

Loon

50.783

Pensioen, lijfrente of andere uitkering

10.325

Netto resultaat uit overige werkzaamheden

4.283

Inkomsten/aftrekposten eigen woning

-15.915

Belastbaar inkomen

49.476

4. Eiser heeft op 13 juli 2018 bezwaar tegen de aanslag gemaakt. In de bezwaarfase heeft eiser de volgende gronden aangevoerd:

-

het corrigeren van de WUO is in strijd met het vertrouwensbeginsel;

-

het corrigeren van de WUO is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

5. Na indiening van het bezwaarschrift hebben partijen over en weer gecorrespondeerd. Ook is tussen partijen afgesproken de zaak aan te houden in afwachting van de procedure van eiser inzake de aanslag ib/pvv 2013.

6. Verweerder heeft met dagtekening 1 mei 2019 uitspraak op bezwaar gedaan.

Geschil

7. In geschil is of de door eiser aangegeven inkomsten (€ 43.639) als WUO kwalificeren op basis van absorptie, opgewekt vertrouwen en het gelijkheidsbeginsel.

8. Eiser beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag overeenkomstig de door hem ingediende aangifte.

9. Verweerder beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Vertrouwensbeginsel

11. Eiser stelt dat verweerder in eerdere jaren een bewust standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de vraag welke inkomsten van eiser tot de winst mogen worden gerekend.

12. Verweerder weerspreekt de stelling van eiser en voert aan dat aan uitlatingen over de jaren 2002 tot en met 2008 geen vertrouwen kan worden ontleend omdat de samenstelling van de inkomsten in die jaren sterk afweek van de samenstelling in het onderhavige jaar. Voorts zijn in de aanslagen over jaren 2010, 2011 en 2012 slechts de ingediende aangiften met hierin WUO gevolgd. Er is in deze jaren, volgens verweerder, dan ook geen sprake geweest van een bewuste standpuntbepaling. Het laatste jaar waarin eiser de kwalificatie van genoten inkomsten aan de orde heeft gesteld is volgens verweerder 2009 en toen is slechts een beperkt deel van de inkomsten als WUO aangemerkt. De inkomsten van [D] zijn in de jaren 2008 en 2009 juist als loon aangemerkt, aldus verweerder.

13. Over de vraag of eiser, op wie in deze de bewijslast drukt, feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die bij hem de indruk hebben kunnen wekken van een bewuste standpuntbepaling oordeelt de rechtbank als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179 hieromtrent het volgende overwogen:

“Afgezien van het geval dat de gedragslijn berust op een toezegging waarvan de belastingplichtige mocht menen dat zij ook voor het onderhavige jaar zou gelden, is voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van – voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen – omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling. (…) Omstandigheden als vorenbedoeld kunnen onder meer zijn gelegen in de vaststelling van een aanslag in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige de voor die aanslag van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde had gesteld, in de vaststelling van een aanslag na raadpleging van bewijsstukken, na gehouden besprekingen of gevoerde correspondentie, dan wel in overeenstemming met eerder verstrekte, voor de toen op te leggen aanslag van belang zijnde inlichtingen, of in de tegemoetkoming aan een bezwaar betreffende dezelfde zich onveranderd voordoende aangelegenheid.”

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hiervan in zijn geval sprake is. Het enkele feit dat verweerder bij de aanslagregeling over de jaren 2010, 2011 en 2012 de aanslagen heeft opgelegd conform de door eiser ingediende aangiften, biedt onvoldoende grond voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Voorts heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank, bij gemotiveerde betwisting door verweerder, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de samenstelling van zijn inkomsten in de jaren 2002 tot en met 2008 overeenkwam met de samenstelling van zijn inkomsten in het onderhavige jaar. Van een bewuste standpuntbepaling in de jaren 2002 tot en met 2008 kan daarom ook geen sprake zijn. Tot slot kan eiser naar het oordeel van de rechtbank ook geen vertrouwen ontlenen aan de afwikkeling van de aanslag over het jaar 2009, nu in dat jaar slechts een klein deel van de inkomsten als WUO is aangemerkt. Dit alles leidt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt.

Gelijkheidsbeginsel

15. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is nodig dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, die veroorzaakt wordt door begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging, zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging is. Wil sprake zijn van begunstigend beleid dan moet het bestuursorgaan beleid hebben gevoerd dat begunstigend is in die zin dat bepaalde belanghebbenden worden bevoordeeld boven andere belanghebbenden doordat een juiste rechtstoepassing achterwege wordt gelaten en moet het bestuursorgaan de bedoeling hebben gehad die belanghebbenden te begunstigen. Een oogmerk van begunstiging impliceert dat het bestuursorgaan zich ervan bewust is, althans behoort te zijn, dat hij in een ander geval dan dat van de belanghebbende een begunstiging verleent door in dat andere geval een juiste rechtstoepassing achterwege te laten. Daarnaast kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel slagen als de meerderheidsregel is geschonden. Dat is het geval, indien de gelijke gevallen deel uitmaken van een groep en de meerderheid van die groep begunstigend wordt behandeld.

16. De bewijslast ter zake van het gelijkheidsbeginsel rust op eiser.

17. Eiser stelt primair dat in vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven op grond van niet gepubliceerd (begunstigend) beleid. Dit beleid leidt hij af uit de lijn die verweerder volgens hem in eerdere jaren heeft gehanteerd. Ter onderbouwing wijst eiser op de door hem overgelegde e-mail van verweerder van 16 februari 2015 aan gemachtigde.

18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Verweerder heeft weersproken dat er sprake is van beleid. Verder is uit niets gebleken, ook niet uit de e-mail waarop eiser zich beroept, dat er beleid is of is geweest. Het beroep van eiser op niet gepubliceerd beleid kan daarom niet slagen.

19. Subsidiair stelt eiser dat in de meerderheid van de met eisers geval vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Ter onderbouwing wijst eiser op de door hem overgelegde 123 uitspraken op bezwaar ten aanzien van 58 verschillende podiumkunstenaars waarin, naar zeggen van eiser, aan de belastingplichtige tegemoet is gekomen.

20. Indien een belastingplichtige een beroep doet op de zogenoemde meerderheidsregel, dient hij in de eerste plaats feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat in minstens twee gevallen die feitelijk en rechtens met het geval van belanghebbende vergelijkbaar zijn (en die vallen binnen het ambtsgebied van de inspecteur) een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, alvorens het op de weg ligt van de inspecteur om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat de relevante groep groter is en dat in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen de wet juist is toegepast (vgl. HR 15 maart 2000, nr. 34.740, ECLI:NL:HR:2000:AA5142, BNB 2000/278, r.o. 3.4 en 3.7 en HR 6 oktober 2006, nr. 40.443, ECLI:NL:HR:2006: AY9489, BNB 2007/3, r.o. 3.3.2).

21. Eiser heeft met de door hem overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk gemaakt dat een of meer van de door hem genoemde belastingplichtigen feitelijk en rechtens in vergelijkbare omstandigheden verkeerden als eiser. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat bij een of meer van deze belastingplichtigen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. De door eiser overgelegde bewijsstukken zijn daarvoor te globaal van aard; van geen van de door eiser genoemde belastingplichtigen zijn concrete gegevens overgelegd waaruit volgt dat zij werkzaamheden hebben verricht op grond van vergelijkbare contractuele afspraken als die van belanghebbende met [H] en dat de door hen genoten inkomsten (desondanks) door de inspecteur zijn aangemerkt als winst uit onderneming, zonder dat is voldaan aan de daaraan te stellen voorwaarden. Het standpunt van eiser dat hij voor het door hem te leveren bewijs kan volstaan met de algemene stelling dat hij over dezelfde groepskenmerken beschikt als de belastingplichtigen waarvan hij stukken heeft overgelegd, te weten podiumkunstenaar waarvan de looninkomsten onder de winst uit onderneming vallen, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Reeds op deze gronden dient eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel te worden verworpen. De rechtbank komt niet toe aan een beoordeling van het door de inspecteur (subsidiair) gedane bewijsaanbod (vergelijk de uitspraak van het Hof Amsterdam van 29 mei 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1695). Dit wordt niet anders doordat eiser in de onderhavige procedure ter onderbouwing van het beroep op het gelijkheidsbeginsel de gevallen van 58 podiumkunstenaars heeft opgevoerd en daarbij ook een beroep heeft gedaan op uitspraken in bezwaar ten aanzien van die podiumkunstenaars, terwijl het in de genoemde procedure bij het Hof Amsterdam ging om 150 podiumkunstenaars. De bewijsstukken zijn ook thans te globaal van aard en eiser maakt ook nu niet inzichtelijk waaruit concreet volgt dat de aangevoerde gevallen vergelijkbaar zouden zijn.

Absorptie

22. Tot slot stelt eiser dat zijn inkomsten van Stichting [G] kunnen worden geabsorbeerd door de winst uit onderneming. Echter nu eiser in het onderhavige jaar naar het oordeel van de rechtbank in het geheel geen ondernemingsactiviteiten heeft bedreven, kan deze stelling niet slagen.

23. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. Bruijnzeel, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 2 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel