Home

Rechtbank Noord-Holland, 30-10-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8753, AWB - 19 _ 1029

Rechtbank Noord-Holland, 30-10-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8753, AWB - 19 _ 1029

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30 oktober 2020
Datum publicatie
11 november 2020
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2020:8753
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1029

Inhoudsindicatie

Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op aftrek extra kosten kleding en beddengoed. Ook ontbreken onderbouwende stukken voor de kosten voor de epilatiebehandelingen en de daarmee samenhangende vervoerskosten. De kosten in verband met medicatie tegen endometrriose komen voor vergoeding door de zorgverzekeraar in aanmerking e nzijn dus van aftrek uitgesloten.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/1029 en HAA 19/1030

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

HAA 19/1029

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 21 oktober 2017 over het jaar 2013 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.667. Hij heeft daarbij ten aanzien van eiseres een beschikking inzake belastingrente gegeven ten bedrage van € 90.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 januari 2019 de navorderingsaanslag en de beschikking inzake belastingrente gehandhaafd.

HAA 19/1030

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 21 oktober 2017 over het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.816. Hij heeft daarbij ten aanzien van eiseres een beschikking inzake belastingrente gegeven ten bedrage van € 53.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 januari 2019 de navorderingsaanslag en de beschikking inzake belastingrente gehandhaafd.

Beroepen

Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Voor bijlage 22 respectievelijk bijlage 21 bij de verweerschriften heeft verweerder een beroep gedaan op beperkte kennisname op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij uitspraak van 28 april 2020 heeft de geheimhoudingskamer geoordeeld dat dit beroep gerechtvaardigd is.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2020 te Haarlem.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 12 september 2017 heeft [C] , huisarts te [Z] , over eiseres het volgende verklaard:

“Hierbij de bevestiging dat patiente dr. [D] als huisarts had tot februari 2012. Op dat moment heb ik de praktijk overgenomen.

Helaas is er over de lasertherapie vanaf 2013 in Zaandam geen correspondentie, zij heeft dit met hem besproken voor 2012.

Huidige medicatie:

HYDROCORTISON PCH CREME 10MG/G. Start: 01-apr-2016. Eind: 01-mei-2016. 2 maal per dag.”

2. Op 15 november 2017 heeft [D] , huisarts te [Z] , aan eiseres de volgende verklaring gegeven:

“Hierbij, als uitzondering, de door jou gevraagde medische verklaring.

[…]

NB. i.v.m. beroepsgeheim is medische indicatie voldoende en dient te oorzaak (Hirsutisme = overmatige haargroei) er niet bij vermeld te worden bij medische verklaringen aan derden, zoals in dit geval de belastingdienst. Dit ter informatie aan jou!

[…]

[Eiseres] […] is op mijn verzoek op medische indicatie begin 2010 verwezen voor lasertherapie.”

3. Het dossier bevat een niet ondertekende verklaring van 7 december 2017 op naam van [C] , huisarts. De verklaring luidt:

“Mevr. [X] , Geb. [#] , lijdt (en) aan huidproblemen/ huideczeem. Er is zalf/créme voorgeschreven ter bestrijding van deze ziekte.”

In de kantlijn van deze verklaring is geschreven: “2013-2014”.

Geschil 4. In geschil is of de navorderingsaanslagen en beschikkingen inzake belastingrente terecht en naar het juiste bedrag zijn vastgesteld. Het geschil concentreert zich op de door eiseres als specifieke zorgkosten in aftrek gebrachte bedragen die door verweerder niet in aftrek zijn toegelaten.

Beoordeling van het geschil

Extra kleding en beddengoed

5. Eiseres stelt dat zij sinds haar achttiende levensjaar lijdt aan hirsutisme. Zij ondergaat in dat verband epilatiebehandelingen met behulp van laser. Zij heeft daarover een medische verklaring overgelegd. Als gevolg van de behandelingen verliest zij bloed en wondvocht. Daarom heeft zij jaarlijks recht op aftrek van € 310 aan uitgaven voor extra kleding en beddengoed, zo betoogt zij. Voor het jaar 2015 heeft verweerder deze uitgaven wel in aftrek toegelaten. Zij meent daaraan vertrouwen te mogen ontlenen, ook voor eerdere jaren.

6. Verweerder betwist dat de extra uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit die ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren en dat de epilatiebehandelingen leiden tot verlies van bloed en wondvocht. De verklaring van 7 december 2017 is niet ondertekend. In de verklaring van 12 september 2017 valt te lezen dat er in het jaar 2016 voor één maand crème is voorgeschreven. Dat er voor het jaar 2015 wel rekening is gehouden met de kosten doet volgens verweerder niet ter zake. Ieder jaar staat op zichzelf. Overigens is de aftrek toen toegekend omdat in de aanslagfase apotheekgegevens zijn overgelegd met betrekking tot door eiseres gebruikte crème tegen eczeem. Het ging toen dus niet om hirsutisme.

7. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en letter g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) behoren tot de uitgaven voor specifieke zorgkosten de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.

8. Artikel 38 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (URIB 2001; tekst 2013 en 2014) bepaalt:

“1. Uitgaven voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, van de wet worden in aanmerking genomen voor een bedrag van € 310 dan wel, indien blijkt dat die uitgaven € 620 te boven gaan, voor een bedrag van € 775, indien:

a. de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van een persoon als bedoeld in artikel 6.16 van de wet die tot het huishouden van de belastingplichtige behoort; en

b. de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren.

2. Ingeval aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden niet gedurende het gehele kalenderjaar is voldaan, wordt dat lid naar tijdsgelang toegepast.”

9. Om in aanmerking te komen voor het lage bedrag van € 310 is – anders dan bij het zogenoemde ‘hoge’ forfait – slechts gering bewijs vereist. Om te voldoen aan de voorwaarde uit artikel 38, eerste lid, letter a, van de URIB 2001 volstaat dat de belanghebbende aannemelijk maakt dat sprake is van ziekte of invaliditeit die extra uitgaven voor kleding en beddengoed met zich brengt (vgl. de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 24 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4310, r.o. 4.5.2). Verweerder heeft betwist dat dit het geval is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de verklaringen die zij heeft overgelegd wel aannemelijk gemaakt dat zij lijdt aan hirsutisme en dat zij zich op grond van medische noodzaak redelijkerwijs niet kon onttrekken aan de epilatiebehandelingen, maar niet dat die behandelingen ook resulteerden in een dusdanige mate van bloed- en wondvochtverlies dat zij noemenswaardige extra uitgaven voor kleding en beddengoed met zich brachten. Verweerder heeft deze uitgaven daarom in zoverre terecht van aftrek uitgesloten.

10. De rechtbank vat het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel aldus op dat zij in de aanslagregeling door verweerder voor het jaar 2015 een bewuste standpuntbepaling ziet en dat zij ervan mocht uitgaan dat die ook zou gelden voor de navorderingsaanslagen over de jaren 2013 en 2014, die op dat moment nog niet onherroepelijk waren. De gerechtvaardigdheid van een zodanig vertrouwen hangt in ieder geval af van de waardering van - voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen - omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, r.o. 4.5). Naar het oordeel van de rechtbank kan in het onderhavige geval echter niet worden gesproken van eenzelfde aangelegenheid. Naar verweerder onweersproken heeft gesteld had de toegelaten aftrek voor het jaar 2015 betrekking op huideczeem en werden de kosten mede onderbouwd aan de hand van apotheekgegevens over daartegen in 2015 gebruikte crème, terwijl eiseres de betwiste aftrek voor de jaren 2013 en 2014 heeft gebaseerd op haar hirsutisme en zij ter onderbouwing van de uitgaven slechts heeft gesteld dat zij epilatiebehandelingen heeft ondergaan en betaald. Dat brengt mee dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Epilatiebehandelingen

11. Eiseres stelt dat zij in 2013 acht en in 2014 zes epilatiebehandelingen heeft ondergaan na verwijzing door de huisarts. Die hebben elk € 150 gekost. De epilatiebehandelingen werden niet vergoed door de zorgverzekeraar, maar werden contant betaald, zo stelt eiseres. Zij heeft gezocht naar de rekeningen, maar kon deze niet vinden of krijgen. Na de definitieve aanslag wist zij ook niet dat zij deze nog langer moest bewaren. Eiseres ziet daarin geen beletsel voor aftrek. Voorts betoogt eiser dat zij recht heeft op aftrek van vervoerskosten ter zake van de epilatiebehandelingen. Zij stelt die op 60 kilometer * € 0,35 per behandeling.

12. Verweerder betwist dat degene die de epilatiebehandelingen heeft uitgevoerd, een paramedicus is als bedoeld in artikel 39 van de URIB 2001. Verweerder leidt uit het arrest van de Hoge Raad van 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY8480 af dat dan aan bijzondere voorwaarden moet zijn voldaan om voor aftrek in aanmerking te komen. Met name moet de behandeling plaatsvinden op voorschrift en/of onder begeleiding van een naar Nederlandse begrippen als genees- of heelkundige aan te merken hulpverlener. Aan die voorwaarde is volgens verweerder niet voldaan, omdat niet is gebleken van zodanig toezicht of zodanige controle. Verder betwist verweerder dat de kosten op eiseres hebben gedrukt. Omdat de kosten voor de behandelingen niet in aftrek komen, geldt hetzelfde voor de daarmee samenhangende reiskosten, aldus verweerder. Hij voegt daaraan toe dat het aantal bezoeken niet is onderbouwd en het gebruikte adres van het epilatiecentrum onjuist is.

13. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 behoren tot de uitgaven voor specifieke zorgkosten de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen. Op grond van het negende lid van dit artikel wordt onder genees- en heelkundige hulp verstaan:

a. een behandeling door een arts;

b. een behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus;

c. een behandeling door een bij ministeriële regeling aan te wijzen paramedicus, mits voor de behandeling een verklaring door de paramedicus is afgegeven die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

14. Artikel 39 van de URIB 2001 luidt:

“1. Als paramedicus als bedoeld in artikel 6.17, negende lid, onderdeel c, van de wet wordt aangewezen de persoon die bevoegd is tot het voeren van de titel:

a. fysiotherapeut;

b. diëtist;

c. ergotherapeut;

d. logopedist;

e. oefentherapeut;

f. orthoptist;

g. podotherapeut;

h. mondhygiënist; of

i. huidtherapeut.

2. Een verklaring als bedoeld in artikel 6.17, negende lid, onderdeel c, van de wet bevat ten minste:

a. gegevens waaruit blijkt dat degene die de verklaring afgeeft een paramedicus als bedoeld in het eerste lid is;

b. naam, praktijkadres, telefoonnummer en handtekening van de paramedicus die de verklaring afgeeft;

c. naam, adres en burgerservicenummer van de persoon die onder behandeling is van de paramedicus;

d. de aandoening van de persoon, bedoeld in onderdeel c, die aanleiding is voor de behandeling;

e. het aantal behandelingen dat voortvloeit uit ziekte of invaliditeit;

f. de dagtekening van de verklaring.”

15. Uit artikel 6.1, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 volgt dat persoonsgebonden aftrekposten zoals uitgaven voor specifieke zorgkosten alleen in aftrek komen indien zij in het kalenderjaar op de belastingplichtige hebben gedrukt.

16. Naar het oordeel van de rechtbank komen de kosten voor de epilatiebehandelingen en de daarmee samenhangende vervoerskosten niet in aftrek, reeds omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten op haar hebben gedrukt. Facturen en betalingsbewijzen ontbreken namelijk en ook anderszins heeft eiseres ter zake geen bewijs bijgebracht anders dan haar eigen verklaringen. Het feit dat de aftrek aanvankelijk is toegelaten in de primitieve aanslagen en vervolgens is gecorrigeerd in de navorderingsaanslagen doet daaraan niet af. In de procedure tegen een navorderingsaanslag geldt immers in beginsel niet een andere bewijslastverdeling dan in een procedure tegen een primitieve aanslag, zodat het ontbreken van bewijs in een geval als het onderhavige ook in eerstgenoemde procedure voor rekening van de belanghebbende blijft.

Medicijnen

17. Eiseres stelt dat zij lijdt aan endometriose en dat zij daartegen op voorschrift van een gynaecoloog een anticonceptiepil gebruikt. Zij meent dat deze kosten niet vergoed worden door de zorgverzekeraar en oppert dat zij op dit punt wellicht op het verkeerde been is gezet door de apotheker.

18. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze kosten niet in aftrek komen, omdat ze in aanmerking komen voor vergoeding door de zorgverzekeraar indien de medicijnen zijn voorgeschreven voor endometriose, zoals eiseres stelt. Hij verwijst in dit verband naar de voorwaarden van verzekeringsmaatschappij [E] , waar eiseres in het onderhavige jaar was verzekerd.

19. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en letter c, van de Wet IB 2001 behoren tot de uitgaven voor specifieke zorgkosten de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts. Ook hiervoor geldt dat deze uitgaven in het kalenderjaar op de belastingplichtige moeten hebben gedrukt om voor aftrek in aanmerking te komen (artikel 6.1, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gestelde kosten op haar hebben gedrukt, omdat zij tegenover het betoog van verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor deze kosten geen recht op vergoeding bestond vanwege haar zorgverzekeraar. Of de apotheker een andere indruk heeft gewekt, doet daarbij naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake, omdat het recht op vergoeding niet wordt beïnvloed door de opvattingen van de apotheker hierover en omdat de apotheker geen rechtens te honoreren vertrouwen kan wekken met betrekking tot de aftrekbaarheid van specifieke zorgkosten.

Diverse vervoerskosten

20. Eiseres stelt dat zij beschikking had over de auto van haar broer, waarmee zij de diverse bezoeken aan medisch specialisten aflegde. Zij heeft daarom ook recht op aftrek van vervoerskosten, aldus eiseres. Ze stelt deze voor ieder jaar op € 25. Van de benzine heeft zij echter geen bonnen.

21. Volgens verweerder is niet vast komen te staan om welke kosten het hier gaat en in welk kader deze kosten zijn gemaakt. Voorts betwist verweerder dat de kosten op eiseres hebben gedrukt.

22. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet IB 2001 behoren tot de uitgaven voor specifieke zorgkosten de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor vervoer. Ook hiervoor geldt dat deze uitgaven in het kalenderjaar op de belastingplichtige moeten hebben gedrukt om voor aftrek in aanmerking te komen (artikel 6.1, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gestelde vervoerskosten op haar hebben gedrukt, nu zij haar stelling niet heeft gestaafd met enige bewijsmiddelen.

Slotsom

23. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Verzoek om vergoeding van immateriële schade

24. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

25. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Voor de behandeling van een bezwaar is een termijn van zes maanden redelijk en voor de behandeling van een beroep een termijn van anderhalf jaar.

26. De berechting van deze zaak is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 15 november 2017 en geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 1 november 2020. De voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn bedraagt derhalve afgerond zesendertig maanden. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De redelijke termijn is daarom overschreden met afgerond twaalf maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000.

27. Van de overschrijding met afgerond twaalf maanden is een periode van afgerond acht maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase, die is voltooid toen verweerder met dagtekening 10 januari 2019 uitspraak op bezwaar deed. Het restant van vier maanden wordt toegerekend aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom 8/12 deel van € 1.000 te betalen (€ 667) en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) 4/12 deel (€ 333).

28. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 667 en zal zij de Minister van Justitie en Veiligheid veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 333.

Proceskosten

29. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in deze zaak aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 0,5 nu de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de immateriële schadevergoeding, vgl. het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660, r.o. 2.3.2).

30. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2 zal de vergoeding van dit bedrag deels moeten plaatsvinden door verweerder en deels door de Minister van Justitie en Veiligheid, waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt. Hetzelfde heeft te gelden voor de vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 667;

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 333;

- veroordeelt verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser, ieder tot een bedrag van € 262,50; en

- draagt verweerder en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden, ieder tot een bedrag van € 23,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Maas, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel