Home

Rechtbank Noord-Holland, 26-11-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:9550, AWB - 19 _ 5199

Rechtbank Noord-Holland, 26-11-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:9550, AWB - 19 _ 5199

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26 november 2020
Datum publicatie
8 december 2020
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2020:9550
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5199

Inhoudsindicatie

Geen ambtelijk verzuim dus de navorderingsaanslag is terecht opgelegd. Eiseres heeft geen recht op kostenvergoeding voor bezwaar, nu zij pas in de bezwaarfase onderbouwende stukken heeft overgelegd.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/5199 en 19/5200

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 met dagtekening 3 maart 2018 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.116.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 met dagtekening 3 maart 2018 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.151.

Verweerder heeft op 22 maart 2018 bezwaarschriften tegen deze navorderingsaanslagen ontvangen. Eiser heeft daarbij verzocht om een kostenvergoeding.

Op 26 november 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 september 2019 de navorderingsaanslag ib/pvv 2013 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.617. Er is geen kostenvergoeding toegekend.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 september 2019 de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.845. Er is geen kostenvergoeding toegekend

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld, door de rechtbank ontvangen op 10 oktober 2019.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De rechtbank heeft op 20 november 2020 een brief van verweerder ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2020 te Haarlem.

Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 24 maart 2014 heeft eiser de papieren aangifte ib/pvv voor het jaar 2013 ingediend en daarbij een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 15.051 en daarbij onder meer een aftrek specifieke zorgkosten aangegeven van € 3.443.

2. Verweerder heeft met dagtekening 16 december 2016 een aanslag ib/pvv 2013 opgelegd conform de ingediende aangifte.

3. Op 25 maart 2015 heeft eiser de papieren aangifte ib/pvv voor het jaar 2014 ingediend en daarbij een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 15.217 en daarbij onder meer een aftrek specifieke zorgkosten aangegeven van € 3.934.

4. Verweerder heeft met dagtekening 9 april 2016 een aanslag ib/pvv 2014 opgelegd conform de ingediende aangifte.

5. De gemachtigde van eiser is werkzaam bij Werkkollektief Hoorn (hierna: WKH). Verweerder is in 2015 begonnen aan een onderzoek dat in april 2015 leidde tot de conclusie dat er een verhoogd risico was op onjuistheden in de door WKH ingediende aangiften ib/pvv. Als gevolg hiervan is er een steekproef gedaan en zijn op 30 juni 2015 vragenbrieven gezonden in 173 zaken. Naar aanleiding van de resultaten van deze vragenbrieven is geconcludeerd dat het onderzoek moest worden uitgebreid en is besloten alle digitaal door WKH ingediende aangiften waarbij de aftrekposten boven een bepaald bedrag uitkwamen te onderzoeken.

6. In het kader van het in 5 vermelde onderzoek heeft verweerder eiser per brief van 14 maart 2017 gevraagd om informatie over de door hem in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten in de aangiftes over 2013 en 2014. Eiser heeft daarop aanvullende stukken toegezonden.

7. Verweerder heeft een navorderingsaanslag over 2013 opgelegd waarin de aftrek zorgkosten is beperkt tot € 378. De navorderingsaanslag resulteerde in een te betalen bedrag van € 1.304, inclusief € 170 belastingrente.

8. Verweerder heeft een navorderingsaanslag over 2014 opgelegd waarin de aftrek zorgkosten geheel is gecorrigeerd. De navorderingsaanslag resulteerde in een te betalen bedrag van € 1.582, inclusief € 157 belastingrente.

9. Eiser heeft tegen de navorderingsaanslagen bezwaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat eiser in 2013 recht heeft op een aftrek specifieke zorgkosten van € 877 en voor het jaar 2014 op een aftrek specifieke zorgkosten van € 306.

Geschil 10. In geschil is of de navorderingsaanslag 2014 terecht is opgelegd en zo ja, voor welke bedragen recht bestaat op aftrek zorgkosten. Voor beide jaren is nog in geschil of recht bestaat op kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

11. Eiser stelt dat sprake is van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat.

Verder is ten onrechte geen aftrek verleend voor extra kosten kleding en beddengoed; er is immers een verklaring van de huisarts dat de dochter van eiser, [C] crème gebruikt.

Ook voor de dieetkosten in beide jaren is ten onrechte geen aftrek verleend.

Het verzoek om kostenvergoeding voor bezwaar is ten onrechte afgewezen.

12. Verweerder neemt het standpunt in dat geen sprake is van een ambtelijk verzuim.

De geclaimde aftrek kleding en beddengoed is terecht gecorrigeerd. De dieetkosten zijn aannemelijk gemaakt. Gelet op de mededeling gedaan tijdens het hoorgesprek zal voor beide jaren een extra aftrek van € 1.820 worden toegestaan.

De navorderingsaanslag over 2013 heeft verweerder in de beroepsfase vernietigd.

Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslag 2013 en vermindering van de navorderingsaanslag 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.025.

13. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Navorderingsaanslag 2013

14. Vast staat dat de navorderingsaanslag 2013 inmiddels is vernietigd. Het beroep zal om die reden gegrond worden verklaard.

Navorderingsaanslag 2014

Nieuw feit

15. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gebleven of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op verweerder rust de bewijslast aannemelijk te maken dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan.

Daarbij heeft volgens vaste jurisprudentie te gelden dat verweerder bij het vaststellen van een aanslag in de ib/pvv mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. De Hoge Raad spreekt ook van ‘een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid’. Met andere woorden, verweerder is alleen dan verplicht de aangifte op een punt nader te onderzoeken wanneer het onwaarschijnlijk is dat de aangifte op dit punt juist is.

15. Vaststaat dat eiser op 25 maart 2015 zijn aangifte ib/pvv voor het jaar 2014 heeft ingediend. Dat deze aangifte enig gegeven bevatte aan de juistheid waarvan de inspecteur in redelijkheid behoorde te twijfelen, is gesteld noch gebleken. Verder staat vast dat op 9 april 2016 de aanslag ib/pvv 2014 is opgelegd.

Volgens eiser had het onderzoek dat is opgestart naar door het kantoor van de gemachtigde ingediende aangiften voor verweerder aanleiding moeten zijn om aan de aangiften meer dan de gebruikelijke aandacht te besteden. Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat naar aanleiding van de gerezen verdenking in eerste instantie een beperkt onderzoek is ingesteld naar de juistheid van 173 door het kantoor van de gemachtigde ingediende aangiften. Op basis van de beantwoording van de in die zaken met dagtekening 30 juni 2015 verzonden vragenbrieven en het onderzoek naar de juistheid daarvan is vervolgens geconcludeerd dat een uitgebreider onderzoek gerechtvaardigd was. Vanaf begin 2016 werden daarom de digitaal ingediende aangiften die zijn voorzien van het beconnummer van de gemachtigde en waarvan de aftrekposten boven een bepaald bedrag uitkwamen aan een onderzoek onderworpen. In het kader van dit bredere onderzoek is ook de vragenbrief van 14 maart 2017 aan eiser toegezonden. De rechtbank acht deze werkwijze van verweerder zorgvuldig en voldoende voortvarend. Met hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd is niet aannemelijk geworden dat ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag het onderzoek al zo ver was gevorderd dat er reden was om aan alle door de gemachtigde ingediende aangiften, waaronder die van eiser, meer dan de gebruikelijke aandacht te besteden. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat bij het behandelen van de aangifte en het opleggen van de aanslag geen sprake is geweest van een ambtelijk verzuim en de navorderingsaanslag is opgelegd op basis van een feit dat verweerder ten tijde van het opleggen van de aanslagen niet bekend was en redelijkerwijs ook niet bekend behoorde te zijn. In zoverre is de navorderingsaanslag dus terecht opgelegd.

16. Artikel 6.1 van de Wet IB 2001 luidt - voor zover van belang - als volgt:

“1. Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van:

a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en (…).

2. Persoonsgebonden aftrekposten zijn de:

(…)

d. uitgaven voor specifieke zorgkosten (afdeling 6.5)”

17. Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet IB 2001 kunnen extra uitgaven voor kleding en beddengoed, die het gevolg zijn van ziekte of invaliditeit, in aftrek worden gebracht. Deze bepaling is nader uitgewerkt in artikel 38, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Wet IB 2001, op grond waarvan sprake moet zijn van een ziekte of invaliditeit die ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren.

18. De rechtbank stelt voorop dat op eiser, als degene die de aftrek claimt, de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat recht bestaat op de aftrekpost.

Dieetkosten

19. Verweerder heeft zich in het verweerschrift nader op het standpunt gesteld dat recht bestaat op een dieetkostenaftrek van € 1.820, derhalve voor beide opgevoerde diëten. De rechtbank zal verweerder in dit standpunt volgen. Dat leidt in elk geval tot vermindering van de navorderingsaanslag 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.025.

Aftrek extra kosten kleding en beddengoed

20. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat voor twee kinderen recht bestaat op aftrek kleding en beddengoed. De rechtbank heeft geen aanleiding verweerder hierin niet te volgen en zal dienovereenkomstig beslissen.

Verweerder heeft tevens ter zitting aangevoerd dat de dieetkostenaftrek die ambtshalve is verleend te hoog is, aangezien slechts voor één van beide opgevoerde diëten recht op aftrek bestaat en beroept zich op interne compensatie. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in elke stand van het geding kan beroepen op interne compensatie. Dat is evenwel anders als een dergelijk beroep in strijd komt met het vertrouwensbeginsel. In casu heeft verweerder de dieetkostenaftrek ten bedrage van € 1.820 blijkens een mededeling gedaan tijdens het hoorgesprek geaccepteerd. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat eiser erop mocht vertrouwen dat recht bestaat op de geclaimde dieetkostenaftrek en acht het dan ook onzorgvuldig om thans nog interne compensatie toe te passen. Het beroep op interne compensatie wordt daarom verworpen. Dat betekent dat recht bestaat op een aftrek extra kosten kleding en beddengoed van € 620. Het belastbaar inkomen wordt dan verder verminderd met € 620 + € 248 (verhogingsfactor 40%) = € 868.

Kostenvergoeding bezwaar

21. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden kosten, die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van eiser voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Verweerder heeft onbestreden verklaard dat eiser vóór het opleggen van de navorderingsaanslagen geen onderbouwende stukken heeft overgelegd. De vragenbrieven zijn verstuurd op 14 maart 2017 en de navorderingsaanslagen hebben als dagtekening 3 maart 2018. Eiser heeft pas op 11 september 2018 stukken overgelegd die hebben geleid tot het nadere standpunt van verweerder dat recht bestaat op een deel van de geclaimde aftrek zorgkosten, hetgeen voor het jaar 2013 uiteindelijk heeft geleid tot vernietiging van de navorderingsaanslag. Het voorgaande betekent dat er geen sprake is van een onrechtmatigheid aan de kant van verweerder en eiser niet met succes aanspraak kan maken op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Immateriële schadevergoeding

22. Eiser heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding voor de schade die hij heeft geleden en lijdt in de vorm van de spanning en frustratie als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar.

23. De bezwaarschriften zijn ingediend op 22 maart 2018, uitspraken op bezwaar zijn gedaan op 4 september 2019, en de rechtbank doet uitspraak op 26 november 2020, zodat in deze zaken de redelijke termijn is overschreden met (afgerond) 9 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden zijn door verweerder niet gesteld.

Aangezien de bezwaarfase, gelet op de datum van de uitspraken op bezwaar (afgerond) 18

maanden heeft geduurd, is de gehele termijnoverschrijding aan de bezwaarfase toe te rekenen.

24. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 16.157;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 1.000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is op 26 november 2020 gedaan door mr. F. Kleefmann, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel