Home

Rechtbank Noord-Holland, 08-12-2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:11901, AWB - 20 _ 308

Rechtbank Noord-Holland, 08-12-2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:11901, AWB - 20 _ 308

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
8 december 2021
Datum publicatie
10 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2021:11901
Zaaknummer
AWB - 20 _ 308

Inhoudsindicatie

BTW-compensatiefonds

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 20/308 en HAA 20/309

(gemachtigde: mr. F.P. van den Eijnden),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2015 een beschikking terug te vorderen compensabele omzetbelasting gegeven. De beschikking vermeldt een bedrag aan teruggevorderde omzetbelasting van € 45.334. Bij afzonderlijke beschikking is € 5.898 belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2016 een beschikking terug te vorderen compensabele omzetbelasting gegeven. De beschikking vermeldt een bedrag aan teruggevorderde omzetbelasting van € 52.280. Bij afzonderlijke beschikking is € 4.711 belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 18 oktober 2019 de beschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2021 te Haarlem.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [naam 1] , [naam 2] en

[naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. [naam 4] , mr. [naam 5] , [naam 6] , mr. [naam 7] en

mr. [naam 8] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres, [naam 10] ( [naam 10] ) en de [naam 11] ( [naam 11] ) hebben op 2 juli 2015 een aanvullende overeenkomst gesloten met [naam 9] (hierna: de aannemer) voor de realisatie van een noodaanlanding in de Veerhaven van [locatie] . Als de veerdienst tussen [plaats] en [locatie] door calamiteiten geen gebruik kan maken van de reguliere aanlanding, kan de noodaanlanding worden gebruikt voor het aan en van boord gaan van personen en voertuigen.

2. In de schriftelijke vastlegging van de overeenkomst van 2 juli 2015 is onder meer het volgende vermeld:

“De ondergetekenden:

1. De Staat der Nederlanden, (...), vertegenwoordigd door de programmamaker Portfoliomanagement van [naam 10] Programma’s, Projecten en Onderhoud, (...), hierna te noemen: de Opdrachtgever,

en

2. De Staat der Nederlanden, (...), vertegenwoordigd door (...) de directeur Netwerk Management, (...),

en

3. [De aannemer], (...), hierna te noemen: de Opdrachtnemer,

en

4. [ [naam 11] ], hierna te noemen: de [naam 11] ,

en

5. [Eiseres], (...), hierna te noemen: gemeente [locatie] .

OVERWEGENDE:

(...)

Noodaanlanding [locatie] (deel E)

 dat het eiland [locatie] niet beschikt over een noodaanlanding. (...);

 (...);

 dat in het bestuurlijk overleg met de [naam 11] door [ [naam 10] ] de bereidheid is uitgesproken om de noodaanlanding in 2015 en 2016 te realiseren waarbij de kosten worden betaald door de [naam 11] en [eiseres];

(...)

Offerte

 dat [de aannemer] voor de realisatie van de onderdelen D1, E, F, en G een prijsaanbieding met datum 28 mei 2015 heeft ingediend voor totaal € 2.217.000,-- exclusief BTW.

zijn overeengekomen het tussen partijen op 16 augustus 2012 gesloten contract (...) met ingang van 1 juli 2015 voor de delen D1, E, F, en G als volgt te wijzigen:

(...)

Het voorgaande is opgebouwd uit de volgende componenten:

REEDS OPGEDRAGEN IN SEPTEMBER 2012, TE BETALEN DOOR DE OPDRACHTGEVER:

a. 2.471.000,00 euro voor het vervangen van de bestaande lange fuikwand in de Veerhaven (deel A);

b. 657.500,00 euro voor het realiseren van de noodaanlanding in de Marinehaven (deel B);

NU OPGEDRAGEN MET DEZE WIJZIGINGSOVEREENKOMST, TE BETALEN DOOR [EISERES]

c. € 431.000,00 euro voor de realisatie “Noodaanlanding [locatie] ” (deel E);

NU OPGEDRAGEN MET DEZE WIJZIGINGSOVEREENKOMST, TE BETALEN DOOR DE [naam 11] :

d. 967.552,00 euro voor de “Aanpassingen t.b.v. [naam 12] ” (Deel D1) Dit bedrag is opgebouwd (...);

e. 437.631,00 euro voor de realisatie “Noodaanlanding [locatie] ” (deel E) Dit bedrag is opgebouwd uit betaalpost E € 741.000, ontwerpwerkzaamheden € 85.000 en aandeel aflever- en opleverdossiers € 42.631 minus deel te betalen door gemeente [locatie] € 431.000;”

3. Ter zake van de realisatie van de noodaanlanding heeft de aannemer in 2015 aan eiseres zes termijnfacturen uitgereikt die in kopie tot de stukken behoren. De facturen hebben betrekking op door de aannemer aan eiseres in rekening gebrachte vergoedingen van in totaal € 215.878 en over dit bedrag heeft de aannemer in totaal € 45.334,37 omzetbelasting in rekening gebracht. In 2016 heeft de aannemer aan eiseres facturen uitgereikt voor in totaal € 249.776 en daarover € 52.280 omzetbelasting in rekening gebracht. Met een beroep op artikel 3 van de Wet op het BTWcompensatiefonds (Wet BCF) heeft eiseres de omzetbelasting gedeclareerd bij het BTWcompensatiefonds (het Fonds).

4. Per e-mailbericht van 30 november 2018 heeft eiseres verweerder gevraagd om een vooroverleg over de compensatiemogelijkheid van de omzetbelasting die haar ter zake van de noodaanlanding in rekening is gebracht. Per brief van 14 december 2018 heeft verweerder daarop gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat compensatie niet mogelijk was en de door eiseres ingediende declaratie moest worden gecorrigeerd.

5. Ingevolge de in 4 genoemde brief heeft verweerder eiseres de onderhavige beschikkingen gegeven.

Geschil 6.In geschil is of eiseres recht heeft op een bijdrage uit het Fonds ter financiering van de omzetbelasting die haar door de aannemer in rekening is gebracht op de in 3 genoemde termijnfacturen.

7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op een bijdrage uit het Fonds en heeft daarvoor – kort weergegeven – aangevoerd dat zij afnemer is van een door de aannemer aan haar verrichte prestatie omdat [naam 10] , [naam 11] en eiseres een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten met de aannemer waarmee tussen eiseres en de aannemer een relatie opdrachtgever-opdrachtnemer is ontstaan. Dat de desbetreffende grond eigendom is van de Staat is volgens eiseres niet relevant omdat de noodaanlanding een algemene voorziening is ten behoeve van de burgers en daarom geen sprake is van een individuele verstrekking aan [naam 10] of [naam 11] .

8. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de beschikkingen.

9. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiseres geen recht heeft op compensatie omdat zij niet de afnemer van de prestatie is. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat compensatie niet mogelijk is omdat sprake is van een individuele verstrekking.

Ter motivering van zijn primaire standpunt heeft verweerder aangevoerd dat in de overeenkomst van 2 juli 2015 alleen de Staat ( [naam 10] ) als Opdrachtgever wordt genoemd en uit het desbetreffende raadsbesluit blijkt dat eiseres slechts een deel van de kosten heeft betaald. Verder stelt verweerder dat de desbetreffende grond eigendom is van de Staat en de Staat door natrekking eigenaar werd van de noodaanlanding en eiseres daardoor nooit de beschikkingsmacht over de noodaanlanding kreeg.

Ter motivering van zijn subsidiaire standpunt heeft verweerder aangevoerd dat, als moet worden geoordeeld dat eiseres wel afnemer is van de prestatie van de aannemer, de noodaanlanding direct is overgedragen aan een individuele derde, namelijk de Staat.

10. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

11. Op grond van artikel 3, aanhef, letter a en slotzinsnede, van de Wet BCF heeft een publiekrechtelijk lichaam recht op een bijdrage uit het Fonds ter financiering van – voor zover hier van belang – de omzetbelasting die door een ondernemer aan het publiekrechtelijke lichaam in rekening is gebracht ter zake van aan hem verrichte leveringen en diensten, voor zover die belasting betrekking heeft op goederen en diensten die het publiekrechtelijk lichaam bezigt anders dan in het kader van zijn onderneming.

12. Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet BCF is het recht op een bijdrage, voor zover hier van belang, uitgesloten als de desbetreffende goederen en diensten worden gebezigd om te worden verstrekt, verleend of ter beschikking gesteld te worden aan een of meer individuele derden. Op grond van het tweede lid geldt deze bepaling niet voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

13. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres afnemer is van een door de aannemer geleverde noodaanlanding op [locatie] . Op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet BCF hebben de begrippen in deze wet die zijn ontleend aan de Wet op de Omzetbelasting 1968, dezelfde betekenis als de begrippen in die wet en de daarop rustende bepalingen. Met inachtneming van deze bepaling moet het ervoor worden gehouden dat een levering dan wel een dienst aan een publiekrechtelijk lichaam wordt verricht, indien een ondernemer met het publiekrechtelijke lichaam een rechtsbetrekking is aangegaan ingevolge welke de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend. Daaraan doet niet af dat een of meer anderen dan het publiekrechtelijk lichaam belang hebben of gebaat zijn bij de desbetreffende levering of dienst (vgl. HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1173).

14. Naar uit de stukken naar voren komt en tussen partijen ook niet in geschil is, is de aannemer de leverancier van de noodaanlanding. Met inachtneming van de hierboven aangehaalde rechtsregels moet vervolgens worden onderzocht met welke contractspartner van de aannemer de rechtsbetrekking is ontstaan op grond waarvan de aannemer tot levering van de noodaanlanding werd verplicht.

15. Gelet op de inhoud van de in 2 geciteerde overeenkomst van 2 juli 2015 strekt deze overeenkomst tot wijziging en aanvulling van een op 16 augustus 2012 gesloten overeenkomst. Die overeenkomst behoort niet tot de stukken en partijen hebben in dit geding ook geen duidelijkheid gegeven over de inhoud daarvan. Naar eiseres heeft aangevoerd heeft zij met de overeenkomst van 2 juli 2015 met [naam 10] en [naam 11] een aanvullende privaatrechtelijk overeenkomst gesloten met de aannemer, tot realisatie van de noodaanlanding in de Veerhaven van [locatie] . De rechtbank leidt daaruit af dat de noodaanlanding op [locatie] nog niet aan de orde was bij de overeenkomst van 16 augustus 2012 en de opdracht tot realisatie daarvan eerst aan de aannemer is gegeven bij de overeenkomst van 2 juli 2015. In de preambule van laatstgenoemde overeenkomst is [naam 10] aangeduid als opdrachtgever en de aannemer als opdrachtnemer en is eiseres alleen vermeld als partij bij de overeenkomst zonder nadere aanduiding. Uit het vervolg van de overeenkomst komt naar voren dat de aannemer, als opdrachtnemer, moest presteren aan de opdrachtgever, namelijk [naam 10] . Zo wordt in artikel 10 onder b. van de overeenkomst bepaald dat door eiseres betaald dient te worden aan de aannemer na afgifte van een prestatieverklaring voor dit bedrag door de opdrachtgever, zijnde [naam 10] . Ten aanzien van eiseres is slechts bepaald dat een bedrag van € 431.000, exclusief omzetbelasting, voor haar rekening kwam en dat dit bedrag aan de aannemer zou worden betaald in termijnen van vier weken volgens een door de aannemer op te stellen schema. Betaling van een termijn zou geschieden na ontvangst van een door [naam 10] af te geven prestatieverklaring.

16. Onmiskenbaar is met het sluiten van de overeenkomst van 2 juli 2015 tussen eiseres en de aannemer een rechtsbetrekking ontstaan, namelijk de verplichting van eiseres om het voor haar rekening komende bedrag aan de aannemer te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee, anders dan eiseres stelt, tussen de aannemer en eiseres echter geen verhouding van leverancier-afnemer ontstaan en is dit dan ook niet de rechtsbetrekking ingevolge welke de levering is verricht. Uit de overeenkomst valt op te maken dat de aannemer de opdracht tot aanleg van de noodaanlanding kreeg van [naam 10] en ook moest presteren aan en onder toezicht van [naam 10] . Daarmee is tussen de aannemer en [naam 10] een rechtsbetrekking van opdracht en uitvoering tot stand gekomen en is naar het oordeel van de rechtbank tussen hen wel een verhouding leverancier-afnemer ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dit dan ook de rechtsbetrekking op grond van welke de levering is verricht. Dat de aannemer aan eiseres facturen heeft uitgereikt maakt dit niet anders. In het algemeen kan worden aangenomen dat degene aan wie de factuur van een levering of dienst wordt uitgereikt, ook de afnemer van de desbetreffende prestatie is, maar dit kan onder omstandigheden anders zijn en gelet op de inhoud van de overeenkomst en de overige feiten en omstandigheden die daartoe door partijen over en weer zijn aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat in dit geval niet eiseres, maar slechts [naam 10] de afnemer is van de door de aannemer verrichte prestatie.

17. Hetgeen eiseres verder heeft aangevoerd brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft gewezen op het verslag van een bespreking tussen vertegenwoordigers van eiseres, [naam 10] en [naam 11] die plaatsvond op 12 mei 2015 en waarvan het verslag in kopie tot de gedingstukken behoort. Volgens eiseres wordt uit dit verslag duidelijk dat eiseres aan [naam 10] de opdracht gaf voor de aanleg van de noodaanlanding en dat daardoor via [naam 10] tussen eiseres en de aannemer een verhouding van leverancier en afnemer zou zijn ontstaan. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In het verslag is onder meer te lezen dat met het verlenen van de opdracht zou worden gewacht totdat duidelijk was hoe [naam 10] zou omgaan met de financiering van beheer en onderhoud van de noodaanlanding en dat de noodaanlanding volgens [naam 10] niet nodig was, maar omdat eiseres en [naam 11] al grote stappen hadden gemaakt [naam 10] geen spelbreker wilde zijn en positief wilde meedenken met de plannen van eiseres en [naam 11] . Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het vorenstaande niet dat sprake was van een door eiseres aan RWSgegeven opdracht en is dit in het verslag ook verder niet te vinden, nog daargelaten of eiseres onder de gegeven omstandigheden de mogelijkheid had een dergelijke opdracht te verstrekken aan [naam 10] . Op grond van de stukken en hetgeen eiseres daarover heeft aangevoerd acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiseres via [naam 10] de opdracht tot realisatie van de noodaanlanding heeft verstrekt aan de aannemer en eiseres daarmee ook de afnemer zou zijn van de door de aannemer geleverde prestatie.

18. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres niet de afnemer is van de door de aannemer geleverde noodaanlanding op [locatie] . Het gelijk is dus aan verweerder. Het subsidiaire standpunt van verweerder behoeft daarmee geen beoordeling meer.

19. Tegen de belastingrente heeft eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat die ten onrechte of naar onjuiste bedragen in rekening is gebracht.

20. Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

21. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

Rechtsmiddel