Home

Rechtbank Noord-Holland, 18-02-2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:3199, AWB - 18 _ 1944

Rechtbank Noord-Holland, 18-02-2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:3199, AWB - 18 _ 1944

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18 februari 2021
Datum publicatie
22 april 2021
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2021:3199
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1944

Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Geen recht op vrijstelling ex artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten tweede, van de Wet OB. Beroep op vertrouwensbeginsel faalt.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 18/1944, HAA 18/1945, HAA 18/1946, HAA 18/1947 en

HAA 18/1948

(gemachtigde: mr. PH. Boerman),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, Midden- en kleinbedrijf Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Bij beschikking heeft verweerder eiseres over het eerste kwartaal van 2017 € 14.753 omzetbelasting teruggegeven. Verder heeft verweerder eiseres de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd en bij daartoe strekkende beschikkingen de daarbij vermelde boete opgelegd en belastingrente in rekening gebracht:

Aanslagnummer tijdvak belasting boete belastingrente

[# 1] 1e kwartaal 2015 € 100.000 € 5.000 € 5.800

[# 2] 1e kwartaal 2015 € 29.780 € 0 € 1.727

[# 3] 4e kwartaal 2015 € 30.240 € 1.512 € 1.753

[# 4] 4e kwartaal 2016 € 30.765 € 1.538 € 553

Eiseres heeft in één geschrift tegen de teruggaafbeschikking, de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de rentebeschikkingen bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraken op bezwaar heeft verweerder de boetebeschikkingen vernietigd en de teruggaafbeschikking, de naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2021 te Haarlem. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. De activiteiten van eiseres bestaan uit het verstrekken van rentedragende leningen aan haar enige aandeelhouder, een Spaanse vennootschap. Zij kwalificeert voor deze activiteiten als ondernemer voor de btw in de zin van artikel 7, eerste lid van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Zij verricht daarmee uitsluitend van btw vrijgestelde prestaties waardoor zij geen recht op aftrek van omzetbelasting ter zake van aan haar verrichtte prestaties heeft.

2. De voor de leningen benodigde middelen verkrijgt eiseres door het uitgeven op de Luxemburgse beurs van obligaties en de uitgifte van “commercial papers”. In verband met het aantrekken van deze “bonds” heeft eiseres gebruik gemaakt van de diensten van twee credit rating agencies: [C] Ltd. ( [C] .) en [D] Ltd. ( [D] Ltd.), beide gevestigd binnen de Europese Unie doch niet in Nederland. Zij hebben een credit rating verstrekt ten aanzien van de uit te geven financiële producten.

3. In de algemene voorwaarden van de dienstverlening door [C] . staat, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“The undersigned hereby applies for a [C] ’s rating, as described in this Application. A credit rating is [C] ’s current opinion regarding the relative future creditworthiness of a credit commitment, a debt or debt-like security, or an issuer of such obligations. [C] ’s credit ratings do not address any other risk, including, but not limited to liquidity risk, market value risk, or price volatility.

The undersigned agrees to furnish to [C] ’s and/or where the undersigned is not the issuer, will procure that the issuer furnishes [C] ’s with pertinent financial reports and other information and data required by [C] ’s , in its sole discretion, in order that [C] ’s may appraise the issuer or the specific issue. The undersigned also agrees on an ongoing basis to provide or procure the provision of updated information, including periodic financial reports, and copies of compliance certificates, amendments or waivers, and any other pertinent information which may be necessary for the purposes of monitoring the rating. The undersigned agrees and acknowledges that it is solely responsible and liable for the quality of the information provided. [C] ’s will rely on such information in its analysis and [C] ’s owes no obligation to the undersigned or the issuer to verify audit or validate independently any such information. The undersigned warrants that it has undertaken all reasonable due diligence in respect of such information and all information supplied is true, accurate and complete and not misleading in all aspects. It is understood that [C] ’s may aggregate and/or transform any information provided by or on behalf of the issuer so that it is not capable of association with any individual issuer and publish distribute or use such aggregated or transformed data in connection with its products and services. The terms of this Application supersede any other terms and conditions relating to the information, including terms and conditions of any website or electronic data room in which any of the information is posted, which terms and conditions will not apply to [C] ’s.

(…)

It is understood that [C] ’s rating, if assigned, will be subject to revision or withdrawal by [C] ’s at any time, without notice, in the sole discretion of [C] ’s. It is further understood that [C] ’s is an independent rating agency and is therefore free to determine, apply and amend from time to time its methodologies in its sole discretion in accordance with applicable law.

(…)

[C] ’s is not providing and shall not provide any financial, legal, tax, advisory, consultative or business services to the undersigned or the Issuer, or advice on structuring transactions or drafting or negotiating transaction documentation. The Issuer and/or the undersigned should take their own legal, tax, financial, and other advice when structuring, negotiating and documenting transactions. A rating opinion or discussion with [C] ’s analysis shall not be deemed as rendering advice on business operations. Any rating must be construed solely as a statement of opinion and not a statement of fact, an offer, invitation, inducement or recommendation to purchase, sell or hold any securities or otherwise act in relation to the Issuer or any other entity or otherwise in connection with any associated transaction or any other matter. [C] ’s is not party to any transaction documents and therefore is not bound by any rating agency confirmation or affirmation clauses (commonly known as RACs) in such documentation. [C] ’s is not obliged to give any such confirmation or affirmation and retains sole discretion whether to do so.

(…)”

In de algemene voorwaarden van [D] Ltd. staat, voor zover relevant, het volgende:

Scope of Rating. The Company understands and agrees that (i) an issuer rating reflects [D] current opinion of the Company’s overall financial capacity to pay its financial obligations as they come due, (ii) an issue rating reflects [D] current opinion of the likelihood that the Company will make payments of principal and interest on a timely basis in accordance with the terms of the obligation, (iii) [D] may assign a recovery rating considering the likelihood of ultimate repayment of an issue after default, (iv) a rating is an opinion and is not a verifiable statement of fact, (v) ratings are based on information supplied to [D] by the Company or by its agents and upon other information obtained by [D] from other sources it considers reliable, (vi) [D] does not perform an audit in connection with any rating and a rating does not represent an audit by [D] , (vii) [D] relies on the Company, its accountants, counsel, and other experts for the accuracy and completeness of the information submitted in connection with the rating and surveillance process, (viii) [D] undertakes no duty of due diligence or independent verification of any information, (ix) [D] does not and cannot guarantee the accuracy, completeness, or timeliness of the information relied on in connection with a rating or the results obtained from the use of such information, (x) [D] may raise, lower, suspend, place on CreditWatch or withdraw a rating at any time, in [D] sole discretion, and (xi) a rating is not a “market” rating nor a recommendation to buy, hold, or sell any financial obligation.

(…)

[D] Not an Advisor, Fiduciary, or Expert The Company understands and agrees that [D] is not acting as an investment, financial, or other advisor to the Company and that the Company should not and cannot rely upon the rating or any other information provided by [D] as investment or financial advice. Nothing in this Agreement is intended to or should be construed as creating a fiduciary relationship between [D] and the Company or between [D] and recipients of the rating. The Company understands and agrees that [D] has not consented to and will not consent to being named an “expert’ under any applicable securities laws.

(…)

Long-term Relationship Once the Company accepts a [D] rating, it enters into a long-term relationship with [D] . As part of this, it is [D] policy to assign and maintain ratings for the Company, including a Long-Term Corporate Credit Rating (issuer rating) and issue any related recovery ratings on syndicated loans and any and all public debt that is issued by, guaranteed by, and/or is in any other manner an obligation of the Company. Where the Company’s Counterparty Rating is BB- or lower on the [D] rating scale this included rating all debt instruments.

(…)”

4. Verweerder heeft bij eiseres een boekenonderzoek uitgevoerd en daarvan op 10 april 2017 het controlerapport uitgebracht. In het controlerapport is onder meer vermeld dat de door [C] . en [D] Ltd. aan eiseres verleende diensten geen adviesdiensten zijn, zoals eiseres verklaarde, maar diensten op het gebied van credit rating. Volgens het controlerapport gaat het bij deze diensten om onderzoeken op het gebied van solvabiliteit, liquiditeit en kredietwaardigheid van een onderneming en het op grond daarvan toekennen en openbaar maken van een rating. Deze rating bepaalt mede de positie van de betreffende onderneming, met name op de kapitaalmarkt, doordat de op die markt handelende partijen de voorwaarden voor krediet- en kapitaalverstrekking daarop zullen afstemmen. In het controlerapport wordt geconcludeerd dat deze diensten niet vallen onder de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de Wet OB en geen beroep kan worden gedaan op de bankenresolutie. Over deze diensten is daarom omzetbelasting verschuldigd die, omdat [C] . en [D] Ltd. niet in Nederland zijn gevestigd, door eiseres had moeten worden voldaan, aldus verweerder in het controlerapport.

5. Naar aanleiding van de uitkomsten van het boekenonderzoek heeft verweerder twee naheffingsaanslagen opgelegd over het eerste kwartaal van 2015. Daarnaast heeft eiseres suppletieaangiften ingediend over het vierde kwartaal van 2015 en het vierde kwartaal van 2016. Daarbij heeft eiseres, conform de conclusies in het controlerapport, omzetbelasting aangegeven over de aan haar door [C] . en [D] Ltd. in rekening gebrachte vergoedingen. Conform deze suppletieaangiften heeft verweerder naheffingsaanslagen over deze tijdvakken opgelegd. Bij de naheffingsaanslagen zijn bij daartoe strekkende beschikkingen verzuimboeten opgelegd en is belastingrente in rekening gebracht.

6. In de aangifte over het eerste kwartaal van 2017 heeft eiseres onder meer omzetbelasting aangegeven over de vergoedingen die [C] . en [D] Ltd. in dat kwartaal aan haar in rekening hebben gebracht. Deze vergoedingen bedroegen in totaal € 73.250 en de daarover verschuldigde omzetbelasting € 15.383 (21% van € 73.250). Conform deze aangifte, die met andere posten resulteerde in een teruggaaf, heeft verweerde bij beschikking aan eiseres een teruggaaf verleend van € 14.753.

7. Eiseres heeft in het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen en de daarbij gegeven boete- en rentebeschikkingen en tegen de teruggaafbeschikking zich op het standpunt gesteld dat de diensten van [C] . en [D] Ltd. zijn vrijgesteld van omzetbelasting en dat de ter zake daarvan geheven en nageheven omzetbelasting aan haar moet worden teruggegeven. Op 16 maart 2018 heeft verweerder in vijf afzonderlijke geschriften uitspraak op het bezwaar gedaan. Daarbij zijn de boetebeschikkingen vernietigd, maar zijn de teruggaafbeschikking en de naheffingsaanslagen met de daarbij gegeven rentebeschikkingen gehandhaafd.

Geschil 8. Niet in geschil is dat de aan eiseres verrichte ratingdiensten op grond van artikel 6, eerste lid Wet OB belast zijn in Nederland en eiseres, indien de diensten belast zijn, btw verschuldigd is op grond van artikel 12, tweede lid, van de Wet OB. In geschil is of de diensten van [C] . en [D] Ltd. zijn vrijgesteld van omzetbelasting.

9. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat de diensten zijn vrijgesteld, omdat – kort weergegeven – het bij de diensten gaat om kredietwaardigheidsonderzoeken en dat dit handelingen zijn als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter i, onder 2º, van de Wet OB en artikel 135, eerste lid, aanhef en letter f, van de Richtlijn 2006/112EG (de Richtlijn). Zonder de kredietwaardigheidsonderzoeken en de daarmee te verkrijgen rating is, aldus nog steeds eiseres, succesvolle uitgifte van obligaties niet mogelijk. Voor zover het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 14 maart 1983, nr. 283-3330 (bankenresolutie) op dit punt een ruimere uitleg geeft aan genoemde vrijstelling doet eiseres een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Subsidiair stelt eiseres dat aan de bankenresolutie het in rechte te beschermen vertrouwen mag worden ontleend dat de diensten zijn vrijgesteld op grond van artikel 11 eerste lid, aanhef en letter j, onder 1º, Wet OB, aangezien de diensten van [C] . en [D] Ltd. geen ander doel hebben dan het in de bankenresolutie genoemde boekenonderzoek voor (eventuele) kredietverlening. Eiseres doet daarbij tevens een beroep op het neutraliteitsbeginsel. Nu het geven van credit ratings door of aan een bank is vrijgesteld op grond van de bankenresolutie moet dit volgens eiseres ook gelden voor onderhavige dienstverlening.

Ten slotte wijst eiseres op een uit een voorstel van de Europese Commissie voortvloeiende bedoeling om credit-ratingdiensten onder een financiële vrijstelling te brengen.

10. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen en, naar de rechtbank begrijpt, tot wijziging van de teruggaafbeschikking waarbij de teruggaaf nader wordt vastgesteld op € 30.136 (€ 14.753 + € 15.383).

11. Verweerder stelt dat de diensten niet zijn vrijgesteld en heeft daarvoor – kort weergegeven – aangevoerd dat ratingdiensten geen rechten en verplichtingen op waardepapieren kunnen doen ontstaan, wijzigen of doen tenietgaan en, volgens het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9389 diensten van eigen aard zijn en niet zijn aan te merken als financiële verrichtingen.

Tegenover het subsidiaire standpunt van eiseres heeft verweerder aangevoerd dat een kredietbeoordelaar geen boekenonderzoek doet maar informatie verstrekt in de vorm van een rating. Tevens heeft hij aangevoerd dat de bankenresolutie gelezen moet worden naar de bedoeling en tijdsgeest waarin deze tot stand kwam. Als al sprake is van een boekenonderzoek dan stelt verweerder dat dat boekenonderzoek moet zien op kredietverlening, terwijl hier sprake is van de uitgifte van obligaties. Eventuele credit-ratingdiensten aan een bank zijn niet vrijgesteld op grond van de bankenresolutie.

Verweerder wijst er ten slotte op dat de door eiseres genoemde voorstellen de eindstreep niet hebben gehaald, waaruit volgt dat de Uniewetgever niet akkoord is gegaan met de vrijstelling. Als credit-ratingdiensten al onder de vrijstelling zouden vallen dan hoefde ook geen wijziging voorgesteld te worden, aldus verweerder.

12. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Toepassing vrijstelling artikel 11, eerste lid, letter i, onder 2º van de Wet OB

13. Op grond van artikel 135, eerste lid, letter f, van de Richtlijn zijn van de belasting vrijgesteld handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren, met uitzondering van documenten die goederen vertegenwoordigen en van de in artikel 15, tweede lid, van de Richtlijn bedoelde rechten of effecten.

14. Op grond van artikel 11, eerste lid, letter i, onder 2º, van de Wet OB, dat op de in rechtsoverweging 13 aangehaalde bepaling uit de Richtlijn is gebaseerd, zijn van omzetbelasting vrijgesteld de handelingen, bemiddeling daaronder begrepen doch uitgezonderd bewaring en beheer, inzake effecten en andere waardepapieren met uitzondering van documenten welke goederen vertegenwoordigen.

15. Niet in geschil is dat de diensten van [C] . en [D] Ltd. zijn afgenomen in verband met de uitgifte van obligaties en commercial papers en dat deze kwalificeren als waardepapieren als bedoeld in de hiervoor genoemde bepalingen. In geschil is louter of de diensten kunnen worden gezien als ‘handelingen inzake’ die waardepapieren.

16. Noch in artikel 135 eerste lid, letter f van de Richtlijn, noch in artikel 11, eerste lid, letter i, onder 2, van de Wet OB, is beschreven wanneer sprake is van handelingen inzake de daarin genoemde waardepapieren. In het arrest van 13 december 2001, CSC Financial Services Ltd, ECLI:EU:C:2001:696 (CSC), overwoog het Hof van Justitie van de Europese Unie hierover als volgt:

“32. Het enkele feit dat een bepaald element onontbeerlijk is om een vrijgestelde handeling te kunnen verrichten, rechtvaardigt ten slotte niet de conclusie dat de dienst waarvan dit element een bestanddeel is, is vrijgesteld (arrest SDC, reeds aangehaald, punt 65).

33. Bijgevolg duiden de bewoordingen "handelingen inzake waardepapieren" op handelingen die de rechten en verplichtingen van de partijen inzake waardepapieren kunnen doen ontstaan, wijzigen of doen tenietgaan.”

17. In de bankenresolutie is over de toepassing van deze vrijstelling het volgende opgenomen:

“2. Blijkens artikel 11, eerste lid, letter i, ten tweede, van voormelde wet zijn van omzetbelasting vrijgesteld de handelingen – bemiddeling daaronder begrepen doch uitgezonderd bewaring en beheer – inzake effecten en andere waardepapieren met uitzondering van documenten welke goederen vertegenwoordigen. De bewoordingen van de onderwerpelijke bepaling komen vrijwel overeen met die van de corresponderende bepaling, vervat in artikel 13, onderdeel B, letter d, ten vijfde, van voornoemde EG-richtlijn. Naar mijn oordeel dient ervan te worden uitgegaan dat bij het redigeren van die richtlijnbepaling een ruime draagwijdte van het begrip ‘handelingen’ is beoogd. In verband daarmede stel ik mij op het standpunt dat de aan de orde zijnde vrijstelling van toepassing is op alle prestaties, andere dan bewaring en beheer, welke betrekking hebben op effecten en andere waardepapieren, ongeacht of het daarbij gaat om de uitgifte, de overdracht, de verwisseling of de opsplitsing van de desbetreffende stukken, dan wel om de instandhouding, de wijziging, de realisering of het tenietgaan van de in die stukken belichaamde rechten, een en ander met dien verstande dat de – veelal door banken – ter zake verleende bemiddelingsdiensten mede tot de vrijgestelde prestaties dienen te worden gerekend.”

18. Eiseres wijst erop dat de uitgifte van obligaties zelf is vrijgesteld van btw en de vrijstelling ook voor de onderhavige diensten geldt, omdat de uitgifte van obligaties mede afhankelijk is van de kredietwaardigheidsonderzoeken door de betreffende dienstverleners. Eiseres wijst daarbij ook op een ruime uitleg door de staatssecretaris van Financiën in de hiervoor genoemde passage uit de bankenresolutie. In dit kader doet zij tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens verweerder zorgen de ratingdiensten er niet voor dat rechten en verplichtingen van partijen op waardepapieren ontstaan, wijzigen of tenietgaan. Daarnaast wijst verweerder op het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2001, waaruit volgens verweerder volgt dat de ratingdiensten diensten van eigen aard zijn en niet als financiële verrichtingen kunnen worden aangemerkt. Volgens eiseres kan uit dit arrest echter niet worden afgeleid dat de vrijstelling niet van toepassing is, omdat het arrest niet gaat over de toepassing van de vrijstelling.

19. Vrijstellingen moeten naar vaste jurisprudentie in de btw strikt worden uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het hiervoor genoemde arrest CSC dat de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten tweede, van de Wet OB slechts toegepast kan worden wanneer de handelingen ervoor zorgen dat rechten en verplichtingen ten aanzien van waardepapieren, zoals de door eiseres uitgegeven obligaties en commercial papers, ontstaan, wijzigen of teniet gaan. Bij de door [C] . en [D] Ltd. verrichte diensten is dit niet het geval. Het enkele feit dat deze diensten onontbeerlijk zouden zijn voor het uitgeven van genoemde waardepapieren, wat daar ook van zij, brengt niet met zich dat de vrijstelling ook op deze onontbeerlijke handelingen moet worden toegepast. Voor een ruimere uitleg van de vrijstelling, zoals eiseres die voorstaat, ziet de rechtbank geen ruimte, mede indachtig het feit dat vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd. Anders dan eiseres stelt, kan bij de diensten van [C] . en [D] Ltd. ook niet gesproken worden van het doen ontstaan van de in de stukken belichaamde rechten. Deze rechten worden namelijk gerealiseerd door de uitgifte van de obligaties en commercial papers zelf en niet door de door [C] . en [D] Ltd. verstrekte ratings. Dat zonder de ratings, zoals eiseres heeft gesteld en wat daar ook van zij, de uitgifte niet gerealiseerd kan worden, brengt niet met zich mee dat gezegd kan worden dat de ratings zelf deze rechten (doen) realiseren.

20. De door eiseres genoemde passage uit de bankenresolutie maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Hoewel de staatssecretaris van Financiën in deze passage aangeeft dat het begrip handelingen ruim moet worden uitgelegd en dit van toepassing is op alle prestaties, andere dan bewaring en beheer, die betrekking hebben op effecten en andere waardepapieren, blijkt uit de daarna volgende zinsnede dat het volgens de staatsecretaris moet gaan om uitgifte, overdracht, verwisseling, opsplitsing, instandhouding, wijziging, realisering of tenietgaan van de in die stukken belichaamde rechten. Hiermee duidt de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank eveneens op het ontstaan, wijzigen of tenietgaan van rechten en verplichtingen met betrekking tot de in deze stukken belichaamde rechten. Naar het oordeel van de rechtbank geeft de staatssecretaris van Financiën in de bankenresolutie derhalve geen ruimere uitleg aan de vrijstelling dan uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt. Eiseres kan daarom niet het gewettigd vertrouwen aan deze passage ontlenen dat van een ruimere uitleg van de vrijstelling mag worden uitgegaan.

Vertrouwensbeginsel

21. Subsidiair beroept eiseres zich op het vertrouwensbeginsel. Zij meent aan een lijst van vrijgestelde handelingen in de bankenresolutie het in rechte te beschermen vertrouwen te mogen ontlenen dat de onderhavige diensten zijn vrijgesteld op grond van artikel 11 eerste lid, aanhef en letter j, onder 1º, Wet OB . Eiseres beroept zich op twee onderdelen uit deze lijst. Allereerst staat in de lijst opgenomen: ‘Accountantscontrole/boekenonderzoek i.v.m. (eventuele) kredietverlening’. In de tweede plaats is onder het punt krediet in de tabel opgenomen: bereidstellingsprovisie, behandelingskosten, begeleidingskosten, boekenonderzoek e.d. inzake. Eiseres is hierbij van mening dat de toepassing van de vrijstelling niet is beperkt tot verrichtingen door banken zelf, maar ook ziet op verrichtingen aan banken. Ook kan het volgens eiseres niet zo zijn dat een keuze kan worden gemaakt tussen het laten beoordelen van kredietwaardigheid door een bank (vrijgesteld) of een andere partij (belast). Zij beroept zich hierbij op het neutraliteitsbeginsel.

22. Op grond van artikel 11, eerste lid, letter j, onder 1º, van de Wet OB, zijn van omzetbelasting vrijgesteld het verlenen van en de bemiddeling inzake krediet.

23. In de bankenresolutie is over de toepassing van deze vrijstelling onder meer het volgende opgenomen:

“Toepassing van de Wet op de Omzetbelasting 1968 ten aanzien van het bankbedrijf

1. De per 1 januari 1979 van kracht geworden aanpassing van de omzetbelastingwetgeving aan de bepalingen van de Zesde EG-richtlijn is in verschillend opzicht van betekenis voor exploitanten van banken. Zulks houdt verband met de ingevolge bedoelde aanpassing tot stand gekomen wijzigingen en/of aanvullingen van de vrijstellingsbepalingen vervat in artikel 11, letters i en j, van de Wet op de omzetbelasting 1968, alsook met de per 1 januari 1979 tot stand gekomen wijziging van artikel 15, tweede lid, van die wet betreffende de aftrek van omzetbelasting.

(…)

3. Ter bevordering van een uniforme gedragslijn inzake de toepassing van de omzetbelastingwetgeving ten aanzien van de onderwerpelijke bedrijfstak gaat als bijlage hiernevens een voorbeeldsgewijs samengesteld en als richtsnoer bedoeld overzicht van vrijgestelde en belaste bankverrichtingen.”

Bij de bankenresolutie behoort een bijlage genaamd “Overzicht van vrijgestelde en belaste verrichtingen bij het bankbedrijf”. Daarin is onder meer opgenomen:

Accountantscontrole/boekenonderzoek

i.v.m. (eventuele) kredietverlening

Vrij

Krediet

verlenen van

Vrij

bemiddeling inzake

Vrij

bereidstellingskosten, behandelingskosten, begeleidingskosten, boekenonderzoek e.d. inzake -

Vrij

24. Bij de uitleg van de beleidsregels, zoals die zijn opgenomen in de bankenresolutie, moet ervan worden uitgegaan dat belastingplichtigen deze hebben mogen begrijpen zoals deze naar de objectieve beschouwing van de rechter redelijkerwijze dienen te worden opgevat (HR 2 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8970 en HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:185). In de bankenresolutie is geen uitleg opgenomen over de in de lijst van belaste en vrijgestelde handelingen van het bankbedrijf opgenomen diensten. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat deze begrippen naar maatschappelijke opvattingen moeten worden uitgelegd, mede gelet op de context daarvan.

25. In het arrest van 10 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9389, oordeelde de Hoge Raad over de toepassing van de regels voor de plaats van dienst op de diensten van ratingbureaus. Bij de beoordeling van het door de staatssecretaris van Financiën ingestelde cassatiemiddel oordeelde de Hoge Raad:

“5.1. Het Hof heeft met betrekking tot de diensten van de ratingbureaus vastgesteld dat deze bestaan uit het onderzoeken van de solvabiliteit, liquiditeit en kredietwaardigheid van de desbetreffende onderneming en het op grond daarvan toekennen en openbaar maken van een rating, welke rating vervolgens de positie van de desbetreffende onderneming met name op de kapitaalmarkt mede bepaalt doordat de op die markt handelende partijen de voorwaarden voor krediet- en kapitaalverstrekking daarop zullen afstemmen. Het Hof heeft geoordeeld dat deze diensten niet zijn te rekenen tot de diensten die accountants gewoonlijk en hoofdzakelijk verrichten en dat zij, doordat de (gewoonlijke) diensten van accountants en die van ratingbureaus niet hetzelfde doel dienen, ook niet kunnen worden aangemerkt als aan de diensten van accountants soortgelijke diensten. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat diensten van accountants ten doel hebben aandeelhouders en relaties van de desbetreffende onderneming een betrouwbaar beeld te geven van de vermogenspositie van die onderneming, terwijl de diensten van ratingbureaus (potentiële) relaties van de desbetreffende onderneming door het toekennen van een rating inzicht geven in met name de kredietwaardigheid van die onderneming, waarbij ook het oordeel omtrent het management en de strategie van de onderneming alsmede de ontwikkelingen in de voor de onderneming van belang zijnde marktsegmenten een rol spelen.

5.2.

Voorzover het middel het hiervóór in 5.1 eerst vermelde oordeel bestrijdt, faalt het op de grond genoemd in onderdeel 4.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Voorzover het middel betoogt dat de diensten van ratingbureaus als soortgelijk aan de diensten van accountants zijn aan te merken omdat bij beide het primaire doel is om op basis van onderzoek van de financiële administratie een analyse te maken van de financiële positie, miskent het dat in 's Hofs oordelen, die in zoverre in cassatie niet worden bestreden, besloten ligt dat met de toekenning van een rating wordt beoogd te voorzien in een behoefte die niet reeds wordt vervuld door de beschikbaarheid van jaarrekeningen en door een beoordeling door een accountant van de kwaliteit daarvan. Het middel faalt derhalve ook in zoverre.”

In het genoemde onderdeel 4.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal J.W. van den Berge van 23 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2001:AA9389, is het volgende opgenomen:

“4.5. Daartoe dient eerst te worden onderzocht of de diensten van ratingbureaus deel uitmaken van de diensten die hoofdzakelijk en gewoonlijk worden verricht door accountants. Het Hof heeft vastgesteld - kort gezegd - dat de diensten van ratingbureaus bestaan in het toekennen van ratings. De diensten die accountants hoofdzakelijk en gewoonlijk verrichten - zo stelt het Hof vast - hebben betrekking op de jaarrekening die rechtspersonen/ondernemingen dienen op te maken. Deze oordelen geven mijns inziens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”

26. Naar het oordeel van de rechtbank dient dezelfde uitleg gegeven te worden aan het begrip ‘accountantscontrole/boekenonderzoek’ en ‘boekenonderzoek’ in de bankenresolutie als de Hoge Raad in het voornoemde arrest heeft gedaan. Eiseres had de voornoemde bankenresolutie niet zodanig kunnen begrijpen dat de onderhavige credit-ratingdiensten zouden vallen onder ‘accountantscontrole/boekenonderzoek’ dan wel ‘boekenonderzoek’. Daar komt nog bij dat het in geval van eiseres gaat om credit ratings met betrekking tot obligaties, terwijl het bij het boekenonderzoek en de accountantscontrole genoemd in de bankenresolutie gaat over kredietverlening. Daarnaast is de bankenresolutie geschreven voor handelingen bij het bankbedrijf, wat in geval van eiseres niet aan de orde is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9444, zou ten slotte, indien sprake zou zijn van een begunstiging in de bankenresolutie en die zou worden uitgebreid buiten de daarin omschreven situaties, zoals door eiseres bepleit, sprake zijn van een nog omvangrijkere inbreuk op de btw-regelgeving, hetgeen onwenselijk zou zijn. Opgemerkt wordt in dit laatste verband dat eiseres zich beroept op het Europese neutraliteitsbeginsel, terwijl het in de zaak van de Hoge Raad gaat om het Nederlandse gelijkheidsbeginsel. De strekking daarvan is volgens de rechtbank ten aanzien van het beroep van eiseres echter hetzelfde, aangezien het gelijkheidsbeginsel inherent is aan het Europese neutraliteitsbeginsel dat eist dat soortgelijke transacties op dezelfde manier worden belast.

Intentie EU-wetgever

27. Eiseres wijst nog op de intentie van de EU-wetgever om de onderhavige diensten onder het bereik van een vrijstelling te brengen in het voorstel waarmee de bepalingen rondom financiële vrijstellingen in de btw-richtlijn zouden worden aangepast. Verweerder merkt hierover op dat het voorstel inmiddels is ingetrokken en dat er dus geen draagvlak voor is verkregen.

28. Naar het oordeel van de rechtbank kan met een ingetrokken voorstel geen rekening worden gehouden, aangezien het geen geldend recht is, noch een bindende uitleg geeft aan het bestaande recht. Deze beroepsgrond van eiseres faalt dus ook.

Conclusie

29. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

30. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten.

Beslissing

Rechtsmiddel