Home

Rechtbank Noord-Holland, 19-10-2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:11647, AWB - 23 _ 72

Rechtbank Noord-Holland, 19-10-2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:11647, AWB - 23 _ 72

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19 oktober 2023
Datum publicatie
7 december 2023
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2023:11647
Zaaknummer
AWB - 23 _ 72
Relevante informatie
Art. 19 SW, Art. 24 SW, Art. 32 SW

Inhoudsindicatie

Eiseres is erfgenaam, maar geen familie van erflater, Zij doet een beroep op de kindvrijstelling maar maakt naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat zij uitsluitend voor rekening door erflater en diens echtgenote is onderhouden en opgevoed. Beroep ongegrond.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 23/72

(gemachtigde: B. Warnaar),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een aanslag erfbelasting opgelegd ter zake van de nalatenschap van wijlen [naam 1] (erflater).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2023 te Haarlem.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 4].

Overwegingen

Feiten

1. Erflater is op [datum] overleden. Erflater was weduwnaar van [naam 2] , die op 7 juli 2012 overleed. Bij testament van 3 februari 2020 heeft erflater eiseres benoemd tot erfgenaam voor de helft van zijn nalatenschap en aan haar gelegateerd alle tot de nalatenschap behorende roerende zaken en het woonhuis op het adres [adres] te [plaats] , wat het woonhuis betreft onder de last van inbreng van de waarde.

2. Ter zake van deze erfrechtelijke verkrijging heeft verweerder aan eiseres de onderhavige aanslag erfbelasting opgelegd. De aanslag is groot € 192.214, welk bedrag als volgt kan worden gespecificeerd:

belaste verkrijging:

erfrechtelijke verkrijging

514.427

vrijstelling

-

2.208

512.219

verschuldigde erfbelasting:

30% van € 126.723

38.016

40% van € 385.496

-

154.198

192.214

3. Eiseres heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt en zich daarbij op het standpunt gesteld dat zij van erflater een pleegkind was in de zin van artikel 19, tweede lid, van de Successiewet 1956 (hierna: Successiewet). Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar afgewezen en de aanslag gehandhaafd.

Geschil 4. In geschil is of eiseres een pleegkind is van erflater in de zin van artikel 19, tweede lid, van de Successiewet.

5. Eiseres stelt dat zij een pleegkind is van erflater en heeft daarvoor – kort weergegeven – aangevoerd dat zij van [jaartal] tot [jaartal 1] werd ouderhouden en opgevoed door erflater en zijn echtgenote (hierna: [naam 3] ) en dat zij haar tot hun overlijden beschouwden als hun (pleeg)dochter. Uit hetgeen eiseres in de aanslagfase en de bezwaarfase heeft aangevoerd heeft verweerder volgens eiseres ten onrechte de conclusie getrokken dat haar ouders nog een, al dan niet belangrijke, rol hadden bij haar onderhoud en opvoeding.

6. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, tot vermindering van de aanslag door toepassing van de vrijstelling van artikel 32, eerste lid, onder 4°, onder c, van de Successiewet (hierna: de kindvrijstelling) en het tarief voor verkrijgingen door een kind als afstammeling in de rechte lijn volgens artikel 24, eerste lid, van de Successiewet (hierna: tariefgroep I).

7. Verweerder stelt dat de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd en heeft daarvoor aangevoerd dat eiseres de bewijslast heeft voor het recht op de kindvrijstelling en de toepassing van tariefgroep I. Verweerder stelt dat eiseres niet stond ingeschreven op het adres van [naam 3] , zij geen bijdrage van de overheid ontvingen en de ouders van eiseres financieel en opvoedkundig verantwoordelijk bleven. De door eiseres overgelegde verklaringen van de huisarts en de buurvrouw van erflater geven volgens verweerder geen blijk van de feitelijke situatie voor wat betreft de financiële kant van de verzorging en ook verder is volgens verweerder niet gebleken dat de ouders van eiseres bij haar opvoeding en onderhoud geen bemoeienis hebben gehad.

8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

9. Op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Successiewet wordt voor de toepassing van de Successiewet een pleegkind gelijkgesteld met een kind dat in een familierechtelijke betrekking staat tot de pleegouder. Op grond van het tweede lid van dit artikel worden als pleegkinderen aangemerkt zij, die vóór het tijdstip waarop zijn de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt dan wel het tijdstip waarop zij vóór die leeftijd in het huwelijk zijn getreden, gedurende tenminste vijf jaren uitsluitend door de pleegouder – dan wel uitsluitend door hem en zijn echtgenoot tezamen – als een eigen kind zijn onderhouden en opgevoed.

10. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast voor het recht op de kindvrijstelling en de toepassing van tariefgroep I bij eiseres ligt. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet is geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Tijdens een e-mailwisseling tussen verweerder en eiseres in de periode voorafgaand aan de vaststelling van de aanslag erfbelasting heeft eiseres op de vraag van verweerder wat de financiële bijdrage van de pleegouders aan het levensonderhoud van eiseres was, namelijk als volgt geantwoord:

“ [naam 3] hebben een groot deel van deze kosten voor hun rekening genomen in deze periode.”

Verder heeft eiseres in hetzelfde e-mailbericht van 25 mei 2021 verklaard dat de eigen ouders beperkt bijdroegen aan de kosten van haar opvoeding. Ter zitting heeft eiseres bij monde van haar gemachtigde in dit verband nog verklaard dat de eigen ouders kosten voor hun rekening namen als eiseres daar af en toe in het weekend verbleef. Daaraan heeft zij toegevoegd dat het erg lang geleden is en dat niet kan worden uitgesloten dat de eigen ouders niets voor eiseres hebben gekocht. Gelet hierop is onvoldoende gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat eiseres gedurende ten minste vijf jaren uitsluitend door [naam 3] als een eigen kind is onderhouden. Eiseres kan daarom niet als pleegkind in de zin van de Successiewet worden aangemerkt. Verweerder heeft dan ook terecht de kindvrijstelling en tariefgroep I niet toegepast.

11. Aan dit oordeel van de rechtbank doet niet af dat eiseres en [naam 3] een bijzondere en hechte band hadden en dat [naam 3] eiseres als hun dochter hebben beschouwd. Voorts doen daaraan de verklaringen van de huisarts en de toenmalige buurvrouw van [naam 3] niet af. Het gaat hier immers om de vraag of eiseres pleegkind was in de zin van de Successiewet, waarvoor moet worden voldaan aan de daarin gestelde – strenge – eisen.

12. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Rechtsmiddel