Home

Rechtbank Noord-Holland, 03-04-2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:3995, AWB - 23 _ 5962

Rechtbank Noord-Holland, 03-04-2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:3995, AWB - 23 _ 5962

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
3 april 2024
Datum publicatie
22 juli 2024
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2024:3995
Zaaknummer
AWB - 23 _ 5962
Relevante informatie
Art. 8:75 Awb

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Proceskostenvergoeding. Door het indienen van een standaardbezwaarschrift was de werkbelasting van de gemachtigde zeer licht. Daarom wegingsfactor 0,25.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 23/5962

(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag vernietigd en aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2024 te Haarlem.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] .

Aan de zijde van eiser is niemand verschenen. De gemachtigde van eiser is per digitaal verzonden brief van 15 februari 2024, onder verwijzing van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Op 30 augustus 2023 heeft de gemachtigde van eiser het beroepschrift digitaal ingediend. De rechtbank maakt daaruit op dat eiser, bij monde van zijn gemachtigde, vrijwillig digitaal procedeert. Op grond van artikel 1.9, tweede lid, worden stukken die bij procederen op papier aangetekend moeten worden verzonden, bij vrijwillig digitaal procederen digitaal verzonden en die manier van verzenden heeft dan dezelfde rechtsgevolgen als verzending bij aangetekende brief. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gemachtigde op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

Overwegingen

Feiten

1. Met dagtekening 30 december 2022 is aan eiser de onderhavige aanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt en bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder beslist dat de naheffingsaanslag ten onrechte was opgelegd en heeft hij de naheffingsaanslag vernietigd. Omdat eiser zich bij zijn bezwaar liet bijstaan door een professionele gemachtigde heeft verweerder aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 74, namelijk 1 procespunt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 296 en een wegingsfactor van 0,25.

Geschil 2. In geschil is de hoogte van de proceskostenvergoeding.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de proceskostenvergoeding had moeten worden berekend naar een wegingsfactor van 0,5 en heeft daarvoor – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de gerechtshoven hiervoor vaste richtsnoeren hebben gegeven en er geen aanleiding is daarvan af te wijken. Eiser heeft daartoe gewezen op de uitspraken van de gerechtshoven Arnhem-Leeuwarden, ’s-Hertogenbosch en Den Haag van 11 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10307, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315 en ECLI:GHDHA:2021:2131. Wanneer heffingsambtenaren afwijken van dit richtsnoer komt er nimmer duidelijkheid en rechtszekerheid voor belanghebbenden en rechtsbijstandverleners. Is een zaak bewerkelijker dan gebruikelijk dan wordt immers ook niet naar boven afgeweken. Dat sprake is van een standaardbezwaar is reeds verdisconteerd in de wegingsfactor van 0,5. De wegingsfactor van 0,25 is, aldus nog steeds eiser, voorbehouden voor gevallen die zich hier niet voordoen.

4. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, tot toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 148 (€ 296 x 0,5) en tot veroordeling van verweerder in de proceskosten.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat terecht de wegingsfactor van 0,25 is toegepast en heeft daarvoor – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat uit het richtsnoer van de gerechtshoven niet volgt dat in een zaak over parkeerbelastingen altijd de wegingsfactor van 0,5 moet worden toegepast. De werkzaamheden van de gemachtigde bestonden uit het indienen van een standaardbezwaarschrift dat de gemachtigde al jaren gebruikt en het op de hoorzitting noemen van een arrest van de Hoge Raad. Eiser heeft, aldus nog steeds verweerder, geen melding gemaakt van werkzaamheden die de kwalificatie “zeer licht” te boven gingen.

6. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

7. In de door eiser genoemde uitspraken van 11 november 2021 is per zaaktype aangegeven welke wegingsfactor daarbij heeft te gelden. Daarbij wordt steeds het woord “kan” gebruikt. Anders dan eiser betoogt, blijkt uit het woord “kan” dat uit het richtsnoer van de gerechtshoven niet de algemene rechtsregel kan worden afgeleid dat in procedures over parkeerbelastingen altijd een wegingsfactor van 0,5 moet worden toegepast. Het richtsnoer om bij parkeerbelastingen de wegingsfactor van 0,5 toe te passen, doet er niet aan af dat ook bij parkeerbelastingen het gewicht van een zaak per zaak moet worden bekeken. Dit volgt ook uit onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) en de toelichting op het Bpb. Voor de bepaling van het gewicht van een zaak zijn in onderdeel C1 vijf categorieën opgenomen met een bijbehorende wegingsfactor. In de toelichting op het Bpb van 22 december 1993, Stb. 763, is op pagina’s 8 en 9 het volgende vermeld:

“Het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in wegingsfactor C1, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang en de ingewikkeldheid. Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. (…). Het opnemen van factor C1 berust op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde.”

8. In de toelichting op de wijziging van het Bpb van 25 februari 2002, Stb. 113, is op pagina 6 het volgende vermeldt:

“Het gewicht van de zaak kan nader tot uiting worden gebracht in de wegingsfactoren. Dit kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. De uitkomst dient steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.”

9. Uit het bovenstaande volgt dat de beoordelende instantie zelfstandig – op grond van een eigen waardering – dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt en dat uiteindelijk de bewerkelijkheid van de zaak en daarmee de werkbelasting van de rechtsbijstandverlener bepalend is voor het vaststellen van het gewicht van de zaak.

10. Naar verweerder onweersproken heeft gesteld heeft eiser een standaardbezwaarschrift ingediend en op de hoorzitting slechts een arrest van de Hoge Raad genoemd. Het indienen van het bezwaarschrift kan dus weinig meer hebben omvat dan het in de standaardtekst plakken van de datum, de naam van eiser en het aanslagnummer. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser werkzaamheden heeft moeten verrichten die uitgaan boven de kwalificatie “zeer licht”. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht de wegingsfactor van 0,25 heeft toegepast. Het beroep is daarom ongegrond.

Proceskosten

11. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

Rechtsmiddel