Home

Rechtbank Noord-Holland, 25-09-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:11094, HAA 25/2239

Rechtbank Noord-Holland, 25-09-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:11094, HAA 25/2239

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25 september 2025
Datum publicatie
20 oktober 2025
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2025:11094
Zaaknummer
HAA 25/2239
Relevante informatie
DWU

Inhoudsindicatie

Douane. Gouden armbanden zijn geen Unie-goederen.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: 25/2239

uitspraak van de enkelvoudige douanekamer van 25 september 2025 in de zaak tussen

en

Dit beroep gaat over de vraag of vrijstelling van invoerrechten moet worden verleend voor gouden armbanden die een reiziger heeft meegenomen uit Marokko.

Procesverloop

Op [datum 1] heeft verweerder aan eiseres een uitnodiging tot betaling (utb) met kenmerk 2069919400070001 uitgereikt van € 336,76, bestaande uit € 35,04 aan douanerechten en € 301,72 aan omzetbelasting.

Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar met de uitspraak op bezwaar van 27 maart 2025 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is op 28 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] . Namens verweerder waren verder aanwezig [naam 2] (bezwaarbehandelaar) en [naam 3] (verbalisant van het proces-verbaal). Aan het eind van de zitting is het onderzoek gesloten.

Eiseres heeft na sluiting van het onderzoek nog een nader stuk ingediend. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding tot heropening van het onderzoek en heeft het stuk retour gezonden.

Feiten

1. Eiseres, woonachtig in Nederland, is op [datum 1] vanuit Marokko op Schiphol aangekomen. Eiseres verliet de aankomsthal via het zogenaamde groene kanaal “niets aan te geven”. Tijdens een controle zijn, zo volgt uit de Douane Registratie en Afdoening, de volgende goederen aangetroffen:

“AantalOmschrijving 1 stuk

Vindplaats Op Het Lichaam

(…)

Grondslag € 734,22

(…)

ExtraOmschrijving Gouden armband 11gram 18k

(…)

AantalOmschrijving 1 stuk

Vindplaats Op Het Lichaam

(…)

Grondslag € 667,48

(…)

ExtraOmschrijving Gouden armband 10gram 18k (…)”.

2. Op [datum 1] heeft verweerder eiseres verhoord. Daarvan is een op ambtsbelofte proces-verbaal fiscaal van verhoor opgemaakt met nummer [# 1] . In dit proces-verbaal is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“(…) Waar heeft u de goederen aangeschaft?

Antwoord: Geen antwoord. Ik heb ze niet aangeschaft.

In de controle verklaarde u dat u de sieraden 2 a 3 jaar geleden had gekregen in Marokko, wat is uw antwoord hier op?

Antwoord: Geen antwoord.

Tijdens de controle verklaarde u nog niet eerder de sieraden een gegeven te hebben bij de douane bij binnen komst van de Europese Unie, wat is uw antwoord hier op?

Antwoord: Geen antwoord.

Waarom heeft u de goederen niet aangegeven bij de douane?

Antwoord: Geen antwoord.

Heeft u zich geïnformeerd over de douane regels met betrekking tot het invoeren van goederen in de Europese unie?

Antwoord: Geen antwoord.

Wilt u nog iets toevoegen aan uw verklaring?

Antwoord: Nee. Het is niet dat ik geen antwoord wil geven, maar ik wil geen antwoord geven zonder advocaat. Mijn zoontje van 13 staat buiten te wachten die mij is komen halen. Ik heb dus geen tijd om een advocaat te regelen. Dit geld voor elke vraag die ik beantwoord heb (…)”.

3. Verweerder heeft vervolgens de utb uitgereikt.

4. In bezwaar heeft eiseres drie foto’s heeft overgelegd. Ook heeft eiseres een verklaring van [naam 4] overgelegd waarin deze, voor zover relevant, verklaart dat:

“(…) Ik wil hierbij verklaren dat mijn dochter ( [eiseres] , [geboortedatum] ) een aantal jaar geleden één van de gouden armbanden cadeau heeft gekregen van mij. Ik heb vernomen dan mijn dochter dat zij die dag ook de armband van haar zusje (…) droeg die zij had geleend vanwege een gelegenheid in Marokko.

Bij mijn echtscheiding met de moeder van kinderen had ik helaas destijds ook besloten om het contact met mijn dochters te verbreken. Toen wij na jaren geen contact te hebben gehad weer contact kregen besloot ik om mijn dochters de armbanden cadeau te doen. Voor mij stond dit symbolisch voor een nieuw begin en is daarom voor ons van emotionele waarde. Mijn dochters en ik zijn daarom ontzettend verbaast dat deze beschikking is opgelegd (…)”.

In een door eiseres overgelegde verklaring van [naam 5] verklaart deze, voor zover relevant, het volgende:

“(…) Ondergetekende, [naam 5] , (…) verklaar hierbij dat ik de rechtmatige eigenaresse ben van één van de twee gouden armbanden die door de douanier op [datum 1] als invoerwaar zijn beschouwd. De armband is door mijn zus [eiseres] geleend om te dragen tijdens een gelegenheid in Marokko.

Op de bijgevoegde foto ziet u dat ik de armband draag tijdens mijn verloving op [datum 2] in Nederland daaruit kunt u opmaken dat de armbanden toen al in bezit waren en niet zijn ingevoerd op [datum 1] (…)”.

5. Met de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de utb gehandhaafd.

Geschil

6. In geschil is of terecht een utb is opgelegd. Daarbij ligt de vraag voor of de armbanden kunnen worden aangemerkt als terugkerende goederen die vallen onder de vrijstelling van invoerrechten en omzetbelasting.

7. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte de utb heeft opgelegd. Eiseres heeft twee armbanden om haar pols door het groene kanaal meegenomen. Het zijn persoonlijke (en dus niet nieuwe) goederen die terugkeren, want eiseres en haar zus hebben de armbanden al een aantal jaar in bezit. Ten onrechte stelt verweerder dat eiseres moet aantonen dat de armbanden in Nederland zijn gekocht. Een bewijs van aankoop kan eiseres niet overleggen, omdat zij de armbanden cadeau heeft gekregen van haar vader en hij heeft geen factuur. Wel kan eiseres een bankafschrift overleggen waaruit een geldopname voor de aankoop van de armbanden blijkt. Eiseres heeft ook foto’s overgelegd waaruit blijkt dat zij en haar zus de armbanden vóór de reis al in hun bezit hadden. Dat blijkt uit de datumvermelding bij de foto’s. Verweerder heeft niet op basis van een wettelijke grondslag deze foto’s als bewijsmiddel naast zich neergelegd.

Verweerder heeft tijdens de controle de uitleg van eiseres niet serieus genomen en heeft bij de uitspraak op bezwaar ten onrechte de foto’s en verklaringen niet meegenomen. Verweerder heeft hiermee het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de utb en fiscale strafbeschikking. Verder verzoekt eiseres dat verweerder in de proceskosten wordt veroordeeld.

8. Verweerder betwist dat de armbanden Uniegoederen zijn die terugkeren. De stukken waarmee eiseres wil aantonen dat het gaat om (oorspronkelijke) Uniegoederen, zijn niet voldoende. In de verklaringen wordt niet verklaard dat de armbanden in Nederland zijn aangeschaft. Het is ook niet duidelijk op welke locatie de foto’s zijn gemaakt. Uit het bankafschrift volgt slechts een geldopname. Ook is met deze stukken niet aangetoond dat eerder douanerechten over deze armbanden zijn betaald, terwijl eiseres bij de controle heeft verklaard dat de sieraden oorspronkelijk in Marokko zijn gekregen en daarvoor geen aangifte is gedaan.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Conclusie en gevolgen

Beslissing

Informatie over hoger beroep