Rechtbank Noord-Holland, 18-12-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15518, HAA 22/1052
Rechtbank Noord-Holland, 18-12-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15518, HAA 22/1052
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 18 december 2025
- Datum publicatie
- 21 januari 2026
- Zaaknummer
- HAA 22/1052
- Relevante informatie
- Art. 7:1a Awb, Art. 8 AWR, Art. 27e AWR
Inhoudsindicatie
De dga van eiseres is in 2019 door een derde aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 1,5 miljoen aan (vermeende) schade die is geleden door het opvolgen van door de dga gegeven juridisch advies. Eiseres meent dat zij in 2017 een voorziening kon vormen in verband met de aansprakelijkstelling. De rechtbank doet uitspraak op het rechtstreeks ingestelde beroep tegen de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet voldaan aan haar (verzwaarde) bewijslast dat de navorderingsaanslag onjuist is. Eiseres heeft niet overtuigend aangetoond dat zij een voorziening mocht vormen, nu zij geen enkel bewijs heeft geleverd dat zij op de relevante balansdatum (31 december 2017) een aansprakelijkstelling kon verwachten.
Uitspraak
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/1052
(gemachtigde: mr. [dga] ),
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 159.131 (de navorderingsaanslag). Gelijktijdig is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Eiseres heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 23 mei 2024 te Haarlem. Namens eiseres is [naam 1] verschenen, vergezeld van [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] , [naam 4] en mr. [naam 5] .
Verweerder heeft voorafgaand aan de tweede zitting een aangepast verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting is hervat op 13 november 2025 te Haarlem. Namens eiseres is de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
[naam 3] , [naam 6] en mr. [naam 5] .
Overwegingen
Feiten
1. De activiteiten van eiseres bestaan uit het houden van deelnemingen. Er is sprake van een fiscale eenheid voor de vpb met eiseres als moedermaatschappij en
[dochtermaatschappij 1] B.V., [dochtermaatschappij 2] B.V. en [dochtermaatschappij 3] B.V. als gevoegde dochtermaatschappijen. [dga] (directeur-grootaandeelhouder, hierna: de dga) is directeur en 100%-aandeelhouder van eiseres.
2. Middels [dochtermaatschappij 1] B.V. was de dga tot 2013 partner bij het advocatenkantoor [bedrijf 1] LLP en daarna partner bij het advocatenkantoor [bedrijf 2] N.V.
3. Op 13 maart 2019 heeft de dga via WhatsApp een bericht ontvangen van een natuurlijke persoon die de rechtbank hierna zal aanduiden als de aansprakelijksteller. In het bericht staat onder meer het volgende:
“In de periode van februari 2009 tot oktober 2014 heeft u middels gebruik van de Stichting Derdengeldenrekeningen van de advocatenkantoren waar u werkte en buitenlandse vennootschappen gebruikt om vermogen en inkomsten en uitgaven van de heer (…) tijdens zijn faillissement in die periode buiten de failliete boedel te houden.
Hierover is aangifte tegen u gedaan bij het functioneel parket van het Openbaar Ministerie wegens onder andere (gewoonte) witwassen.
Hiermee stel ik u namens mij in privé en (…) BV en diens werkmaatschappij (...) BV (aan de holding gecedeerde vordering) aansprakelijk voor de schade wegens het door uw daden niet hebben kunnen incasseren van de bij het faillissement ingediende vorderingen.
In het faillissementsverslag van de curator leest u dat u de heer (…) tijdens zijn faillissement naar de curator toe adviseerde en derhalve constateer ik dat u bekend bent met de vorderingen en dienaangaande bedragen en hoef ik u geen nadere stukken te sturen.
Één en ander wordt ook correct uitgelegd in een artikel gepubliceerd 12 juli 2018 dat in het financieel dagblad.
De totale schade bedraagt inclusief rente tot heden €1,5 miljoen en is het bedrag waarvoor ik u namens hier genoemde partijen aansprakelijk stel.”
4. Eiseres heeft voor het jaar 2017 niet binnen de gestelde termijn aangifte vpb gedaan. Verweerder heeft met dagtekening 27 juli 2019 de primitieve aanslag vpb voor het jaar 2017 vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 100.000 en gelijktijdig een verzuimboete opgelegd.
5. Bij brief van 4 september 2019 heeft eiseres daartegen bezwaar gemaakt en het aangifteformulier vpb 2017 ingediend. Daarbij heeft eiseres haar negatieve resultaat berekend op € 1.347.826.
6. Met dagtekening 8 mei 2021 heeft verweerder op het bezwaar tegen de primitieve aanslag vpb beslist. In de uitspraak op bezwaar is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:
“Op grond van het bovenstaande stel ik de belastbare winst en het belastbare bedrag als volgt vast:
Aangegeven belastbare winst € 1.344.178 -/-
Correctie winst (afschrijving + andere kosten) € 1.503.309 +
Nieuw vastgestelde belastbare winst/ belastbaar bedrag € 159.131
(…)
Navordering
Zoals hierboven is weergegeven stel ik de belastbare winst en het belastbaar bedrag vast op € 159.131. Op grond hiervan leg ik een navorderingsaanslag op voor een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 159.131. U ontvangt de navorderingsaanslag binnen enkele weken.
(…)
Ik kom gedeeltelijk aan uw bezwaar tegemoet en matig de boete naar een passend en geboden te achten bedrag van € 500.”
7. De door verweerder aangekondigde en thans in geschil zijnde navorderingsaanslag is vastgesteld op 22 mei 2021.
8. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 28 juni 2021, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:
“Betreft: Pro forma beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar van 5 juni 2021 van belastingdienst Amsterdam met aanslagnummer (…). Navorderingsaanslag vennootschapsbelasting.
Edelachtbare vrouwe/heer,
Hierbij teken ik beroep aan tegen de uitspraak van de inspecteur van de belastingdienst Amsterdam . De aanslag voeg ik bij.”