Home

Rechtbank Noord-Holland, 30-09-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15824, HAA 23/7288 en 23/7289

Rechtbank Noord-Holland, 30-09-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15824, HAA 23/7288 en 23/7289

Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslagen IB 2008 en 2009. De hoogte van het resultaat uit overige werkzaamheden is in geschil. De inspecteur heeft terecht provisiebetalingen als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen. Het goedkoopmansgebruik staat niet in de weg aan toepassing van het kasstelsel. Op belanghebbende rust de verplichting tot betaling van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De ontnemingsvordering is op nihil gesteld omdat belanghebbende een schadevergoedingsverplichting heeft jegens de benadeelde partij. De schadevergoedingsverplichting jegens de benadeelde partij was in de onderhavige jaren onvoldoende voorzienbaar om een voorziening voor de advocaatkosten te mogen vormen. Bovendien zijn de advocaatkosten uitgesloten van aftrek op grond van artikel 3.14, lid 1, aanhef en onder d, van de Wet IB 2001.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 23/7288 en HAA 23/7289

(gemachtigde: drs. J.H.M. Demmer),

en

Procesverloop

(HAA 23/7288)

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 233.906. Bij gelijktijdige beschikking is een bedrag van € 12.584 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

(HAA 23/7289)

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 298.512. Bij gelijktijdige beschikking is een bedrag van € 11.873 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd naar € 293.951 en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

(Beide zaken)

Eiser heeft daartegen beroepen ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 12 augustus 2025 een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2025 te Haarlem.

Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen, bijgestaan door diens echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] en mr. [naam 6]

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is voormalig bestuurder van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) en van 1 januari 2001 tot 18 juni 2010 is hij commissaris van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] en de met haar gelieerde vennootschappen (hierna tezamen: [bedrijf 2] ) houden zich bezig met het beheer en de exploitatie van onroerende zaken en met projectontwikkeling. Eén van de met [bedrijf 1] gelieerde vennootschappen is [bedrijf 3] In 2010 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij [bedrijf 3] . Tijdens het boekenonderzoek zijn betalingen aangetroffen van [bedrijf 4] op de privébankrekening van eiser. Daarop is onderzocht waar deze betalingen op zagen. Mede naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek is door de FIOD vervolgens een strafrechtelijk onderzoek naar eiser ingesteld.

2. In zijn uitspraak van 5 juni 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019 heeft het gerechtshof Amsterdam (strafkamer) het volgende overwogen, waarbij eiser ‘de verdachte’ is en de heer [naam 2] , de directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf 4] (en haar rechtsopvolger [bedrijf 5] B.V.) wordt aangeduid met ‘[naam 2]’:

Valsheid in geschrift (feit 1)

Het gaat in deze zaak om de vraag of een aangetroffen koopovereenkomst tussen de verdachte en [naam 2] op 6 juni 2008 met betrekking tot het schilderij ' [naam schilderij] ' van [naam 1] een werkelijke koopovereenkomst is geweest of een schijntransactie betreft die is bedoeld om steekpenningen te verhullen.

Het hof stelt het volgende vast.

De verdachte en [naam 2] waren sinds begin 2008 namens verkopende en aankopende partijen betrokken bij een grote vastgoedtransactie, te weten een project waarbij het voormalige [terrein] te [gemeente 1] voor € 19.635.000 werd verkocht door [bedrijf 1] en [bedrijf 4] aan [bedrijf 5] (‘project [gemeente 1] ’). [naam 2] was via connecties van de verdachte in contact gebracht met de [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [naam 2] was bestuurder van (een van) de verkopende partijen; de verdachte was commissaris bij de aankopende partij, [bedrijf 2] .

Gedurende de onderhandelingen heeft de verdachte op 6 juni 2008 aan [naam 2] het hiervoor genoemde in zijn privébezit behorende schilderij van de hand gedaan voor een bedrag van € 500.000. Uiteindelijk heeft de verdachte in totaal € 360.000 ontvangen van [naam 2] .

Nadat deze transactie aan het licht is gekomen, is door verschillende beëdigde taxateurs bepaald dat de werkelijke waarde van het schilderij in 2009 tussen de € 9.000 en € 20.000 moet worden geschat. Er is dus sprake van een zeer aanzienlijk verschil tussen de marktwaarde en de verkoopprijs in de overeenkomst.

De verdachte had een collectie van schilderijen van [naam 1] in bezit. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zichzelf als kunstkenner ziet, in het bijzonder van de [kunststroming] , waartoe de schilder behoort, hij vrij goed op de hoogte was van de waarde van schilderijen en dat hij redelijk goed wist wat er op de markt gaande was.

[naam 2] heeft verklaard dat er bij deze schilderijtransactie sprake was van een 'koppelverkoop'. [naam 2] heeft verder verklaard dat hij niet geïnteresseerd was in het schilderij, maar dat de verdachte hem de indruk had gegeven dat zij samen gouden bergen zouden kunnen verdienen. [naam 2] heeft verder verklaard dat hij achteraf liever een provisienota had gekregen, maar dat hij het schilderij kocht om de verdachte een plezier te doen, daar de verdachte "degene was die de tent daar runde en waarmee ik in de toekomst zaken wilde blijven doen".

Uit getuigenverklaringen van [naam 3], [naam 4] en [naam 5] volgt dat de verdachte in verband met de betaling van de hiervoor genoemde € 350.000 door [naam 2] tegen hen gezegd heeft dat hij deze gekregen had voor het schilderij en ‘werkzaamheden’ die hij voor die [naam 2] verricht had.

Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat de verdachte heeft begrepen dat de betalingen door [naam 2] een andere achtergrond hadden dan verkrijging van het schilderij en dat er aldus sprake is geweest van een verhullende transactie.

Dat het om een schijntransactie gaat, wordt verder ondersteund door de omstandigheid dat de eerste betaling voor 'het schilderij' min of meer synchroon liep met de betaling van het voorschot van € 3.000.000 door de aankopende partij bij het project te [gemeente 1] aan [bedrijf 1] op 10 juli 2008. Vijf dagen later, op 15 juli 2008, is van dezelfde rekening van [bedrijf 1] waarop het bedrag van € 3.000.000 was ontvangen € 100.000 overgemaakt op de privérekening van de verdachte met de omschrijving "schilderijen".

Het voorgaande betekent dat de in de tenlastelegging bedoelde overeenkomst vals is. Deze lijkt een koopovereenkomst in te houden, maar in werkelijkheid is sprake van een schijntransactie, bedoeld om provisiebetalingen te verhullen. Daar doet niet aan af dat het schilderij uiteindelijk wel is overgedragen. De valsheid zit hem zowel in het niet vermelden van de werkelijke aard van de overeenkomst, als, in samenhang daarmee, het benoemen van het bedrag van € 500.000 als verkoopprijs voor het schilderij.

Fiscale delicten (feit 2 en 3)

De valse overeenkomst is aan de fiscus ter beschikking gesteld tijdens een boekenonderzoek. Daarnaast maakte de valse overeenkomst deel uit van de stukken op basis waarvan aangifte inkomstenbelasting is gedaan. Het niet opgeven van wat in werkelijkheid provisie-inkomsten waren, resulteert in het opzettelijk doen van onjuiste aangifte inkomstenbelasting.”

3. In deze uitspraak heeft het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat wettig en overtuigend is bewezen dat eiser het aan hem onder 1, 2, 3, 4 en 5 in de dagvaarding ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

“1. hij, op 6 juni 2008, in [gemeente 2] , een verklaring ( [#] ), zijnde een geschrift bestemd om tot het bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, valselijk in die verklaring ( [#] ) opgenomen en voorgewend dat

- ondergetekende [ [verdachte] ] bereid is een schilderij genaamd " [naam schilderij] " te [gemeente 2] van [naam 1] te verkopen aan [bedrijf 1] voor een bedrag groot 500.000 euro, terwijl de marktwaarde van het schilderij veel lager was en in werkelijkheid sprake was van een schijntransactie, zulks met het oogmerk om deze verklaring als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;

2. hij, op 5 oktober 2010 in [gemeente 2] , telkens als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht is tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, opzettelijk, deze in valse vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld, immers heeft hij opzettelijk een verklaring ( [#] ) waarin valselijk was opgenomen en voorgewend dat ondergetekende [ [verdachte] ] bereid is een schilderij genaamd " [naam schilderij] " te [gemeente 2] van [naam 1] te verkopen aan [bedrijf 1] voor een bedrag groot 500.000 euro, voor raadpleging aan de Belastingdienst ter beschikking gesteld en bestaande die valsheid hierin dat de marktwaarde van het schilderij veel lager was en in werkelijkheid sprake was van een schijntransactie terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

3. hij, op 9 februari 2010 en op 17 maart 2011, te [gemeente 3] en [gemeente 2] , telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

- een aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2008 (D-022, D022/a), en

- een aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2009 (D-022, D022/b),

onjuist heeft gedaan en laten doen, immers is door of namens hem over 2008 en over 2009 een te laag belastbaar bedrag en (verzamel)inkomen opgegeven, immers was in die door of namens hem ingevulde en ondertekende en ingeleverde aangifte over 2008 opzettelijk 150.000 euro niet opgenomen en was in die door of namens hem ingevulde en ondertekende en ingeleverde aangifte over 2009 opzettelijk 195.000 euro niet opgenomen, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven;

4. hij in de periode van 1 februari 2008 tot en met 15 juni 2010 in Nederland, telkens anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber van [bedrijf 2] in de functie van commissaris, naar aanleiding van hetgeen hij als lasthebber heeft gedaan dan wel zal zou doen, telkens giften, namelijk betalingen van geldbedragen, ontvangen van [bedrijf 1] en [bedrijf 3], heeft aangenomen en dit aannemen telkens in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn lastgever, [bedrijf 2];

5. hij in de periode van 1 juni 2008 tot en met 25 april 2012, te [gemeente 2] , telkens van geldbedragen (in totaal 345.000 euro),

- de werkelijke aard heeft verborgen en verhuld, en

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en van 345.000 euro gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”

Eiser is door het gerechtshof veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en vier maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

4. Het door eiser tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 25 augustus 2020 niet-ontvankelijk verklaard.

5. Verweerder heeft aan eiser de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd, waarbij voor het jaar 2008 over een resultaat uit overige werkzaamheden van € 150.000 is nagevorderd, en voor het jaar 2009 – na vermindering in bezwaar – over € 195.000 welke bedragen in overweging 3. van de hiervoor onder 3. opgenomen uitspraak van het gerechtshof Amsterdam zijn vermeld.

6. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 5 juni 2019 tevens arrest gewezen in de tegen eiser ingestelde ontnemingsvordering. Hierbij heeft het gerechtshof eiser de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 345.000. In deze uitspraak heeft het gerechtshof het volgende overwogen:

“De verdachte is bij arrest van 5 juni 2019 veroordeeld wegens, kort gezegd, niet-ambtelijke omkoping door het aannemen van geldbedragen/steekpenningen van de getuige [naam 2] .

Hij heeft het karakter van die geldbedragen geprobeerd te verhullen door een valse koopovereenkomst op te stellen, die inhoudt dat hij een schilderij voor € 500.000,00 verkoopt aan de getuige [naam 2] . De verdachte heeft vervolgens geldbedragen van € 100.000,00, € 50.000,00 en € 200.000,00 ontvangen. Tenslotte is hem nog € 10.000,00 betaald, waarna het schilderij naar [naam 2] is overgegaan. In totaal heeft de veroordeelde dus € 360.000,00 ontvangen.

De waarde van het schilderij is door verschillende taxateurs en experts geschat op respectievelijk € 9.000,00, € 10.000,00, € 13.000,00 en € 15.000,00 tot € 20.000,00. Het hof schat, gelet op de verschillende waardebepalingen, de waarde van het schilderij op € 15.000,00. Dit bedrag moet voor de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden afgetrokken van de door de veroordeelde ontvangen € 360.000,00. Met de advocaat-generaal schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom op € 345.000,00.”

7. Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is op 25 augustus 2020 door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard.

8. Op 25 mei 2021 heeft eiser een verzoek om kwijtschelding van de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ingediend vanwege de door eiser erkende verplichting tot betaling van het ontnemingsbedrag van € 345.000 bij wijze van schadevergoeding aan [bedrijf 1] als benadeelde partij. Op 4 juli 2022 is dit verzoek door de rechtbank Noord-Holland toegewezen en het door eiser aan de Staat te betalen bedrag vastgesteld op nihil.

9. Op 26 januari 2023 heeft eiser met [bedrijf 2] een vaststellingsovereenkomst gesloten op grond waarvan eiser zich verplicht tot betaling van een bedrag van € 520.000.

Geschil 10.Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Niet in geschil is dat eiser bedragen van € 150.000 (2008) respectievelijk € 210.000 (2009) heeft ontvangen en dat deze ontvangsten (minus het bedrag dat is betaald voor het schilderij) moeten worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.

11. Eiser stelt zich op het standpunt dat bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 en 2009 het in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden te hoog is vastgesteld. Hij is van mening dat het schilderij genaamd " [naam schilderij] " van [naam 1] (hierna: het schilderij) een hogere waarde dan € 15.000 vertegenwoordigt. Daarnaast is eiser van mening dat hij een voorziening mag vormen ultimo 2008 vanwege de nadien door hem gemaakte advocaatkosten. Navordering in 2009 is niet mogelijk omdat het vorderingenstelsel moet worden toegepast en het gehele voordeel daarom in 2008 belast zou moeten worden.

Subsidiair stelt eiser dat wanneer de rechtbank oordeelt dat moet worden aangesloten bij het betaalmoment, de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 verminderd moet worden met € 50.000, aangezien dat bedrag pas op 1 september 2009 is ontvangen.

Meer subsidiair stelt eiser dat de belastingheffing in strijd komt met artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM omdat deze werkzaamheden voor hem alleen maar een verlies hebben opgeleverd en dus sprake is van een individuele en buitensporige last.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging c.q. vermindering van de navorderingsaanslagen.

12. Verweerder is van mening dat de beide navorderingsaanslagen (2009 na vermindering in bezwaar) naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. De waarde van het door eiser verkochte schilderij is voor het juiste bedrag, zijnde € 15.000, in aanmerking genomen. Daarnaast is verweerder van mening dat eiser ultimo 2008 geen voorziening kon vormen en dat goed koopmansgebruik zich niet verzet tegen het aanmerken van € 195.000 als resultaat uit overige werkzaamheden in 2009.

Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van eiser merkt verweerder op dat dit uitgaat van onjuiste feiten omdat de betaling van € 50.000 op 1 september 2008 heeft plaatsgevonden. Ten slotte is verweerder van oordeel dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

Hoogte resultaat uit overige werkzaamheden

13. Ten aanzien van de hoogte van het in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder de juiste bedragen in aanmerking heeft genomen. Eiser heeft in 2008 € 150.000 ontvangen van [bedrijf 4] en in 2009 € 200.000 van [bedrijf 5] B.V. Het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat deze bedragen door eiser zijn ontvangen als provisiebetalingen. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is gebleken en door het gerechtshof Amsterdam als feit vastgesteld dat eiser ook nog een bedrag van € 10.000 heeft ontvangen van de heer [naam 2] , waarna eiser het schilderij aan de heer [naam 2] heeft geleverd. Dit wordt door eiser ook niet betwist. De waarde van het schilderij is door gerechtshof Amsterdam vastgesteld op € 15.000 (zie 6. hiervoor). Nu eiser in totaal € 360.000 heeft ontvangen van (de bv's van) de heer [naam 2] , is het wederrechtelijk verkregen voordeel door het gerechtshof vastgesteld op € 345.000 (€ 150.000 in 2008 en € 195.000 in 2009). Verweerder heeft daarom terecht deze bedragen nagevorderd als resultaat uit overige werkzaamheden.

14. Eiser voert aan dat de waarde van het schilderij hoger moet worden vastgesteld, hetgeen zou moeten leiden tot verlaging van het in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een tweetal taxaties van andere schilderijen van [naam 1] overgelegd. Deze twee taxaties zijn in de negentiger jaren van de vorige eeuw uitgevoerd door beëdigd taxateur [naam 9] .

15. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel. Taxaties van andere schilderijen van deze schilder zeggen onvoldoende over de waarde van het onderhavige schilderij, alleen al omdat schilderijen van deze schilder blijkens de overgelegde stukken voor zeer uiteenlopende bedragen worden verkocht. Bovendien heeft dezelfde taxateur, blijkens het overgelegde proces-verbaal van zijn verhoor door de rechtercommissaris van de rechtbank Noord-Holland verklaard dat hij zich kon vinden in de taxatie van het onderhavige schilderij naar de waarde in 2008 door 2 andere taxateurs op € 10.000 respectievelijk € 9.000. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding af te wijken van de door het gerechtshof Amsterdam vastgestelde waarde van het schilderij van € 15.000.

Jaar van genieten

16. Op grond van artikel 3.95 in verbinding met artikel 3.25 van de Wet IB 2001 wordt het in een kalenderjaar genoten resultaat uit een werkzaamheid bepaald volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst. Die bestendige gedragslijn kan alleen worden gewijzigd indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt. De invulling van het begrip goed koopmansgebruik wordt bepaald door de bedrijfseconomie, tenzij die invulling in strijd is met de tekst, algemene strekking of een beginsel van de belastingwet. Aan het goed koopmansgebruik ligt een drietal hoofdbeginselen ten grondslag die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld. Deze beginselen zijn:

- het realiteitsbeginsel, dat inhoudt dat moet worden aangesloten bij de economische realiteit;

- het voorzichtigheidsbeginsel, op grond waarvan nog niet gerealiseerde winsten niet tot de (belastbare) jaarwinst hoeven te worden gerekend, maar nog niet gerealiseerde verliezen wel ten laste van de jaarwinst kunnen worden gebracht; en

- het eenvoudbeginsel, op grond waarvan de jaarwinstbepaling praktisch hanteerbaar moet zijn.

17. De rechtbank is van oordeel dat goedkoopmansgebruik er niet toe dwingt de in 2009 ontvangen betalingen in 2008 in aanmerking te nemen. Eiser heeft de onderhavige bedragen in 2008 en 2009 ontvangen als provisiebetalingen voor het aanbrengen van vastgoedprojecten en mogelijke toekomstige zaken, zoals vastgesteld in de hiervoor vermelde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam. Eiser wijst naar de overeenkomst met betrekking tot het schilderij en dat de projecten [gemeente 1] en [gemeente 4] reeds in 2008 waren aangekocht. Echter, eiser was commissaris bij [bedrijf 1] en de werkzaamheid bestaat uit het uitoefenen van zijn invloed binnen [bedrijf 2] ten faveure van (de bv's van) de heer [naam 2] . Dit blijkt uit de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam in de strafzaak tegen eiser (zie 2. hiervoor) waarin de heer [naam 2] bevestigt dat hij de betalingen verrichtte omdat eiser "degene was die de tent daar runde en waarmee ik in de toekomst zaken wilde blijven doen". De werkzaamheid eindigde daarom uiteindelijk definitief op 18 juni 2010, toen de functie van eiser als commissaris van [bedrijf 1] werd beëindigd en daarmee zijn invloed binnen [bedrijf 2] stopte. Uit dit een en ander volgt dat de provisiebetalingen niet alleen zien op werkzaamheden die eiser in 2008 heeft verricht. Eiser heeft tegenover de rechtbank evenmin aannemelijk gemaakt dat de provisiebetalingen alleen zien op zijn werkzaamheden in 2008. Reeds om die reden kan niet worden gezegd dat het in aanmerking nemen van de provisiebetalingen in 2009 strijdig is met resultaatbepaling volgens het vorderingenstelsel waarop eiser zich beroept. Ook binnen dat stelsel was winstneming in 2009 mogelijk. Bovengenoemd realiteitsbeginsel dwingt evenmin tot het door eiser gewenste resultaat. Eiser heeft geen facturen uitgereikt voor de werkzaamheden en ook ontbreken balansen voor de jaren 2008 en 2009, zodat het eenvoudsbeginsel noopte tot de door verweerder gekozen praktische benadering waarbij het resultaat is toegerekend aan het jaar van ontvangst. Uitstel van winstneming door toerekening van het resultaat aan 2009 in plaats van 2008, is bovendien in overeenstemming met het bovengenoemde voorzichtigheidsbeginsel.

Voorziening

18. Eiser wenst een voorziening te vormen voor door hem gemaakte advocaatkosten. Eiser heeft voor het in aanmerking nemen van een voorziening aangevoerd dat ultimo 2008 voldoende zekerheid bestond dat de advocaatkosten zich zouden voordoen. Daartoe betoogt hij dat ultimo 2008 voorzienbaar was dat een bedrag zou moeten worden betaald aan [bedrijf 2] en dat advocaatkosten zouden moeten worden gemaakt. Uiteindelijk bedragen deze gezamenlijk € 920.000. Eiser acht het redelijk ultimo 2008 een voorziening van € 400.000 voor advocaatkosten op te nemen.

19. De rechtbank overweegt als volgt. Met hetgeen eiser hierover heeft aangevoerd, bestond er naar het oordeel van de rechtbank ultimo 2008 of 2009 geen redelijke mate van zekerheid dat eiser de van hem gevorderde bedragen in een later jaar zou moeten betalen. In 2008 en 2009 was er nog geen enkele verdenking jegens eiser en het boekenonderzoek bij [bedrijf 3] is eerst in 2010 opgestart en eerst tijdens dat onderzoek is bekend geworden dat eiser bedragen van de heer [naam 2] had ontvangen, zonder dat op dat moment al duidelijk was wat de aard van deze betalingen was. Dat betekent dat er ultimo 2008 en 2009 geen redelijke mate van zekerheid bestond dat eiser terugbetalingsverplichtingen zou hebben jegens [bedrijf 2] en advocaatkosten zou gaan maken.

20. Dat [bedrijf 2] zich als benadeelde partij in de strafprocedure tegen eiser heeft gevoegd en dat eiser in januari 2023 met [bedrijf 2] is overeengekomen € 520.000 te betalen maakt dit niet anders. Deze gebeurtenissen hebben zich immers (ver) na balansdatum voorgedaan. Eiser is eerst in 2017 door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld voor de hem ten laste gelegde feiten. Ook in het licht hiervan bestond ultimo 2008 en 2009 onvoldoende mate van zekerheid dat eiser de door hem genoten bedragen zou moeten terugbetalen en advocaatkosten zou maken. De rechtbank overweegt daarnaast dat eiser de gestelde € 400.000 aan advocaatkosten niet heeft onderbouwd, en ook het verband met de door hem in 2008 en 2009 verrichte werkzaamheden niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is op al deze gronden van oordeel dat eiser in 2008 of 2009 geen voorziening kan vormen.

21. Ten overvloede voegt de rechtbank aan het vorenstaande toe dat aftrek van de door eiser betaalde schadevergoeding op de voet van artikel 3.14, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001, eerst mogelijk is vanaf het moment dat eiser daadwerkelijk uitgaven doet om de door het misdrijf veroorzaakte schade te herstellen. Tot dat tijdstip zijn die kosten en lasten op grond van artikel 3.14, eerst lid, aanhef en onder d, van de Wet IB 2001 van aftrek uitgesloten, zodat ook om die reden geen voorziening kan worden gevormd (vgl. HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2299). De door eiser genoemde advocaatkosten zijn in hun geheel van aftrek uitgesloten. Immers, het begrip ‘verband houden met’ als bedoeld in artikel 3.14, lid 1, aanhef en letter d, Wet IB 2001 dient ruim te worden uitgelegd (vgl. HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5057). De wetgever heeft niet beoogd alleen van aftrek uit te sluiten de kosten met behulp waarvan omzet uit criminele activiteiten is gerealiseerd (Kamerstukken II 1996-1997, 25 019, nr. 6, p. 1 en 2). De in het derde lid genoemde uitzonderingen op de aftrekuitsluiting van het eerste lid strekken zich ook niet uit over de door eiser genoemde advocaatkosten.

Ontvangst € 50.000

22. De subsidiaire stelling van eiser dat – bij toepassing van het kasstelsel zoals verweerder betoogt – het bedrag van € 50.000 ten onrechte in 2008 in aanmerking is genomen omdat hij dit bedrag eerst op 1 september 2009 zou hebben ontvangen wordt reeds op die grond verworpen omdat deze stelling feitelijke grondslag mist. Eiser heeft geen andere onderbouwing van de stelling gegeven dan dat betaling volgens hem op 1 september 2009 heeft plaatsgevonden. Uit de gedingstukken, met name het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2017 in de strafzaak tegen eiser en de daar aangehaalde bankstukken op bladzijde 5, blijkt echter dat de betaling op 1 september 2008 is ontvangen.

Individuele en buitensporige last

23. Ter zitting heeft eiser, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2048, meer subsidiair aangevoerd dat ter zake van het in aanmerking nemen van het bedrag van € 345.000 als resultaat uit overige werkzaamheden sprake is van een belastingheffing die strijdig is met het door artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP) gewaarborgde ongestoorde genot van eigendom. Hij voert daartoe aan dat de werkzaamheden vanwege de betaling aan [bedrijf 2] van € 520.000 en de gemaakte advocaatkosten van € 400.000 verlieslatend zijn geweest zodat belastingheffing over € 345.000 disproportioneel is en een individuele en buitensporige last voor hem oplevert.

24. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. onder meer Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511) kan alleen dan sprake zijn van een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in het geval van de betrokken belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen, waarbij of dit laatste zich voordoet, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Dit moet worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene (vgl. Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816).

25. Zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven kan voldoening van de schadevergoeding aan de benadeelde partij op de voet van artikel 3.14, derde lid onderdeel b, van de Wet IB 2001, in aftrek worden gebracht in het jaar van betaling (vgl. Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2299). Eiser heeft geen enkel inzicht gegeven in de fiscale uitwerking van deze betaling en de aftrek daarvan en/of eventuele verliesverrekening in latere jaren. De rechtbank is van oordeel dat hij daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Ter zitting heeft eiser nog aangeboden hiervan nader bewijs te leveren. Dit bewijsaanbod wordt door de rechtbank als tardief gedaan gepasseerd.

Heffingsrente

26. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. De heffingsrente is berekend op grond van de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgenomen artikelen die tot 1 januari 2013 van toepassing waren. Tegen de heffingsrente zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen is vastgesteld.

Slotsom

27. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

28. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

Rechtsmiddel