Rechtbank Noord-Holland, 26-01-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1044, HAA - 25 _ 4244
Rechtbank Noord-Holland, 26-01-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1044, HAA - 25 _ 4244
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 26 januari 2026
- Datum publicatie
- 16 februari 2026
- Zaaknummer
- HAA - 25 _ 4244
- Relevante informatie
- Art. 4:17 Awb, Art. 6:6 Awb, Art. 6:12 Awb, Art. 7:10 Awb, Art. 8:55d Awb
Inhoudsindicatie
Beroep wegens niet tijdig beslissen. Wettelijke beslistermijn niet opgeschort. Geen analoge toepassing artikel 7:10, tweede lid, van de Awb in geval van opvragen reden voor te laat bezwaar.
Uitspraak
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4244
(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaarschrift van 6 mei 2025 gericht tegen de beslissing van verweerder van 28 oktober 2024 met kenmerk UHT-DCHOA inzake de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2025 te Haarlem. Eiseres is met voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] .
Verweerder heeft na de sluiting van het onderzoek een nader stuk ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank het onderzoek heropend en eiseres in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na 2 december 2025 hierop te reageren. Eiseres heeft van deze gelegenheid geen gebruikgemaakt. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder meer) in artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
2. Eiseres heeft op 6 mei 2025 bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 28 oktober 2024.
3. Verweerder heeft eiseres bij brief van 16 mei 2025 in de gelegenheid gesteld vóór 16 juni 2025 aan te geven waarom te laat bezwaar is gemaakt. In deze brief is verder, voor zover hier relevant, het volgende vermeld:
“Omdat deze informatie er nog niet is, mogen we de beslistermijn uitstellen. We wachten tot op zijn laatst 16 juni 2025 met het behandelen van uw bezwaar. Stuurt u de informatie eerder op? Dan gaan we eerder verder met het behandelen van uw bezwaar. De beslistermijn begint dan voor ons weer te lopen.”
4. Per e-mailbericht van 3 juni 2025 heeft eiseres de redenen voor haar te late bezwaar bij verweerder ingediend.
5. Op 11 september 2025 heeft eiseres verweerder wegens het uitblijven van het nemen van een beslissing op bezwaar in gebreke gesteld. Eiseres heeft op 29 september 2025, meer dan twee weken nadat zij verweerder in gebreke heeft gesteld, beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar. Tot op heden heeft verweerder niet op het bezwaar van eiseres beslist.
6. De wettelijke beslistermijn om op het bezwaar van eiseres te beslissen is op 6 mei 2025 aangevangen en bedraagt op grond van artikel 7:10, eerste en derde lid, van de Awb twaalf weken. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de beslistermijn door zijn brief van 16 mei 2025 (zie 3) is opgeschort. In artikel 7:10, tweede lid, van de Awb is immers bepaald dat de termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Verweerders laatstgenoemde brief van 16 mei 2025 heeft betrekking op het te laat indienen van een bezwaarschrift. Dat is geen (herstelbaar) verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb. Het betoog van verweerder dat artikel 7:10, tweede lid, van de Awb analoog kan worden toegepast, slaagt niet. Het voorgaande brengt mee dat verweerder uiterlijk op 29 juli 2025 diende te beslissen op het bezwaar van eiseres. Er is dan ook sprake van een geldige ingebrekestelling en een gegrond beroep.
7. Aangezien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, moet de rechtbank verweerder in beginsel opdragen om binnen twee weken na de dag waarop haar uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d van de Awb). In de regel wordt de dwangsom bepaald op € 100 per dag, met een maximum van
€ 15.000.
8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301 r.o. 14 en 15) heeft de beslistermijn voor zaken als de onderhavige bepaald op 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken. De rechtbank ziet in het door eiseres aangevoerde geen aanleiding hiervan af te wijken. De wettelijke beslistermijn is, zoals hiervoor overwogen, verstreken op 29 juli 2025. Dit betekent dat verweerder binnen 60 weken na 29 juli 2025 alsnog een beslissing moet nemen op het bezwaar van eiseres.
9. In de hiervoor aangehaalde uitspraak van 26 maart 2025 is verder bepaald dat er geen reden is om in zaken waarin nog geen 60 weken zijn verstreken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn op bezwaar, af te wijken van het landelijk vastgelegde uitgangspunt met betrekking tot de hoogte van de dwangsom.
10. Gelet op het voorgaande bepaalt de rechtbank met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee de nadere beslistermijn van zestig weken wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.
11. Verder heeft verweerder op grond van artikel 4:17 van de Awb een bestuurlijke dwangsom verbeurd ter grootte van het wettelijke maximum van € 1.442. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij voor de beroepsmatig verleende bijstand heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht toegekend voor een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 bij een wegingsfactor 0,5 voor het lichte gewicht van deze zaak, omdat het geschil beperkt is tot formele aspecten van niet tijdig beslissen en de dwangsom).
13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 53 vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- -
-
verklaart het beroep gegrond;
- -
-
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- -
-
bepaalt dat verweerder aan eiseres een bestuurlijke dwangsom moet betalen van € 1.442;
- -
-
draagt verweerder op binnen 60 weken na 29 juli 2025 alsnog een beslissing te nemen op het bezwaarschrift;
- -
-
bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000; - -
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467;
- -
-
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op: