Home

Rechtbank Noord-Holland, 09-02-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1529, HAA 24/7244

Rechtbank Noord-Holland, 09-02-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1529, HAA 24/7244

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
9 februari 2026
Datum publicatie
30 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:1529
Zaaknummer
HAA 24/7244
Relevante informatie
Art. 16 AWR, Art. 25 AWR, AWR, Art. 7:12 Awb, Art. 7:2 Awb, Awb, Art. 6.32 Wet IB 2001, Art. 6.34 Wet IB 2001, Wet IB 2001

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Centraal staat de vraag of geschonken waardepapieren (die bestaan uit een converteerbare obligatie) enige waarde hebben en of deze als gift aan een ANBI in aftrek gebracht kunnen worden.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 25/3354, HAA 24/7244 en HAA 25/3355

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

en

Procesverloop

HAA 25/3354

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2019 met dagtekening 19 oktober 2024 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.223 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 105. Hierbij is ook een beschikking belastingrente van € 1.613 opgelegd.

Verweerder heeft met dagtekening 7 juli 2025 bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag IB/PVV en de belastingrente gehandhaafd.

HAA 24/7244

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2020 met dagtekening 8 december 2023 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 42.073 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.722. Hierbij is ook een beschikking belastingrente van € 1.597 opgelegd.

Verweerder heeft met dagtekening 11 oktober 2024 bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV verminderd. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verminderd naar € 7. De beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd en vastgesteld op € 1.265.

HAA 25/3355

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2021 met dagtekening 6 september 2024 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 35.672 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.445. Hierbij is ook een beschikking belastingrente van € 1.415 opgelegd.

Verweerder heeft met dagtekening 7 juli 2025 bij uitspraak op bezwaar de aanslag IB/PVV en de belastingrente gehandhaafd.

Alle zaken

Eiseres heeft daartegen bij afzonderlijke beroepschriften beroep ingesteld. Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2025 te Haarlem. Eiseres is verschenen tezamen met haar echtgenoot [naam 1] , bijgestaan door [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 4] ,

mr. [naam 5] en mr. [naam 6] .

De zaken van eiseres zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken van de echtgenoot van eiseres inzake de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2019, 2020 en 2021 (zaaknummers HAA 25/3352, HAA 24/7229 en 25/3353).

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres was in 2019, 2020 en 2021 getrouwd en fiscaal partner van [naam 1] (hierna: de echtgenoot).

2. Eiseres heeft in haar aangiften IB/PVV voor de jaren 2019, 2020 en 2021 een bedrag van (ieder jaar) € 200.000 aan giften in aftrek gebracht en verdeeld tussen zichzelf en haar echtgenoot. Deze persoonsgebonden aftrek is in de desbetreffende aangiften IB/PVV voor de volgende bedragen aan eiseres toebedeeld:

2019: € 23.000.

2020: € 45.000.

2021: € 35.000

3. Tot de gedingstukken behoort een formulier ‘Overeenkomst Periodieke gift in natura’ ondertekend op 28 december 2019 door eiseres’ echtgenoot, door eiseres, en door [naam 2] namens de begiftigde Stichting [stichting] (hierna: de overeenkomst periodieke gift). Hierin staat voor zover van belang het volgende:

“De gift bestaat uit vaste en gelijkmatige periodieke verstrekkingen van (omschrijving gift in natura) in waardepapieren t.w.v. EUR 200.000,= (tweehonderdduizend euro)

per jaar, die gedurende minstens vijf jaar worden verstrekt en uiterlijk eindigen bij:

X het overlijden van de schenker”

(...)

Wat is de looptijd van de gift? X 5 jaar”

4. Tot de gedingstukken behoort voorts een ‘Aanvullende Overeenkomst’ behorende bij de overeenkomst periodieke gift, ondertekend door eiseres’ echtgenoot, eiseres, Stichting [stichting] en [bedrijf 1] B.V. op 28 december 2019 (de aanvullende overeenkomst). Voor zover van belang staat in de aanvullende overeenkomst het volgende:

“In geval van overlijden, surséance van betaling of faillissement van de schenker, of in het geval de schenker de beschikking over zijn/haar vermogen verliest, wordt het resterende deel van de schenking geacht in één keer geschonken te zijn op het moment deze gebeurtenis intreedt, tenzij met rechthebbenden van de waardepapieren binnen 3 maanden na overlijden een aanvullende overeenkomst wordt gemaakt om opnieuw een 5-jarige schenkingsovereenkomst aan te gaan.”

5. Tot de gedingstukken behoort een ‘Vervangende Aanvullende Overeenkomst’, op 28 oktober 2022 ondertekend door eiseres’ echtgenoot (aangeduid als Schenker), door eiseres, en door Stichting [stichting] en [bedrijf 1] B.V. (hierna: de vervangende overeenkomst). Voor zover van belang staat in de vervangende overeenkomst het volgende:

“Deze Overeenkomst is overeengekomen op 28 oktober 2022 en vervangt de Aanvullende Overeenkomst d.d. 28 december 2019 (..)

1. Door middel van de Overeenkomst die op dezelfde dag/datum is ondertekend als het onderhavige document, zijn Partijen (...) een onherroepelijke verbintenis aangegaan waarbij Schenker gedurende een periode van vijf jaren in vaste en gelijkmatige verstrekkingen jaarlijks de waardepapieren houdende rechten op (certificaten van) aandelen, dan wel na conversie de waarden in [bedrijf 2] BV, schenkt aan [stichting] conform de Overeenkomst van de Belastingdienst d.d. heden.

(...)

5. Deze toezegging eindigt bij overlijden, doch niet bij surséance van betaling of faillissement, noch bij verlies van werkkring, bij arbeidsongeschiktheid of als [stichting] geen ANBI meer is.”

6. Tot de gedingstukken behoort de ‘ [naam 9] ( [naam 9] ) – Standaard Overeenkomst’, gesloten tussen [bedrijf 1] B.V. (in de overeenkomst aangeduid als [bedrijf 1] ) en eiseres’ echtgenoot als Participant (hierna: de [naam 9] -overeenkomst), ondertekend op 20 december 2019. Volgens deze overeenkomst is Participant bereid een Contributie te doen onderhevig aan de bepalingen en voorwaarden van deze overeenkomst en biedt [bedrijf 1] aan Participanten een uniek waarde creërend [naam 9] , ‘verwant aan het [naam 7] Concept als onderdeel van de oprichting van een Naamloze Vennootschap [bedrijf 3] NV genaamd (“ [bedrijf 3] ”) of een soortgelijke naam voor welk bedrijf [bedrijf 1] B.V. voornemens is een openbare notering te regelen’. Voor zover van belang staat in de [naam 9] -overeenkomst voorts het volgende:

“Definities (...)

Converteerbare obligatie: Het recht voorkomend uit deze Overeenkomst, wat is toegekend aan Partijen door [bedrijf 1] teneinde deelneming in [bedrijf 3] te verkrijgen – of een equivalente waarde in Euro’s – in ruil voor de ontvangen waarde van de Contributie van Participant.

Exchange datum: 36 maanden na de datum van het gezamenlijk tekenen van deze Overeenkomst.

Exchange vereffening: Op de Exchange datum zullen, alsdan openbaar verhandelbare Aandelen van [bedrijf 3] , geleverd worden op de aandelenrekening van Participant. Levering van aandelen voor het overeengekomen bedrag, of een equivalent bedrag in Euro's, zal worden aangemerkt als volledige Exchange vereffening.

(...)

2.1

Participant kent [bedrijf 1] hierbij een Contributie toe voor het bedrag van EUR 100.000,= (in woorden: honderdduizend Euro).

(...)

4.6

Op de Exchange datum, zal de Contributie ter waarde van de daadwerkelijk ontvangen waarde ("Exchange bedrag”), worden geconverteerd in het aantal Aandelen in [bedrijf 3] dat overeenkomt met het Exchange bedrag.

4.7

Ingeval de aandelen van [bedrijf 3] niet publiekelijk worden verhandeld, of in andere situaties van verhindering, wordt het bedrag in Euro's aan Participant betaald, in zoverre de liquiditeit van [bedrijf 3] niet in gevaar komt.

Ingeval de aandelen van [bedrijf 3] niet publiekelijk worden verhandeld noch een bedrag in Euro's is of kan worden betaald aan Participant, zal [bedrijf 1] binnen 60 dagen na de Exchange datum een waardering van de aandelen van [bedrijf 3] door een onafhankelijk bedrijf laten vaststellen. In dat geval zal Participant persoonlijk, of met aanwijzing van een wettelijk vertegenwoordiger, bij notariële akte, binnen 60 dagen na publicatie van het waarderingsrapport, het equivalent van de Contributie, in private aandelen van [bedrijf 3] , toegekend krijgen, verdeeld naar rato van de Contributie. Indien deze aandelen niet binnen de gegeven termijn worden geaccepteerd vervallen alle rechten op genoemde vereffening.

(...)

5. Rendement

Het rendement is 15x keer (zegge: vijftien keer =totaalwaarde € 1.500.000,= ) het bedrag

van de Contributie (Ontvangen Waarde), leverbaar op de Exchange datum, behalve indien schriftelijk anders overeengekomen.”

7. [bedrijf 3] N.V., waarnaar wordt verwezen in de [naam 9] -overeenkomst, is volgens partijen niet opgericht. In plaats hiervan is [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] BV) opgericht door [bedrijf 1] B.V. op 11 november 2020.

8. Tot de gedingstukken behoort het ‘Addendum op de [bedrijf 1] Obligatieovereenkomst’ (hierna ook: het addendum op de [naam 9] -overeenkomst), gesloten tussen [bedrijf 1] B.V. (aangeduid als [bedrijf 1] ) en eiseres’ echtgenoot (Participant) op 29 december 2022. Voor zover van belang staat in dit addendum op de [naam 9] -overeenkomst het volgende:

“Overwegende dat

(...)

(F) De tussen partijen overeengekomen Einddatum in dit verband is 20 december 2022. [bedrijf 1] voorziet dat deze datum overschreden zal worden zonder dat Participant de overeengekomen (certificaten van) aandelen in [bedrijf 2] zal verkrijgen;

(G) Participant akkoord wenst te gaan met onderstaande aanvullende regeling, waarbij [bedrijf 1] ervan uitgaat dat er in het jaar van ondertekening van dit Addendum (2022) tot definitieve afspraken wordt gekomen en dat de totale vertraging nooit meer zal bedragen dan twaalf maanden na de oorspronkelijke Conversiedatum;

(...)

1.Aanvullende definities:

(...)

[bedrijf 1] Obligatie: Het recht voorkomend uit de oorspronkelijke [naam 9] -Overeenkomst of een vergelijkbare overeenkomst, dat is toegekend aan Participanten door [bedrijf 1] , teneinde (certificaten van) aandelen in [bedrijf 2] of een andere beursgenoteerde entiteit te verkrijgen – of een equivalente waarde in Euro’s – in ruil voor de ontvangen Bijdrage van Participanten.

(...)

2.Compensatie voor vertraging

2.1

De vergoeding voor verlate levering van, zoals overeengekomen, beursgenoteerde (certificaten van ) aandelen op 20 december 2022 voor het bedrag van EUR 500.000 (vijfhonderdduizend euro) bedraagt over laatstgenoemde bedrag 2% per kalendermaand of deel daarvan.

2.2

[bedrijf 1] neemt op zich de omzetting in beursgenoteerde (certificaten van) aandelen spoedig te realiseren, zulks binnen een periode van drie maanden gerekend vanaf de datum van de goedgekeurde transactie voor beursgenoteerde aandelen.”

9. [bedrijf 1] B.V. bezat het intellectuele eigendomsrecht van het zogenoemde [bedrijf 3] . Het [bedrijf 3] behelst het bieden van een duurzame oplossing voor het wereldwijde tekort aan betaalbare woningen en milieuschade die de sector veroorzaakt gedurende de bouw en het gebruik van gebouwen.

10. [bedrijf 1] B.V. heeft op 29 december 2020 [bedrijf 4] B.V. opgericht en ter storting op de aandelen het intellectueel eigendomsrecht ingebracht. [bedrijf 1] B.V. was de aandeelhouder van [bedrijf 4] B.V.

11. Op 30 december 2020 heeft [bedrijf 1] B.V. de aandelen [bedrijf 4]

B.V. aan [bedrijf 2] BV verkocht. De koopsom is bepaald op afgerond € 183.000.000. De koopsom wordt door [bedrijf 2] BV schuldig gebleven aan [bedrijf 1] B.V. door middel van een reguliere lening van € 1.500.000 en een converteerbare obligatielening van€ 181.500.000.

12. Tot de gedingstukken behoort een rapport van [naam 8] van 28 december 2020, houdende een waardering van de aandelen in [bedrijf 4] B.V. per 31 december 2020 op een bedrag van € 183 miljoen. Tot de gedingstukken behoort voorts een brief van [naam 8] van 1 februari 2023 aan [bedrijf 1] B.V., betreffende de berekening van de waarde van de aandelen [bedrijf 4] B.V. In deze brief is geconcludeerd dat de reeds ontvangen informatie geen aanleiding geeft te verwachten dat de uitkomst van de huidige nog uit te voeren calculatie (beduidend) lager zal liggen dan de uitkomst ultimo 2020.

13. Tot de gedingstukken behoort de aangifte vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) 2020 van [bedrijf 2] BV. Volgens deze aangifte bedragen de activa van [bedrijf 2] BV ultimo 2020 in totaal € 183.009.438, bestaande uit de deelneming in [bedrijf 4] B.V. van € 182.998.170 en enkele vorderingen/overlopende activa van in totaal € 11.268. Volgens deze aangifte bedragen de passiva in totaal € 183.009.438. Het vreemde vermogen bestaat uit langlopende schulden aan groepsmaatschappijen ( [bedrijf 1] B.V.) ultimo 2020 ten bedrage van in totaal € 182.998.170 en de kortlopende schulden aan groepsmaatschappijen bedragen in totaal € 2.357.234. Het aangegeven eigen vermogen (fiscaal ondernemingsvermogen) van [bedrijf 2] BV bedraagt ultimo 2020 in totaal € 2.346.122 negatief. Dit eigen vermogen bestaat uit € 1 gestort en opgevraagd kapitaal en negatieve winstreserves van € 2.346.123 negatief.

14. [bedrijf 1] B.V. heeft op 2 januari 2023 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de Belastingdienst waarin onder meer is vastgesteld dat met de verkoop van de aandelen in [bedrijf 4] B.V. aan [bedrijf 2] BV voor de koopsom van € 182.998.170 een vordering van [bedrijf 1] B.V. op [bedrijf 2] BV is ontstaan van € 182.998.170.

IB/PVV 2019

15. Met dagtekening 28 februari 2020 is aan eiseres een uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV 2019 uitgereikt.

16. Eiseres heeft op 26 maart 2020 de aangifte IB/PVV 2019 ingediend. Het aangegeven inkomen uit werk en woning bedraagt € 10.223 en bestaat uit een inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 44.664, een aandeel uit het inkomen uit eigen woning van negatief € 10.241, een premie voor inkomensvoorzieningen van € 1.200 en een persoonsgebonden aftrek van € 23.000. Het aandeel van eiseres in het voordeel uit sparen en beleggen bedraagt volgens de aangifte € 4.883.

17. Naar aanleiding van de ingediende aangifte IB/PVV 2019 heeft verweerder een verzoek om informatie gedaan aan eiseres’ echtgenoot, met dagtekening 13 augustus 2021. In dit verzoek is – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen:

“Persoonsgebonden aftrek

Giften

(...) Om te kunnen beoordelen of u recht hebt op aftrek van giften en voor welk bedrag, verzoek ik u mij een uitgebreide specificatie van het afgetrokken bedrag te sturen. Daarnaast verzoek ik u om eventueel betaalbewijzen toe te voegen om de gemaakte en drukkende kosten aannemelijk te maken”

18. Eiseres heeft per e-mail van 30 augustus 2021, met bijlagen, gereageerd op verweerders verzoek om informatie. Eiseres heeft als bijlagen de volgende documenten aangehecht: het uniform pensioenoverzicht van eiseres’ echtgenoot over 2019, twee pagina’s van de getekende overeenkomst periodieke gift in natura met [stichting] en een schenkingsbevestiging van [stichting] aan eiseres’ echtgenoot.

19. Met dagtekening 18 november 2022 heeft verweerder de primitieve aanslag IB/PVV 2019 conform de door eiseres ingediende aangifte opgelegd.

20. Bij brief met dagtekening 3 oktober 2024 heeft verweerder aangekondigd dat navorderingsaanslagen aan eiseres en haar echtgenoot zullen worden opgelegd. In deze brief staat het volgende:

“Tijdens de beoordeling van de bezwaarschriften tegen de aanslagen IB/PVV 2020 is mij gebleken dat de definitieve aanslagen IB/PVV 2019 tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Mij is namelijk gebleken dat ten onrechte periodieke gift in aftrek is gebracht op het inkomen.”

21. Bij brief met dagtekening 19 oktober 2024 heeft verweerder aan eiseres een navorderingsaanslag IB/PVV 2019 opgelegd. Hierbij is de persoonsgebonden aftrek van € 23.000 verlaagd naar nihil.

IB/PVV 2020

22. Via een e-mail van eiseres’ echtgenoot van 8 juli 2024 heeft hij op de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar en op de voorgestelde data voor een hoorgesprek gereageerd. In deze e-mail is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

(...) “Zoals u begrijpt zijn wij het niet eens met uw voorgenomen beslissing en willen e.e.a. graag in een hoorgesprek toelichten.” (...)

23. In een e-mailbericht van 9 juli 2024 van verweerder aan eiseres’ echtgenoot is – voor zover hier van belang – het volgende is opgenomen:

“(...) Nieuwe data

ik heb voor de volgende data een spreekkamer gereserveerd:

- dinsdag 13 augustus 2024 van 10:30 tot 12:00;

- woensdag 14 augustus 2024 van 10:30 tot 12:00;

- donderdag 15 augustus 2024 van 14:00 tot 15:30. (...)”

24. In een e-mailbericht van 18 juli 2024 van eiseres’ echtgenoot aan verweerder is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(...) Zoals aangegeven in onze brief zullen wij advies inroepen. De betreffende persoon heeft aangegeven niet beschikbaar te zijn op de door u voorgestelde data. Wij verzoeken u vriendelijk een nieuwe datum in te plannen na 16 september. (...)”

25. In een e-mailbericht van 23 juli 2024 van verweerder aan eiseres’ echtgenoot is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(...) In eerste instantie zie ik geen reden om u nogmaals uitstel te verlenen. Immers u had al eerder in de bezwaarprocedure advies kunnen inwinnen bij een adviseur.

Echter mede gelet op de vakantieperiodes, wil ik u een laatste keer in de gelegenheid stellen om gehoord te worden.

Meer specifiek stel ik u in de gelegenheid om gehoord te worden op één van de volgende data:

- woensdag 25 september 2024 van 10:30 tot 12:00 of

- donderdag 26 september 2024 van 10:30 tot 12:00. (...)”

26. In een e-mailbericht van 1 augustus 2024 van eiseres’ echtgenoot aan verweerder is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“ (...) Aan onze kant zou donderdag 26 september 2024 om 10.30 het beste passen. (...)”

27. In een e-mailbericht van 2 augustus 2024 van verweerder aan eiseres’ echtgenoot is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“ (...) Ik heb de betreffende datum en tijdstip in mijn agenda genoteerd. (...)”

28. In een e-mailbericht van 23 september 2024 van verweerder aan eiseres’ echtgenoot is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(...) Afgelopen donderdag ontving ik een e-mail van de heer [naam 10] van [advocatenkantoor] . (...) Daarnaast verzoekt hij mij om het hoorgesprek van aanstaande donderdag te verzetten.

Door middel van deze e-mail maak ik kenbaar dat ik geen reden zie het hoorgesprek te verzetten. In mijn e-mail van 23 juli 2024 heb ik namelijk aangegeven dat ik u nog eenmaal in de gelegenheid bied om gebruik te maken van het hoorrecht (zie ook onderstaande e-mails). Vervolgens hebt u aangegeven dat op 26 september 2024 een hoorgesprek kan plaatsvinden (...)”

Geschil

29. In geschil is of sprake is van aftrekbare periodieke giften. Meer specifiek is in geschil of de geschonken waardepapieren (de converteerbare obligatie) enige waarde had(den) en of - zo sprake is van een gift - is voldaan aan het vereiste van artikel 6.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), namelijk dat de uitkeringen uiterlijk eindigen bij overlijden. Daarnaast is in geschil of verweerder heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 is voorts in geschil of kan worden nagevorderd wegens kwade trouw dan wel een nieuw feit. Met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2020 is tevens in geschil of sprake is van schending van de hoorplicht.

30. Eiseres betoogt dat de periodieke giftenaftrek ten onrechte is gecorrigeerd en stelt zich op het standpunt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids-, vertrouwensbeginsel, de motiveringsplicht, het fair play-beginsel, het verbod op vooringenomenheid en de verplichting tot een volledige heroverweging in de bezwaarfase. Eiseres stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van kwade trouw en dat een nieuw feit ontbreekt, zodat de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 ten onrechte is opgelegd. Met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2020 betoogt eiseres voorts dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Eiseres concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 en vermindering van de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021.

31. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de periodieke giftenaftrek terecht is gecorrigeerd. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur dan wel de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Verweerder stelt dat sprake is van kwade trouw dan wel een nieuw feit zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), op grond waarvan kan worden nagevorderd over 2019. Verder stelt verweerder dat de hoorplicht niet is geschonden in de bezwaarfase inzake de aanslag IB/PVV 2020. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

IB/PVV 2019 – navorderingsaanslag terecht opgelegd (nieuw feit of kwade trouw)?

32. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw feit.

33. Volgens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belanghebbende in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven of het ontbreken daarvan, in redelijkheid behoort te twijfelen (Hoge Raad 6 juni 2001, ECLI:NL:HR:LJN NL2001:AB2890). Voor twijfel is geen aanleiding als de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

34. Nadat eiseres haar aangifte IB/PVV 2019 had ingediend heeft verweerder een verzoek om informatie gestuurd. De rechtbank is van oordeel dat eiseres’ reactie op dit verzoek om informatie voor verweerder geen aanleiding hoefde te geven om een nader onderzoek in te stellen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder had verzocht om een uitgebreide specificatie van het in de aangifte afgetrokken bedrag te sturen met betrekking tot de gift. Eiseres heeft hierop de e-mail van 30 augustus 2021 met bijlagen gestuurd waarbij de [naam 9] -overeenkomst en de aanvullende overeenkomst ontbraken. Gelet op de door eiseres overgelegde informatie behoefde verweerder niet aan de juistheid van de afgetrokken gift in de aangifte IB/PVV 2019 te twijfelen. Verweerder hoefde er ook niet op bedacht te zijn dat eiseres niet alle voor de beoordeling relevante informatie had verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde verweerder dan ook geen nader onderzoek in te stellen. Er is dan ook geen sprake van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat. De rechtbank is van oordeel dat de in aankondiging tot navordering van 3 oktober 2024 genoemde beoordeling van de bezwaarschriften tegen de aanslagen IB/PVV 2020 - waarbij eiseres wel de juiste informatie heeft verstrekt - het nieuwe feit vormt dat navordering rechtvaardigt. De stelling dat sprake is van kwade trouw behoeft geen behandeling. Het beroep van eiseres faalt tot dusverre.

IB/PVV 2020 - schending van de hoorplicht?

35. Voordat uitspraak op bezwaar wordt gedaan heeft de belanghebbende, op grond van artikel 7:2, eerste lid van de Awb, het recht om te worden gehoord. In belastingzaken wordt, op grond van artikel 25, eerste lid, van de AWR, de belastingplichtige gehoord op zijn verzoek.

36. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht is geschonden omdat zij heeft aangegeven gehoord te willen worden en dat niet is gebeurd. Verweerder heeft aangevoerd dat de hoorplicht niet is geschonden, omdat verweerder eiseres voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord.

37. De gemachtigde van eiseres van destijds heeft per e-mail van 19 september 2024 verweerder verzocht het hoorgesprek dat gepland stond op 26 september 2024 uit te stellen, omdat hij nog geen kennis had kunnen nemen van het dossier. Verweerder heeft dit verzoek niet gehonoreerd. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder eiseres opnieuw in de gelegenheid moeten stellen om te worden gehoord op een andere datum. Nu hij dit heeft nagalaten is de rechtbank van oordeel dat de hoorplicht is geschonden en het beroep in zoverre gegrond is. Eiseres heeft ter zitting aangegeven dat de zaak niet hoeft te worden teruggewezen naar verweerder om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen. Eiseres heeft de rechtbank verzocht de zaken inhoudelijk af te doen. De rechtbank zal de beroepen hierna dan ook inhoudelijk beoordelen en de zaak niet terugwijzen.

IB/PVV 2019, IB/PVV 2020 en IB/PVV 2021 - Aftrek periodieke giften?

38. Op grond van artikel 6.32 van de Wet IB 2001 zijn aftrekbare giften periodieke giften of andere giften. Artikel 6.34 van de Wet IB 2001 definieert periodieke giften als giften in de vorm van vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die uiterlijk eindigen bij overlijden, aan instellingen of verenigingen. Giften in natura moeten voor de toepassing van de giftenaftrek worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer (hierna: WEV) (vgl. Hoge Raad 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2825). Onder de WEV moet worden verstaan de prijs die bij aanbieding van een zaak ten verkoop op de voor die zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn betaald (Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:31, r.o. 3.3.1 en Hoge Raad 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2825).

39. Eiseres meent dat sprake is van een periodieke gift in natura. De rechtbank begrijpt uit de (aanvullende) overeenkomst periodieke gift, dat de gift bestaat uit vijf jaarlijkse vaste en gelijkmatige periodieke verstrekkingen van in totaal twee derde van de waarde van de converteerbare obligatie. Het aan de echtgenoot van eiseres toekomende recht op deze converteerbare obligatie is vastgelegd in de [naam 9] -overeenkomst en het addendum daarop en vormt een tegenprestatie voor de door de echtgenoot aan [bedrijf 1] B.V. betaalde contributie/bijdrage van € 100.000. Gelet op de gemotiveerde weerspreking van verweerder rust op eiseres de last te bewijzen dat de converteerbare obligatie ten tijde van de giften in 2019-2021 de door eiseres gestelde waarde had.

40. Eiseres betoogt dat de waarde van de converteerbare obligatie € 1,5 miljoen bedroeg en beroept zich hierbij op het waarderingsrapport van [naam 8] . De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de converteerbare obligatie de door haar gestelde waarde had in 2019-2021. Eiseres miskent dat de waarde van de converteerbare obligatie berust op de waarde van de aandelen [bedrijf 2] BV en niet op de waarde van de aandelen in [bedrijf 4] B.V. Het rapport waarop eiseres zich beroept betreft de waarde van de aandelen in [bedrijf 4] B.V. en deze aandelen vormen niet het voorwerp van de gift. Aan dit rapport komt in dezen dan ook geen betekenis toe. In het dossier ontbreekt een waardering van de converteerbare obligatie en van de onderliggende aandelen [bedrijf 2] BV. Uit de stukken volgt veeleer dat de aandelen in [bedrijf 2] BV geen waarde hadden. Volgens de aangifte Vpb 2020 had [bedrijf 2] BV eind 2020 een negatief eigen vermogen. Gesteld noch gebleken is van enige niet uit de balans blijkende meerwaarde van [bedrijf 2] BV, zoals goodwill of stille reserves. Hierbij dient ervan uit te worden gegaan dat het belangrijkste activum van [bedrijf 2] BV - de deelneming in [bedrijf 4] B.V. - in 2020 is verkregen voor de waarde in het economische verkeer en voor die waarde (de verkrijgingsprijs) op de (fiscale) balans van [bedrijf 2] BV is opgenomen.

41. Uit de bepalingen in de [naam 9] -overeenkomst en het addendum op de [naam 9] -overeenkomst kan evenmin worden opgemaakt dat de converteerbare obligatie ten tijde van de giften enige waarde had. De aanspraken van de participanten zijn uiterst vaag omschreven in de [naam 9] -overeenkomst. Onduidelijk is (gebleven) wat volgens de [naam 9] -overeenkomst is bedoeld met de “equivalente waarde in Euro’s” of met het in de overeenkomst genoemde “exchange bedrag”. Op basis van de [naam 9] -overeenkomst kan niet worden vastgesteld dat de participanten op enig moment recht hebben op het daarin voorgespiegelde rendement van € 1,5 miljoen. Evenmin zijn ten behoeve van de participanten nadere zekerheden gesteld voor de door hen aan [bedrijf 1] B.V. betaalde contributie/bijdrage. In dit verband merkt de rechtbank op dat [bedrijf 2] BV ten tijde van het sluiten van de overeenkomst periodieke gift en de eerste verstrekking op 28 december 2019 nog niet was opgericht, zodat het onderliggende aandeel op dat moment nog niet eens bestond. Pas in het addendum op de [naam 9] -overeenkomst van 29 december 2022, dus nadat de als giften aangemerkte verstrekkingen zouden hebben plaatsgevonden, is bepaald dat de converteerbare obligatie ziet op de aandelen in [bedrijf 2] BV.

42. Uit de [naam 9] -overeenkomst maakt de rechtbank op dat de waarde van de converteerbare obligatie afhankelijk is van een eventuele beursgang van [bedrijf 2] BV (in de [naam 9] -overeenkomst nog [bedrijf 3] NV genoemd). Een dergelijke beursgang heeft tot op heden niet plaatsgevonden en er bestaat ook geen concreet uitzicht hierop. De rechtbank acht deze voorwaarde te onbepaald om enige waarde toe te kennen aan de converteerbare obligatie. De stelling van eiseres dat het in finance gebruikelijk is dat een beursnotering voor een rendement van 500% gaat en dat men voor het risico een beloning van 10 maal de inleg verwacht, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Als een beursgang niet plaatsvindt dan zou de participant volgens de [naam 9] -overeenkomst en het addendum op de [naam 9] -overeenkomst aanspraak kunnen maken op uitkeringen in euro’s in zoverre de liquiditeit van de vennootschap niet in gevaar komt. Niet aannemelijk is geworden dat de liquiditeitspositie van [bedrijf 2] BV uitbetalingen in euro’s toeliet. Blijkens de aangifte Vpb 2020 beschikte [bedrijf 2] BV niet over liquide middelen en gesteld noch gebleken is dat enige uitbetaling in euro’s aan de participanten heeft kunnen plaatsvinden. Voor zover eiseres meent dat de verwachting bestond dat [bedrijf 2] BV in de toekomst voldoende liquide middelen zou verkrijgen heeft eiseres dit niet onderbouwd. Voor het verkrijgen van liquide middelen was [bedrijf 2] BV bovendien afhankelijk van eventuele dividenden van [bedrijf 4] B.V. nu [bedrijf 4] B.V. en niet [bedrijf 2] BV de intellectuele eigendom had van het [bedrijf 3] en de activa van [bedrijf 2] BV nagenoeg geheel bestonden uit de deelneming in [bedrijf 4] B.V. Eiseres heeft gelet op dit een en ander niet aannemelijk gemaakt dat een koper bij aanbieding van de converteerbare obligatie op de meest geschikte wijze, bereid zou zijn een bedrag van € 1,5 miljoen te betalen. Gesteld noch gebleken is dat de converteerbare obligatie enige andere (lagere) waarde had en evenmin heeft eiseres (subsidiair) gesteld dat sprake is van een gewone gift.

43. Gelet op het voorgaande is de giftenaftrek terecht geweigerd en dient voor de converteerbare obligatie te worden uitgegaan van een waarde van nihil. Het gelijk is dus in zoverre aan verweerder. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen over het jaar 2021 dient te worden verminderd omdat de converteerbare obligatie (gedeeltelijk) tot de grondslag voordeel uit sparen en beleggen is gerekend in de aanslag IB/PVV 2021. De rechtbank volgt verweerder in zijn berekening, waarbij de converteerbare obligatie buiten aanmerking wordt gelaten en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen wordt verminderd naar een bedrag van € 19. In zoverre is het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2021 gegrond.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

44. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur (het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het motiveringsbeginsel en het fair-playbeginsel) zijn geschonden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voornoemde beginselen niet zijn geschonden en dat in bezwaar een volledige heroverweging heeft plaatsgevonden.

45. De rechtbank is van oordeel dat geen van de genoemde beginselen is geschonden nu eiseres haar stellingen daarover onvoldoende heeft onderbouwd. Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden omdat door eiseres geen stuk is overgelegd dat blijk geeft van een uitlating of gedraging van verweerder waaraan in redelijkheid enig vertrouwen kan worden ontleend inzake de periodieke giftenaftrek. Van een indruk van een bewuste standpuntbepaling is evenmin sprake. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende in de uitspraak op bezwaar gemotiveerd waarom de geclaimde periodieke giftenaftrek niet wordt geaccepteerd. Gelet op deze motivering is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de eisen van artikel 7:12 van de Awb en heeft een volledige heroverweging plaatsgevonden. De omstandigheid dat eiseres zich niet kan vinden in de uitspraak op bezwaar, leidt niet tot schending van het motiveringsbeginsel. Eiseres verwijst voor haar stelling dat het ‘fair-play beginsel’ is geschonden naar de handelswijze van verweerder die volgens haar de indruk wekt dat het standpunt vooraf vaststond, waardoor geen openheid zou zijn betracht voor een objectieve en onbevooroordeelde beoordeling. Eiseres heeft deze stelling niet onderbouwd dan wel geconcretiseerd. De rechtbank is van oordeel dat ook geen sprake is van schending van het fair play-beginsel.

Slotsom

46. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen inzake de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 (zaaknummers HAA 24/7244 en HAA 25/3355) gegrond te worden verklaard. De aanslag IB/PVV 2020 en de bijbehorende beschikking belastingrente zullen worden gehandhaafd en de aanslag IB/PVV 2021 wordt verminderd conform het bovenstaande. De door verweerder in rekening gebrachte belastingrente wordt verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag IB/PVV 2021. Het beroep inzake de navorderingsaanslag 2019 (HAA 25/3354) zal ongegrond worden verklaard.

Proceskosten en griffierecht

47. Eiseres heeft geen gemachtigde en heeft geen blijk gegeven van andere gemaakte kosten. Dit betekent dat geen proceskosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

48. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het door eiseres betaalde griffierecht door verweerder te worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 (zaaknummer HAA 25/3354) ongegrond.

- verklaart het beroep inzake de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 (zaaknummers HAA 24/7244 en HAA 25/3355) gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag IB/PVV 2020 en laat de rechtsgevolgen van die uitspraak in stand;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag IB/PVV 2021;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2021 tot een berekend belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.672 en een berekend belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 19;

- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar, en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 104 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, en mr. J. Snitker en

M. van Doesburg, leden, in aanwezigheid van mr. F.C. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel