Home

Rechtbank Noord-Holland, 29-01-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1736, HAA - 24 _ 3415

Rechtbank Noord-Holland, 29-01-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1736, HAA - 24 _ 3415

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29 januari 2026
Datum publicatie
27 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:1736
Zaaknummer
HAA - 24 _ 3415
Relevante informatie
Art. 4.12 Wet IB 2001, Art. 27e AWR, Art. 67n AWR, Art. 25 AWR, Art. 8:29 Awb, Art. 8:36c Awb, Awb, Wet rechtsherstel box 3 [Tekst geldig vanaf 19-07-2025]

Inhoudsindicatie

Ib/pvv; geslaagd beroep op interne compensatie; reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang in limiteds; verzwegen buitenlandse bankrekeningen en contant geld box 3; vergrijpboeten.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 24/3415, HAA 24/3416, HAA 24/3417, HAA 24/4114, HAA 24/4115, HAA 24/4116, HAA 24/4118 en HAA 24/4119

en

Procesverloop

HAA 24/4114 (navorderingsaanslag IB/PVV 2010)

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2010 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (hierna: navorderingsaanslag IB/PVV 2010), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.522, alsmede een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.453. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 3.802 en is € 7.583 heffingsrente in rekening gebracht.

HAA 24/4115 (navorderingsaanslag IB/PVV 2011)

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2011 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd (hierna: navorderingsaanslag IB/PVV 2011), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.088, alsmede een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.086. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 3.637 en is € 4.457 heffingsrente in rekening gebracht.

HAA 24/4116 (aanslag IB/PVV 2012)

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2012 een aanslag IB/PVV opgelegd (hierna: aanslag IB/PVV 2012), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.814. Vervolgens heeft verweerder aan eiser over het jaar 2012 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.814, alsmede een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.849. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 3.081 en is € 564 belastingrente in rekening gebracht.

HAA 24/4118 (navorderingsaanslag IB/PVV 2013)

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd (hierna: navorderingsaanslag IB/PVV 2013), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.954, alsmede een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.048. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 2.721 en is € 7.209 belastingrente in rekening gebracht.

HAA 24/4119 (navorderingsaanslag IB/PVV 2014)

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2014 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd (hierna: navorderingsaanslag IB/PVV 2014), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.190, alsmede een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.547. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 2.046 en is € 2.661 belastingrente in rekening gebracht.

HAA 24/3415 (aanslag IB/PVV 2015)

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2015 een aanslag IB/PVV opgelegd (hierna: aanslag IB/PVV 2015), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.552, alsmede een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.256. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 3.265 en is € 2.476 belastingrente in rekening gebracht.

HAA 24/3416 (aanslag IB/PVV 2016)

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2016 een aanslag IB/PVV opgelegd (hierna: aanslag IB/PVV 2016), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.518, alsmede een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.284. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 1.926 en is € 1.739 belastingrente in rekening gebracht.

HAA 24/3417 (aanslag IB/PVV 2017)

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2017 een aanslag IB/PVV opgelegd (hierna: aanslag IB/PVV 2017), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.215, alsmede een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.577. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 1.609 en is € 1.275 belastingrente in rekening gebracht.

Alle zaken

Bij uitspraken op bezwaar van 26 januari 2024 (jaren 2015 tot en met 2017) respectievelijk 2 februari 2024 (jaren 2010 tot en met 2014) zijn de bezwaren gegrond verklaard, de (navorderings)aanslagen verminderd overeenkomstig hetgeen hierna onder 10. wordt vermeld, en de vergrijpboetes verminderd tot 20% van de box 3 belasting.

Eiser heeft beroepen ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft ten aanzien van bijlage 34 bij het verweerschrift een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar aanleiding van dit verzoek van verweerder heeft de rechtbank de zaak in handen gesteld van de geheimhoudingskamer. De geheimhoudingskamer heeft op 6 oktober 2025 beslist dat de door verweerder gevraagde beperking van kennisneming van de zwart gemaakte delen van deze bijlage gerechtvaardigd is.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026.

Eiser is niet verschenen. Eiser procedeert digitaal. De uitnodiging voor de zitting is op 18 december 2025 in het digitale systeem van de rechtbank geplaatst. Tegelijk is aan eiser op 18 december 2025 hiervan een notificatiebericht gestuurd. In overeenstemming met artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet eiser geacht worden de uitnodiging daarmee te hebben ontvangen (vgl. Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:158). Eiser is daarom op de juiste wijze uitgenodigd zodat de behandeling ter zitting doorgang kon vinden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [naam 1] en mr. [naam 2] .

Overwegingen

Feiten

Algemeen

1. Eiser is gerechtigd geweest tot de volgende rekeningen in Zwitserland en Luxemburg:

Bank

Rekeningnummer

[Bank 1]

[# 1]

[Bank 2]

[# 2]

[Bank 2]

[# 3]

[Bank 2]

[# 4]

[Bank 2]

[# 5]

2. De rekeningen met nummers [# 2] , [# 3] en [# 5]

stonden op naam van [bedrijf 1] Limited respectievelijk [bedrijf 2]

en [bedrijf 3] Limited . Bij e-mail van 12 oktober 2017 aan verweerder heeft de (destijds) gemachtigde van eiser hierover geschreven:

‘In Luxemburg hield belanghebbende rekeningen aan bij [Bank 2] en [Bank 2] waarbij, na afschaffing van de nummerrekeningen, zogeheten plankvennootschappen zijn gebruikt voor de tenaamstelling van de Luxemburgse rekeningen (het door u genoemde [bedrijf 3] Limited en [bedrijf 1] die, naar belanghebbende zich meent te herinneren, (destijds) [vestigingsplaats] gevestigd waren). Behoudens de tenaamstelling zijn deze vennootschappen belanghebbende overigens niet van nut geweest. Om dat de afstand van Nederland tot Luxemburg kleiner is dan die tot Zwitserland heeft belanghebbende soms geld uit Zwitserland naar Luxemburg over laten boeken om het vervolgens aldaar contant op te nemen.’

In de brief van 5 maart 2018 van de (destijds) gemachtigde van eiser staat over deze vennootschappen:

‘Voor zover belanghebbende bekend, zijn voor deze vennootschappen geen

jaarrekeningen opgemaakt en is hij de enige bestuurder en aandeelhouder

geweest. Belanghebbende heeft in zijn hoedanigheid van bestuurder niet met

zichzelf gecorrespondeerd.’

3. De rekeningen hadden de volgende saldi:

Peildatum

[# 1] (€)

[# 2] (€)

[# 3] (€)

[# 4] (€)

[# 5]

(€)

Totaal (€)

2010

147.260

39.547

5.792

42.734

27.745

262.808

2011

110.582

47.584

5.524

48.543

32.214

244.447

2012

109.489

37.880

4.810

46.952

14.870

214.001

2013

84.606

36.466

4.074

47.325

21.018

193.489

2014

46.710

24

0

89.311

19.931

155.976

4. In 2013 en 2014 zijn alle rekeningen gesloten, waarbij de saldi contant zijn opgenomen. Het saldo van de rekening bij [Bank 1] heeft eiser via een rechtspersoon uit [land] ( [bedrijf 4] Limited ) overgeboekt naar de rekening met nummer [# 6] . Eiser heeft verklaard dat hij vreesde dat bij een rechtstreekse overboeking naar Nederland de rekening bij [Bank 1] zichtbaar zou worden voor de Belastingdienst.

5. Op 9 december 2015 ontving verweerder een melding vrijwillige verbetering, waarin namens eiser melding werd gemaakt van niet-aangegeven vermogen in het buitenland

6. Bij schrijven met dagtekening 17 december 2015 heeft verweerder aan eiser nadere vragen gesteld en daarbij verzocht om onderbouwende stukken toe te sturen.

7. Op 18 juli 2018 geeft verweerder een informatiebeschikking af voor de jaren 2006 tot en met 2017. Eiser heeft bezwaar tegen de informatiebeschikking gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 26 maart 2020 heeft verweerder genoemd:

De Belastingjaren 2010 tot en met 2017

De informatiebeschikking heeft eveneens betrekking op de jaren 2010 tot en met

2017. De onderstaande vragen zijn tot op heden niet of onvoldoende beantwoord.

“1. Een specificatie van alle opbrengsten van uw cliënt, uitgesplitst per jaar en per opdrachtgever;

2. Alle facturen ten aanzien van de door uw cliënt verrichte werkzaamheden;

3. Een overzicht van alle opdrachtgevers (naam, adres en woon/vestigingsplaats);

4. Op welke rekeningen werden de betalingen van de opdrachtgevers aan uw cliënt gestort? Ik verzoek u de onderliggende banktransacties toe te zenden.

Doordat deze vragen niet of onvoldoende zijn beantwoord, stel ik dat sprake is

van omkering en verzwaring van de bewijslast op grond van artikel 25, lid 3, AWR

en artikel 27e, lid 1, AWR. De inspecteur is naar mijn mening voldoende

meewerkend geweest.”

Tegen deze uitspraak is geen beroep ingesteld zodat de informatiebeschikking in zoverre onherroepelijk is geworden.

8. Per brief van 29 juli 2020 stuurt verweerder naar eiser een aankondiging van de (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 2010 tot en met 2017. Tevens worden vergrijpboetes aangekondigd omdat eiser opzettelijk onjuiste aangiftes IB/PVV 2010 tot en met 2017 heeft gedaan door (buitenlandse) vermogensbestanddelen niet in zijn aangiftes op te nemen.

9. Bij het opleggen van de (navorderings)aanslagen zijn de volgende correcties aangebracht, waarbij wat betreft box 3 het saldo aan buitenlandse bankrekeningen dat tot de bezittingen van eiser moet worden gerekend is vermeld:

Jaar

Dagtekening

Box 1 (€)

Box 3 (€)

Vergrijpboete box 3 (€)

2010

14-10-2020

36.127

253.336

3.802

2011

14-10-2020

27.181

244.447

3.637

2012

19-09-2020

-

214.001

3.081

2013

03-10-2020

59.295

193.489

2.721

2014

03-10-2020

25.400

155.976

2.046

2015

25-09-2020

29.041

155.976

3.265

2016

25-09-2020

26.251

155.976

1.926

2017

20-10-2020

27.706

155.976

1.609

10. Bij uitspraken op bezwaar zijn de correcties box 1 voor alle jaren met uitzondering van het jaar 2015 verminderd, en de correcties box 3 in stand gebleven. De navorderingsaanslag IB/PVV 2012 is vernietigd, en de aanslag IB/PVV 2012 is verminderd. Tevens zijn de vergrijpboetes vanwege de bijzondere omstandigheden van eisers geval tot 25% van de box 3 belasting verlaagd, waarna een verdere reductie tot 20% heeft plaatsgevonden vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Dit kan als volgt worden weergegeven (correcties in box 1, de bijtelling bezittingen in box 3, en de vergrijpboetes):

Jaar

Dagtekening

Box 1 (€)

Box 3 (€)

Vergrijpboete box 3 (€)

2010

02-02-2024

17.106

253.336

506

2011

02/02-2024

16.310

244.447

484

2012

02-02-2024

0

214.001

410

2013

02-02-2024

51.176

193.489

362

2014

02-02-2024

25.400

155.976

272

2015

26-01-2024

0

155.976

435

2016

26-01-2024

0

155.976

256

2017

26-02-2024

0

155.976

214

11. Bij brief met dagtekening 16 oktober 2024 ontvangt eiser van verweerder een verminderingsbeschikking IB/PVV 2017 in verband met de Wet rechtsherstel box 3. Het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 32.509 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 254. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd en de vergrijpboete is verminderd naar € 15.

Geschil

12. In geschil is of de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2017 tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of het inkomen uit sparen en beleggen bij de aanslagen tot de juiste bedragen is vastgesteld. Eiser stelt niet over deze vermogensbestanddelen te beschikken. Eiser heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het bij de uitspraken op bezwaar vastgesteld inkomen uit winst en woning.

Beoordeling van het geschil

Jaren 2010 tot en met 2014

13. De saldi op de Zwitserse en Luxemburgse bankrekeningen in de jaren 2010 tot en met 2014 zijn afkomstig van door eiser overgelegde gegevens. Eiser heeft erkend (zie onder 2. hiervoor) gerechtigd tot deze bankrekeningen te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom terecht de daaraan toe te rekenen inkomsten bij eiser in de belastingheffing betrokken.

14. In zijn verweerschrift en ook ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat voor zover de Luxemburgse bankrekeningen op naam stonden van [bedrijf 1] Limited , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] Limited (hierna: de limiteds), geen sprake is van inkomsten uit sparen en beleggen, maar van reguliere voordelen uit een aanmerkelijk belang. Belast worden ingevolge de wettelijke regeling de jaarlijkse overige reguliere voordelen voor zover zij het jaarlijkse forfaitair rendement overtreffen. Eiser was enig aandeelhouder en bestuurder van deze limiteds en kon over de bankrekeningen beschikken, zo heeft hij erkend. Verweerder stelt dat het forfaitair voordeel c.q. de door eiser aan de limiteds onttrokken bedragen in de jaren 2010 tot en met 2014 bij hem moeten worden belast als winst uit een aanmerkelijk belang op grond van artikel 4.12 Wet IB 2001. Met een beroep op interne compensatie komt verweerder tot de conclusie dat de (navorderings-)aanslagen 2010 tot en met 2014, zoals verminderd bij uitspraken op bezwaar, eerder te laag dan te hoog zijn vastgesteld. Eiser heeft niet op dit betoog van verweerder gereageerd.

15. De rechtbank overweegt als volgt. In beroep kan door verweerder een beroep worden gedaan op zogenoemde interne compensatie. De rechtbank kan dan, ook al is de klacht van eiser gegrond, de aanslagen handhaven indien hij oordeelt dat deze op het door verweerder aangevoerde en zo nodig bewezen punt inderdaad moet worden herzien in het nadeel van de belastingplichtige. Daarbij geldt de beperking dat de aanslagen niet hoger kunnen worden vastgesteld dan het bedrag waarop deze bij de uitspraken op bezwaar waren gesteld. Interne compensatie is slechts dan niet mogelijk indien dit ondubbelzinnig zou zijn prijsgegeven, dan wel in beroep zou zijn aangevoerd onder zodanige omstandigheden dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde (vgl. Hoge Raad 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD9713 en Hoge Raad 3 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3831). De rechtbank is van oordeel dat van dit laatste geen sprake is, nu verweerder dit standpunt in het verweerschrift heeft ingenomen, dit gebaseerd is op dezelfde onderliggende feiten, namelijk het aanhouden van buitenlandse bankrekeningen waarvan eiser erkend heeft daarover kon beschikken, en eiser de gelegenheid heeft gehad op dit standpunt te reageren, hetgeen hij niet gedaan heeft.

16. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de inkomsten afkomstig van de op naam van de limiteds aangehouden bankrekeningen dienen te worden belast als reguliere voordelen uit een aanmerkelijk belang. Uit de door eiser overgelegde gegevens volgt dat de belasting over de reguliere voordelen uit een aanmerkelijk belang ten aanzien van deze limiteds als volgt kan worden vastgesteld:

- 2010 € 11.557

- 2011 € 9.305

- 2012 € 4.176

- 2013 € 14.118

- 2014 € 8.882.

Hieruit volgt dat de verschuldigde belasting in de betreffende jaren hoger is, dan vastgesteld bij uitspraken op bezwaar, zodat de (navorderings-)aanslagen 2010 tot en met 2014, zoals verminderd bij uitspraken op bezwaar, dienen te worden gehandhaafd.

Jaren 2015 tot en met 2017

17. In 2014 zijn alle hiervoor genoemde buitenlandse bankrekeningen gesloten en heeft eiser een bedrag van € 155.976 contant opgenomen van deze rekeningen. Nu eiser desgevraagd geen onderbouwing heeft gegeven van zijn stelling dat hij dit bedrag in de loop van de jaren geconsumeerd heeft, heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser dit bedrag ook in 2015 tot en met 2017 nog tot zijn beschikking had. Uit de door eiser overgelegde afschriften van zijn binnenlandse bankrekeningen volgt dat in 2015 € 15.190, in 2016 € 17.440, in 2017 € 26.170 en in 2018 € 31.070 op deze bankrekeningen gestort is. Eiser heeft geen inzicht in de herkomst van deze stortingen gegeven, anders dan dat hij gesteld heeft dat hij contant ontvangen opbrengsten van werkzaamheden op zijn bankrekening stortte. Nu eiser in 2014 een bedrag van € 155.976 contant heeft opgenomen van zijn buitenlandse bankrekeningen, geen inzicht heeft gegeven in de aanwending van dit bedrag, en evenmin in de herkomst van de middelen die in 2015 tot en met 2017 op zijn Nederlandse bankrekening zijn gestort, is de rechtbank van oordeel dat het bewijsvermoeden gerechtvaardigd is dat eiser het in 2014 van de buitenlandse bankrekeningen opgenomen bedrag van € 155.976 ook in 2015 tot en met 2017 nog tot zijn beschikking had. Eiser heeft dit bewijsvermoeden niet weten te ontzenuwen, zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk heeft gemaakt dat de aan dit bedrag toe te rekenen inkomsten dienen te worden betrokken in het inkomen uit sparen en beleggen in die jaren. Dit vermoeden volgt uit de door verweerder voorafgaande aan de zitting ingenomen standpunten en eiser heeft voldoende gelegenheid gehad dit vermoeden te ontzenuwen (vgl. HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354). Het feit dat eiser niet ter zitting is verschenen en nauwelijks iets heeft ingebracht tegenover de gemotiveerde stellingen van verweerder, dient dan ook voor rekening van eiser te blijven.

18. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met toepassing van de normale bewijslastverdeling de (navorderings)aanslagen, met inachtneming van de verminderingsbeschikking voor het jaar 2017, in stand kunnen blijven. De bewijsrechtelijke gevolgen van de informatiebeschikking behoeven geen bespreking meer.

Vergrijpboeten – vrijwillige inkeer?

19. Verweerder heeft aan eiser vergrijpboetes opgelegd op de grond dat eiser opzettelijk onjuiste aangiften heeft ingediend. Verweerder heeft vergrijpboetes opgelegd van 150% van de verschuldigde box 3-belasting, maar deze bij uitspraken op bezwaar verregaand gematigd tot 20%, daarbij ook rekening houdend met een vermindering van 20% wegens undue delay. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder erin geslaagd te doen blijken dat het aan opzet van eiser is te wijten dat hij in de onderhavige jaren onjuiste aangiften heeft ingediend. De rechtbank motiveert dit als volgt. Eiser heeft vermogen aangehouden op een vijftal buitenlandse bankrekeningen in landen waar een bankgeheim gold, en vanaf 2014 had hij een aanzienlijk bedrag in contanten onder zich. Hij ontving op de buitenlandse rekeningen inkomsten van derden voor verrichte IT- en marketingwerkzaamheden. Toen in Luxemburg nummerrekeningen niet meer mogelijk waren, heeft hij de rekeningen op naam van limiteds gezet. In 2014 heeft hij een bedrag van € 155.976 contant opgenomen en onder zich gehouden. Hij heeft de op de buitenlandse bankrekeningen ontvangen inkomsten van werkzaamheden en het hem ter beschikking staande vermogen niet vermeld in zijn aangiften. Dat het aanwezig hebben van de contanten vanaf 2015 is gebaseerd op een niet ontzenuwd bewijsvermoeden zoals hiervoor onder 17. overwogen maakt dit niet anders (vgl. Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063).

20. Voor zover eiser zich erop beroept dat hij vrijwillig is ingekeerd overweegt de rechtbank het volgende. Voor een geslaagd beroep op de inkeerregeling van artikel 67n van de AWR is vereist dat eiser is ingekeerd vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat verweerder met de onjuistheid of onvolledigheid van zijn aangifte bekend is of bekend zal worden. Van belang is daarbij dat niet beslissend is of eiser subjectief gezien vermoedde dat verweerder van die onjuistheid of onvolledigheid op de hoogte zou komen, maar of hij dit objectief gezien redelijkerwijs moest vermoeden (vgl. Hoge Raad 2 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1375).

21. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat geen sprake is van vrijwillige inkeer. In 2014 is eiser door de Zwitserse bank geïnformeerd dat zijn bankgegevens met de Belastingdienst gedeeld zouden gaan worden. Op 27 september 2015 werd in de Nederlandse media bekend dat de Nederlandse belastingdienst bij de Zwitserse belastingdienst informatie had opgevraagd over rekeninghouders bij [Bank 1] . Eerst na die datum, op 9 december 2015, heeft eiser de melding over de bankrekening bij [Bank 1] ingediend. Bovendien is bij die melding geen melding gemaakt van de Luxemburgse bankrekeningen van eiser en de op die rekeningen genoten inkomsten uit werkzaamheden. Hier is pas informatie over verstrekt nadat verweerder meerdere malen vragen had gesteld naar aanleiding van transacties op de bankrekening bij [Bank 1] . Van een vrijwillige inkeer is dan ook geen sprake.

22. Aan de vergrijpboetes is ten grondslag gelegd dat eiser opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat nu hij in beroep stelt dat het inkomen dat van de limiteds ontvangen is in box 2 belastbaar is, en niet in box 3, de boetes in zoverre dienen te vervallen. De rechtbank volgt verweerder daarin. Dit betekent dat de boetes voor de jaren 2010 tot en met 2014 als volgt dienen te worden vastgesteld:

2010 72.814/262.808 x € 506 = € 140 vermindering tot € 366;

2011 85.822/243.865 x € 484 = € 170 vermindering tot € 314;

2012 57.560/214.001 x € 410 = € 110 vermindering tot € 300;

2013 61.588/193.489 x € 362 = € 115 vermindering tot € 247;

2014 19.955/155.976 x € 272 = € 34 vermindering tot € 238.

De boetes zoals verminderd bij uitspraken op bezwaar voor de jaren 2015 en 2016, alsmede bij verminderingsbeschikking 2017 dienen gehandhaafd te worden. De rechtbank acht de aldus vastgestelde boetes voor de jaren 2010 tot en met 2017 passend en geboden.

Slotsom

23. De slotsom luidt dat de beroepen voor zover deze de (navorderings-)aanslagen 2010 tot en met 2014 betreffen gegrond dienen te worden verklaard, maar uitsluitend wat betreft de vergrijpboetes, de beroepen betreffende de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 ongegrond dienen te worden verklaard, en het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2017 gegrond dient te worden verklaard, waarbij de aanslag en de vergrijpboete worden verminderd overeenkomstig de verminderingsbeschikking van 26 oktober 2024.

Proceskosten

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Wel dient het door eiser betaalde griffierecht te worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart de beroepen met zaaknummers HAA 24/4114 tot en met HAA 24/4116, HAA 24/4118, HAA 24/4119 en het beroep met zaaknummer HAA 24/3417 gegrond;

-

verklaart de beroepen met zaaknummers HAA 24/3415 en HAA 24/3416 ongegrond;

-

vernietigt de uitspraken op bezwaar in de beroepen met zaaknummers HAA 24/4114 tot en met HAA 24/4116, HAA 24/4118 en HAA 24/4119, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde vergrijpboetes en handhaaft deze voor het overige;

-

vermindert de vergrijpboetes tot de navolgende bedragen: HAA 24/4114 € 366, HAA 24/4115 € 314, HAA 24/4116 € 300, HAA 24/4118 € 247 en HAA 24/4119
€ 238;

-

vernietigt de uitspraak op bezwaar in de zaak met zaaknummer HAA 24/3417 en vermindert de aanslag, de belastingrente en de vergrijpboete overeenkomstig de verminderingsbeschikking van 28 oktober 2024;

-

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde (gedeeltes van de) uitspraken op bezwaar;

-

gelast verweerder het betaalde griffierecht van in totaal €102 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. M.E. Kiers, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel