Home

Rechtbank Noord-Holland, 05-02-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1907, HAA - 23 _ 4291

Rechtbank Noord-Holland, 05-02-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1907, HAA - 23 _ 4291

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
5 februari 2026
Datum publicatie
2 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:1907
Zaaknummer
HAA - 23 _ 4291
Relevante informatie
Art. 3.81 Wet IB 2001, Art. 4.12 Wet IB 2001, Art. 19b Wet LB, Art. 27e AWR

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Vereiste aangifte niet gedaan. Winstuitdeling. Pensioenaanspraak ten onrechte als loon uit een vroegere dienstbetrekking in de heffing betrokken.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 23/4291 en HAA 23/4292

(gemachtigde: mr. P.I. Vijzelman),

en

Procesverloop

HAA 23/4291 (primitieve aanslag)

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 386.995 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van
€ 19.057.190. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft verweerder € 437.582 heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar (door verweerder aangeduid als verminderingsbeschikking) de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 3.219.872 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.693.201. De heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd tot € 180.547.

HAA 23/4292 (navorderingsaanslag)

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 3.509.025 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 25.726.355. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft verweerder € 624.406 revisierente en € 1.380.417 heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag verminderd tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van
€ 386.995 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 19.057.190. De heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd tot € 220.155 en de revisierente van
€ 624.406 is gehandhaafd.

Beide zaken

Eiser heeft beroepen ingesteld tegen de hiervoor genoemde uitspraken op bezwaar.

Verweerder heeft in één geschrift vervatte verweerschriften ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026 te Haarlem. Eiser is zonder zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser woonde tot 11 december 2009 in [plaats] en is vervolgens naar [land] geëmigreerd. Hij stond tot 1 maart 2019 in [land] ingeschreven. Hierna is eiser naar Nederland geremigreerd. Vanaf 1 februari 2021 stond eiser ingeschreven op een adres in [woonplaats] .

2. Eiser was gedurende 2009 enig aandeelhouder van de vennootschappen [X] B.V. (hierna: [X] B.V.) en [Y] B.V. Verder was eiser in 2009 (mede)bestuurder van [X] B.V. en Pensioenstichting [A] . Tot 10 december 2009 was eiser bestuurder van [Y] B.V.

3. [X] B.V. heeft haar pensioenverplichting jegens eiser en zijn echtgenote per 1 november 2009 overgedragen aan Pensioenstichting [A] . De door [X] B.V. verschuldigde overdrachtsprijs bedroeg € 3.122.030 en is door [X] B.V. voor een bedrag van € 2.922.030 schuldig gebleven onder nader overeen te komen voorwaarden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in een op 18 november 2009 gesloten leningsovereenkomst tussen [X] B.V. en Pensioenstichting [A] , waarin is vermeld dat Pensioenstichting [A] per 1 november 2009 een geldlening van € 2.922.030 aan [X] B.V. heeft verstrekt (hierna: de lening).

4. Het gerechtshof Amsterdam heeft in de zaak tussen Pensioenstichting [A] en verweerder over de vennootschapsbelasting voor het jaar 2011 geoordeeld dat de lening kwalificeert als een onzakelijke lening (hof Amsterdam 18 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1500). Daarbij achtte het gerechtshof onder meer aannemelijk dat [X] B.V. ten tijde van het aangaan van de lening insolvabel was.

5. In de jaarrekening van [Y] B.V. voor het jaar 2009 is vermeld dat de vordering van [Y] B.V. op eiser gedurende het jaar 2009 met € 5.277.418 is toegenomen. Het eigen vermogen van [Y] B.V. per 31 december 2009 bedroeg volgens deze jaarrekening € 22.549.138.

6. Eiser heeft met dagtekening 3 december 2012 een aangiftebiljet ib/pvv voor het jaar 2009 ingediend. Hij heeft hierin de volgende posten voor box 1 en box 2 vermeld:

Loon

[X] B.V.

€ 286.995

Inkomsten uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen

€ 6.541

Saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning

€ 195.694 (negatief)

Voordeel uit aanmerkelijk belang

€ 11.407 (negatief)

Te conserveren inkomen waarde van opgebouwde pensioenaanspraken in Nederland

Pensioen in eigen beheer

€ 3.111.976

Te conserveren inkomen vervreemdingsvoordeel bij emigratie

Aanmerkelijk belang [X] B.V. en [Y] B.V.

€ 24.042.209

7. Met dagtekening 28 december 2012 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2009 aan eiser opgelegd. In afwijking van de aangifte heeft verweerder deze berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 386.995 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 19.057.190. Het in aanmerking genomen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang ziet volledig op een door verweerder verondersteld aanmerkelijk belang in Spinoza trust.

8. Bij brief van 18 november 2019 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat eiser op korte termijn een navorderingsaanslag ib/pvv voor het jaar 2009 en een beschikking revisierente zou ontvangen. Verweerder heeft in deze brief toegelicht dat hieraan de volgende correcties ten grondslag liggen:

- Verweerder heeft eisers pensioenaanspraak voor een bedrag van € 3.122.130 aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking;

- Verweerder heeft een winstuitdeling van € 1.391.747 van [X] B.V. aan eiser in aanmerking genomen; en

- Verweerder heeft een winstuitdeling van € 5.277.418 van [Y] B.V. aan eiser in aanmerking genomen.

9. Met dagtekening 19 november 2019 heeft verweerder een navorderingsaanslag ib/pvv 2009 aan eiser opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 3.509.025 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 25.726.355. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft verweerder € 624.406 revisierente en € 1.380.417 heffingsrente in rekening gebracht.

10. Naar aanleiding van eisers bezwaarschriften tegen de aanslag ib/pvv 2009 en navorderingsaanslag ib/pvv 2009 heeft verweerder beide aanslagen en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente verminderd. De aanslag ib/pvv 2009 is, zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van
€ 3.219.872 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.693.201. Verweerder heeft daarbij zijn correctie van € 3.122.130 aan loon uit een vroegere dienstbetrekking en een winstuitdeling van [Y] B.V. aan eiser tot een bedrag van
€ 1.727.418 gehandhaafd.

Geschil
11. In geschil is of de aanslag ib/pvv 2009, zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar, naar het juiste bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is hierbij in geschil of:

- de pensioenaanspraak van eiser terecht op grond van artikel 19b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2009; hierna: de Wet LB) als loon uit een vroegere dienstbetrekking in aanmerking is genomen; en

- sprake is van een winstuitdeling van € 1.727.418 van [Y] B.V. aan eiser.

Verder is in geschil of verweerder terecht revisierente in rekening heeft gebracht.

12. Eiser stelt dat [X] B.V. in 2009 over een positief eigen vermogen van € 1.700.000 beschikte en daarmee solvabel was. Volgens eiser is daarom geen sprake van fictieve afkoop van het pensioen in eigen beheer. Verder betoogt eiser dat geen sprake is van een winstuitdeling van € 1.727.418, maar van een geldlening. Zelfs indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat sprake is van een winstuitdeling, kan dit volgens eiser niet tot belastingheffing hierover leiden. Ter onderbouwing voert eiser aan dat hij en zijn echtgenote ten tijde van de gestelde uitdeling al waren geëmigreerd, zij tien jaar in het buitenland hebben gewoond en dat een conserverende aanslag daarom dient te vervallen.

13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de pensioenvoorziening in 2009 feitelijk voorwerp van zekerheid is geworden en dat eisers pensioenaanspraak daarom terecht als loon uit een vroegere dienstbetrekking in aanmerking is genomen. Ter onderbouwing verwijst verweerder naar de onder 4 aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam en voert hij aan dat door insolvabiliteit van [X] B.V. en het onzakelijke karakter van de lening geen activa op de balans van Pensioenstichting [A] staan die als zekerheid kunnen dienen om pensioen uit te keren aan eiser. Volgens verweerder is de toekomstige pensioenuitkering onzekerder geworden door de pensioenoverdracht. Verder is verweerder van mening dat hij terecht een winstuitdeling van € 1.727.418 van [Y] B.V. aan eiser in de heffing heeft betrokken.

Beoordeling van het geschil

Verzoeken om uitstel van het onderzoek ter zitting
14. Partijen zijn aanvankelijk uitgenodigd voor de zitting van 4 december 2024. Op verzoek van eiser is die zitting niet doorgegaan en zijn de zaken lange tijd aangehouden vanwege overleg tussen eiser, verweerder en de ontvanger van de Belastingdienst (hierna: de Ontvanger). Vervolgens zijn partijen op 13 november 2025 uitgenodigd voor de zitting van 15 januari 2026. De gemachtigde van eiser heeft op 13 november 2025, 2 januari 2026 en (tweemaal op) 5 januari 2026 om uitstel van deze zitting verzocht. De rechtbank heeft de uitstelverzoeken telkens afgewezen. Eiser is ter zitting verschenen en heeft het uitstelverzoek niet herhaald. Nu eiser zonder gemachtigde ter zitting is verschenen ziet de rechtbank evenwel aanleiding om rekenschap te geven van de bij de afwijzing van het uitstelverzoek gemaakte belangenafweging.

15. In het uitstelverzoek van 13 november 2025 heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat hij nog een afspraak met eiser moest inplannen en dat eiser zich op de zittingsdatum waarschijnlijk in het buitenland zou bevinden. Vervolgens heeft hij in het uitstelverzoek van 2 januari 2026 betoogd dat de zaken niet rijp zijn voor zitting. Hierbij heeft hij - kort samengevat - aangevoerd dat verweerder de bijlagen bij het verweerschrift niet heeft verstrekt, hij zonder de bijlagen geen effectief verweer kan voeren, het voeren van verweer dossierinzicht en tijd vergt en er een afzonderlijk verzoek bij de Ontvanger loopt met betrekking tot oude belastingschulden. Bij brief van 5 januari 2026 heeft gemachtigde de rechtbank medegedeeld dat hij inmiddels alle stukken van verweerder per e-mail heeft ontvangen en het niet mogelijk is alles nog op diezelfde dag zorgvuldig te verwerken en met eiser te bespreken. Aangezien het al de laatste dag van de zogenoemde tiendagentermijn voor nadere stukken betrof, achtte gemachtigde de behandeling van de zaken op korte termijn onwenselijk en heeft hij wederom om uitstel van het onderzoek ter zitting verzocht. Afwijzing van dit verzoek heeft op 5 januari 2026 tot een herhaald uitstelverzoek geleid, waarin gemachtigde nogmaals heeft betoogd dat de zitting moet worden uitgesteld vanwege de late ontvangst van de stukken.

16. De rechtbank motiveert de afwijzing van de uitstelverzoeken als volgt. Uit het uitstelverzoek van 13 november 2025 volgt niet dat eiser zich niet op de zitting kon voorbereiden of dat hij niet op de zitting aanwezig kon zijn. De overige uitstelverzoeken leiden evenmin tot de conclusie dat eiser (of zijn gemachtigde) zich niet kon voorbereiden op de zitting. De rechtbank licht dit als volgt toe. Eiser procedeert digitaal. De bijlagen bij het verweerschrift zijn op 17 mei 2024 in het digitale systeem van de rechtbank geplaatst. Hiervan is op 17 mei 2024 een notificatiebericht aan eiser gestuurd. Op 24 februari 2025 is eenzelfde notificatiebericht aan de gemachtigde van eiser gestuurd. De rechtbank acht niet geloofwaardig dat (de gemachtigde van) eiser desondanks pas op 5 januari 2026 de beschikking heeft gekregen over de stukken. Indien deze stukken bij toezending van het verweerschrift ontbraken, had het op de weg van (de gemachtigde van) eiser gelegen om op dat moment aan de bel te trekken en niet pas voor het eerst na de afwijzing van een uitstelverzoek. Eiser en zijn gemachtigde hebben ruim de tijd gehad om kennis te nemen van alle gedingstukken en zich op de zitting voor te bereiden. Verder hecht de rechtbank belang aan een vlotte voortgang van de onderhavige procedure aangezien deze al geruime tijd bij de rechtbank aanhangig is, de zaken al eerder op zitting waren ingepland en deze op verzoek van eiser reeds lange tijd zijn aangehouden (zie onder 14).

Verjaring

17. Voor zover eiser betoogt dat de aanslag ib/pvv 2009 en de onderhavige rentebeschikkingen moeten worden vernietigd vanwege verjaring, kan de rechtbank hem niet volgen. Dit standpunt vindt immers geen steun in het recht. De rechtbank zal de beroepen daarom inhoudelijk behandelen. Voor zover eisers betoog betrekking heeft op de bevoegdheid van de Ontvanger om openstaande schulden in te vorderen, merkt de rechtbank op dat dit niet aan de orde kan worden gesteld in deze procedure.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

18. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser de vereiste aangifte heeft gedaan. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast).

19. Omkering van de bewijslast is dwingend voorgeschreven en dient te worden toegepast indien de vaststaande feiten daartoe aanleiding geven (vgl. HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1150). Dit betekent dat de rechter ambtshalve moet nagaan of is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor de toepassing daarvan. De rechtbank heeft dit ter zitting aan eiser voorgehouden en hem in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

20. Voor de heffing van ib/pvv (hierna ook: belasting) geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven (zie HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083 en HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083). Bij de vereiste bewustheid geldt dat kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat in dit verband aan die belastingplichtige moeten worden toegerekend (zie HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663).

21. De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de inspecteur gehouden is bij het vaststellen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van de belastingplichtige. Het vereiste van een redelijke schatting strekt ertoe, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld (vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). In dat kader rust op verweerder de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan (vgl. HR 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401).

Vereiste aangifte - winstuitdeling?

22. Van een winstuitdeling is sprake als er een vermogensverschuiving plaatsvindt van de vennootschap naar de aandeelhouder, gedekt door de in de vennootschap aanwezige winst(reserves), waarbij de uitdelende vennootschap verarmt, de aandeelhouder wordt bevoordeeld en beide partijen zich ervan bewust zijn geweest dat de aandeelhouder in zijn kwaliteit als aandeelhouder is bevoordeeld met de vermogensverschuiving (vgl. HR 24 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9889, BNB 1980/332 en HR 24 oktober 2004 ECLI:NL:HR:2003:AI0411). De bewijslast dienaangaande rust op verweerder.

23. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat hij terecht een winstuitdeling van € 1.727.418 in aanmerking heeft genomen en overweegt daartoe als volgt. Uit de jaarrekening van [Y] B.V. voor het jaar 2009 volgt dat [Y] B.V. gedurende dat jaar € 5.277.418 aan eiser heeft verstrekt (zie onder 5). Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat sprake is geweest van een terugbetalingsverplichting ten aanzien van het door verweerder in de heffing betrokken bedrag van € 1.727.418. De kwalificatie in de jaarrekening als vordering is daartoe onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de stelling van eiser dat het geleende bedrag zou zijn aangewend voor beleggingen in privé omdat [Y] B.V. zelf geen beleggingsrekening zou hebben kunnen openen. Een schriftelijke leningsovereenkomst ontbreekt en ook anderszins is niets gebleken van een terugbetalingsverplichting of van invorderingsmaatregelen. De ter zitting door eiser ingenomen blote stelling dat het geld pas in 2010 aan hem is verstrekt, strookt niet met de jaarrekening van [Y] B.V. voor het jaar 2009 en kan niet worden gevolgd. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat in 2009 sprake is geweest van een vermogensverschuiving ter grootte van € 1.727.418 van [Y] B.V. naar eiser, waarbij [Y] B.V. is verarmd en eiser bevoordeeld. Vanwege het ontbreken van een terugbetalingsverplichting moet zowel [Y] B.V. als eiser zich ervan bewust zijn geweest dat eiser door de geldverstrekking in zijn kwaliteit als aandeelhouder is bevoordeeld. Tot slot beschikte [Y] B.V. per ultimo 2009 over een eigen vermogen van € 22.549.138 waardoor aannemelijk is dat de vermogensverschuiving is gedekt door de in de vennootschap aanwezige winst(reserves).

24. Naar aanleiding van eisers betoog over zijn emigratie en de geldigheidsduur van een conserverende aanslag overweegt de rechtbank als volgt. Een winstuitdeling is een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4.12 onderdeel a van de Wet IB 2001. Dit betreft geen bij emigratie te conserveren inkomen. Er is dan in zoverre ook geen sprake van een conserverende aanslag. Het betoog van eiser kan reeds hierom niet slagen. Voor zover eiser heeft willen betogen dat zijn emigratie om een andere reden in de weg zou staan aan de door verweerder voorgestane heffing overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft gesteld dat hij het betreffende geldbedrag pas na zijn emigratie heeft ontvangen. De rechtbank heeft eiser gevraagd waaruit dit kan worden opgemaakt. In reactie hierop heeft eiser verklaard dat hij het geld heeft aangewend voor zijn huis. Dit strookt niet met eerdere verklaringen van eiser over de aanwending van het geldbedrag (benut voor zakelijke beleggingen) en vindt geen steun in de gedingstukken. Nadat de rechtbank dit aan eiser heeft voorgehouden nam hij de stelling in dat het geld pas in de loop van 2009 beschikbaar kwam, dat het een gefaseerde uitbetaling betrof en de grootste uitbetaling pas in 2010 heeft plaatsgevonden. Zoals onder 23 al is overwogen kan die stelling niet worden gevolgd. Gelet op het over en weer aangevoerde is de rechtbank van oordeel dat de winstuitdeling heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de emigratie van eiser. Verweerder heeft aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De rechtbank is van oordeel dat de winstuitdeling terecht in de heffing is betrokken.

25. Aangezien eiser de winstuitdeling niet heeft opgenomen in zijn aangifte, is sprake van een gebrek in de aangifte die ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Eiser had zich ervan bewust moeten zijn dat door het niet aangeven van de winstuitdeling een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.

26. Uit de overwegingen 23 en 24 volgt reeds dat niet is gebleken dat verweerder ten onrechte een winstuitdeling van € 1.727.418 in de heffing heeft betrokken. Verweerder heeft de hoogte van dit inkomen gebaseerd op de jaarrekening van [Y] B.V. Er is in zoverre dan ook sprake van een redelijke schatting van eisers inkomen.

Pensioenaanspraak

27. Vervolgens dient de rechtbank het geschilpunt met betrekking tot de pensioenaanspraak te beoordelen.

28. Op grond van artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt onder loon verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting.

29. Artikel 19b, eerste lid, van de Wet LB, luidt als volgt:


“Ingeval op enig tijdstip:

a. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling niet langer als zodanig is aan te merken;

b. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, derde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt;

c. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b, wordt prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is;

d. de zekerheidstelling wordt beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich op grond van artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, heeft verplicht deze zekerheid te stellen;

wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak.”

30. Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat verweerder de pensioenaanspraak van eiser ten onrechte als loon uit een vroegere dienstbetrekking in de heffing heeft betrokken. Zij licht dit als volgt toe. In 2009 is de pensioenverplichting van [X] B.V. jegens eiser overgedragen aan Pensioenstichting [A] , waarbij [X] B.V. een zeer groot gedeelte van de koopsom schuldig is gebleven (zie onder 3). Het overdragen en door [X] B.V. (gedeeltelijk) schuldig blijven van de koopsom zijn geen handelingen die, op zichzelf bezien, ertoe kunnen leiden dat de pensioenaanspraak feitelijk voorwerp van zekerheid wordt. Er is immers geen sprake van wederkerig schuldenaarschap en eiser heeft zich niet garant gesteld voor de uit de lening voortvloeiende verplichtingen van [X] B.V. Dat eiser ten tijde van de overdracht (mede)bestuurder was van zowel [X] B.V. als Pensioenstichting [A] maakt het voorgaande niet anders. Verder is de dekkingsgraad van de pensioenaanspraak niet verminderd door de overdracht van de pensioenverplichting. De koopsom die gelijk was aan het nominale bedrag van de pensioenverplichting was immers reëel en is bij de overdracht gedeeltelijk voldaan. Voor het overige deel heeft Pensioenstichting [A] een vordering op [X] B.V. verkregen, waarvoor het vermogen van [X] B.V. aanspreekbaar is. De waarde van dit vermogen en de dekking die dit bood voor de pensioenaanspraak is niet verminderd door de pensioenoverdracht. De rechtbank is van oordeel dat de door partijen gevoerde discussie over de zakelijkheid van de lening en de solvabiliteit van [X] B.V. ten tijde van de pensioenoverdracht deze conclusie niet anders maakt, waarbij de rechtbank tevens in aanmerking neemt dat blijkens de overgelegde jaarrekeningen van [X] B.V. het eigen vermogen van [X] B.V. op 31 december 2010 € 674.051 en op 31 december 2011 € 5.465.305 bedroeg. Tot slot volgt uit de gedingstukken dat in 2009 ook anderszins geen ter zake doende handeling is verricht die toepassing van artikel 19b van de Wet LB rechtvaardigt.

31. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat, ook indien ervan wordt uitgegaan dat de omkering en verzwaring van de bewijslast mede van toepassing is op deze gestelde inkomstenbron (vgl. ECLI:NL:PHR:2025:200), er gelet op de toepasselijke wetgeving en de feiten van de onderhavige casus geen grond is om de pensioenaanspraak in 2009 in de heffing te betrekken. In zoverre is sprake van een gegrond beroep tegen de aanslag ib/pvv 2009.

Revisierente en de bijbehorende heffingsrente

32. Uit overweging 30 volgt dat verweerder ook ten onrechte revisierente in rekening heeft gebracht en hierover heffingsrente heeft berekend.

Slotsom

33. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beroepen gegrond dienen te worden verklaard. De aanslag ib/pvv 2009 dient te worden verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.742 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.693.201 en de bijbehorende heffingsrente dient dienovereenkomstig te worden verminderd (HAA 23/4291). De navorderingsaanslag ib/pvv 2009, de beschikking revisierente en de bijbehorende heffingsrentebeschikking dienen te worden vernietigd (HAA 23/4292). De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn

34. De rechtbank heeft eisers klachten over de lange duur van de procedure opgevat als een verzoek om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn en dit ter zitting aan partijen voorgehouden.

35. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van

19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Bij bijzondere omstandigheden kan de termijn van twee jaar worden verlengd of verkort. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Voor de behandeling van een bezwaar is in beginsel een termijn van zes maanden redelijk en voor de behandeling van een beroep een termijn van anderhalf jaar.

36. Naar het oordeel van de rechtbank doen zich in deze zaken bijzondere omstandigheden voor die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen. Zij overweegt daartoe als volgt. De rechtbank heeft de onderhavige zaken op verzoek van eiser van 7 november 2024 tot 27 oktober 2025 aangehouden. Zij ziet hierin aanleiding de redelijke termijn voor de behandeling van de beroepen te verlengen met (naar beneden afgerond) elf maanden. De onder 35 aangehaalde (totale) termijn van twee jaar wordt daarmee verlengd tot een termijn van twee jaar en elf maanden.

37. De onderhavige zaken hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp zodat sprake is van samenhang en slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2). Het oudste bezwaarschrift is op 18 januari 2013 door verweerder ontvangen. De rechtbank doet op 5 februari 2026 uitspraak, zodat de bezwaar- en beroepsfase afgerond dertien jaar en een maand heeft geduurd. Daarmee is sprake van overschrijding van de redelijke termijn met tien jaar en twee maanden (122 maanden). Eiser heeft recht op een vergoeding van immateriële schade van € 10.500.

38. De oudste uitspraak op bezwaar dateert van 21 april 2023. Van de overschrijding van de redelijke termijn dient (afgerond) negen jaar en tien maanden aan de bezwaarfase te worden toegerekend en het overige aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom een bedrag van (afgerond) € 10.156 (118/122e deel van € 10.500) te vergoeden en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) een bedrag van (afgerond) € 344 (4/122e deel van € 10.500).

Proceskosten en griffierecht

39. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding omdat eiser geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gevorderd. Wel dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart de beroepen gegrond;

-

vernietigt de uitspraken op bezwaar;

-

vermindert de aanslag ib/pvv 2009 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.742 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.693.201 en bepaalt dat de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd wordt;

-

vernietigt de navorderingsaanslag ib/pvv 2009, de beschikking revisierente en de bijbehorende heffingsrentebeschikking;

-

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

-

veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 10.156;

-

veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 344;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, mr. A.A. Fase en
mr. M.E. Kiers, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel