Home

Rechtbank Noord-Holland, 04-03-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2141, 367399

Rechtbank Noord-Holland, 04-03-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2141, 367399

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
4 maart 2026
Datum publicatie
12 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:2141
Zaaknummer
367399

Inhoudsindicatie

Geschil over verdeling overwaarde woning. Vordering van de man op de vrouw wordt afgewezen. Rechtbank oordeelt dat de door de man betaalde hypotheekrente en premies pasten binnen (stilzwijgende) afspraken tussen partijen waarbij de vrouw niet onaanzienlijke betalingen voor haar rekening nam. Een aantal andere kleinere vorderingen van de man op de vrouw vallen weg tegen de vorderingen die de vrouw op de man heeft (verrekening).

Uitspraak

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/367399 / HA ZA 25-416

Vonnis van 4 maart 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. P. Bosma,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2], gemeente [gemeente],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. G.I.H. Schulte.

De zaak in het kort

Partijen hebben een relatie gehad. Deze is eind 2022 beëindigd. In 2025 is de gezamenlijke woning verkocht. De notaris heeft de overwaarde bij helfte aan partijen uitbetaald. In deze procedure vordert [eiser] dat [gedaagde] veroordeeld wordt hem € 41.175,97 te betalen, onder meer ter zake van de (alleen) door hem betaalde hypotheekrente en premies op de aan de hypotheek gekoppelde bankspaarrekening. De rechtbank oordeelt dat deze betalingen pasten binnen (stilzwijgende) afspraken tussen partijen waarbij ook [gedaagde] niet onaanzienlijke betalingen voor haar rekening nam. [gedaagde] hoeft [eiser] daar geen betalingen voor te doen. [eiser] heeft wel een aantal kleine vorderingen op [gedaagde], maar die vallen weg (verrekening) tegen vorderingen die [gedaagde] op [eiser] heeft. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. Daarmee hoeft de voorwaardelijke tegenvordering van [gedaagde] niet te worden behandeld.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 juli 2025 met 16 producties

- de conclusie van antwoord met eis in reconventie met 8 producties

- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 17 tot en met 20

- het tussenvonnis van 12 november 2025

- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben gedurende ongeveer veertien jaar een duurzame affectieve relatie met elkaar gehad. Daaruit is een minderjarige dochter geboren. Partijen zijn niet gehuwd geweest en hebben geen geregistreerd partnerschap gehad. Zij woonden samen zonder samenlevingscontract. De relatie is in de loop van 2022 verbroken.

2.2.

Partijen zijn in 2011 gezamenlijk eigenaar geworden van een woning gelegen aan de [adres] te [plaats 1] (hierna: de woning).

2.3.

Partijen zijn een hypothecaire lening aangegaan voor de woning. [eiser] heeft de hypotheektheerente betaald en de hypotheekrenteaftrek genoten. In totaal heeft hij 169 maandtermijnen van € 460,35 bruto voldaan. Tot eind 2022 heeft [eiser] ook de premies betaald voor de aan de hypotheek verbonden bankspaarrekeningen. [gedaagde] betaalde in elk geval vanaf eind 2022 de premie van de spaarrekening die op haar naam stond. Het saldo van de bankspaarrekening die op naam van [gedaagde] stond was per 31 december 2022 € 13.552,65.

2.4.

[gedaagde] is tot eind 2022 met [eiser] in de gemeenschappelijke woning blijven wonen. In januari 2023 heeft zij de woning verlaten en eigen woonruimte gehuurd.

2.5.

Partijen zijn het daarna (eerst) niet eens worden over de verdeling van de woning. [eiser] wilde de woning overnemen, maar voor een bedrag dat voor [gedaagde] niet acceptabel was. Met een beschikking van 26 maart 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland [gedaagde] machtiging verleend om mede namens [eiser] een opdracht tot verkoop van de woning en te geven aan een NVM-makelaar en al datgene te doen wat nodig is om de verkoop en levering van de woning te bewerkstelligen. Daarbij heeft de rechtbank [eiser] bevolen de woning uiterlijk een week voor de levering daarvan te ontruimen en te verlaten met al hetgeen van [eiser] is. [eiser] heeft alsnog meegewerkt aan de verkoop van de woning. Deze is op 20 juni 2025 aan derden geleverd.

2.6.

De woning is verkocht voor € 388.500,00. Na verrekening van lasten, aflossing van de hypotheek en aftrek van alle kosten resteerde een bedrag van € 211.292,55. De notaris heeft aan ieder van partijen de helft van dat bedrag uitbetaald.

2.7.

[eiser] heeft op 20 juni 2025 aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag onder de notaris op het aandeel van [gedaagde] in de opbrengst van de woning. Op 23 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter het verlof verleend met – als verzocht – begroting van de vordering op € 50.000,00. Vervolgens heeft [eiser] op dezelfde dag beslag laten leggen onder de notaris. De notaris had het aan [gedaagde] te betalen bedrag echter al aan haar overgemaakt, zodat het beslag geen doel trof.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:

I. om € 41.175,97 aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

II. om de kosten van het op 23 juni 2025 gelegde beslag aan [eiser] te betalen;

III. de proceskosten te betalen.

3.2.

[eiser] voert het volgende aan. Partijen hebben samengeleefd zonder afspraken te maken, zodat de verhouding tussen partijen wordt beheerst door het verbintenissenrecht. [gedaagde] heeft de leveringsakte van de woning alleen meegetekend omdat dit nodig was voor de financiering. [eiser] is er echter steeds van uitgegaan dat de woning van hem alleen was. Daarom betaalde hij alle hypotheeklasten en de premies voor de aan de hypotheek gekoppelde bankspaarrekeningen. Voor de hypotheekrente heeft hij een regresvordering op [gedaagde] gekregen. Ook is [gedaagde] ongerechtvaardigd verrijkt, of heeft [eiser] een vergoedingsvordering. [gedaagde] moet de helft van de netto hypotheekrente aan hem vergoeden. Ook moet zij het saldo van de bankspaarrekening op haar naam per eind 2022 aan hem betalen. Hetzelfde geldt voor de helft van de kosten van financiering van het vervangen van de kozijnen van de woning. [gedaagde] heeft deze volledig voldaan. Het is niet redelijk dat partijen jegens de bank hoofdelijk aansprakelijk zijn en hij alle kosten heeft betaald, maar geen regres heeft op [gedaagde] voor haar deel in de kosten. [eiser] voert daarnaast nog een aantal andere posten op die zijns inziens (deels) door [gedaagde] moeten worden betaald en komt dan tot het door hem gevorderde bedrag van € 41.175,97.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Zij voert (onder meer) het volgende aan. Partijen hebben wel afspraken gemaakt over de kosten. Zij kochten het huis samen omdat ze een kind kregen. [eiser] had een hoger inkomen en zou de hypotheek en bepaalde vaste lasten betalen. [gedaagde] betaalde op haar beurt de boodschappen en andere lasten als de zorgverzekering en KPN. Daarnaast heeft zij tot het einde van de relatie vakanties, kleding en autolasten betaald. Wat over was zetten partijen apart voor onvoorziene uitgaven. Partijen hebben de kosten zo 50/50 gedeeld. [eiser] betaalde genoemde kosten, net als de kosten van het vervangen van de kozijnen, als zijn bijdrage in de kosten van de huishouding. Er is dan ook geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking. Omdat partijen niet getrouwd waren, kan van een (wettelijk) vergoedingsrecht geen sprake zijn. Een deel van de vordering is daarnaast verjaard.

De vordering van hypotheekrente is ook onvoldoende onderbouwd, omdat [eiser] uitgaat van een belastingvoordeel van 30%, terwijl de laagste schijf van de inkomstenbelasting in 2025 op 36% ligt. Voor zover de vordering van hypotheekrente van [eiser] wordt toegewezen, moet deze worden verrekend met de vordering die [gedaagde] op [eiser] heeft voor het gebruik van de woning na het vertrek van [gedaagde].

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert, voor zover de rechtbank in conventie beslist dat [gedaagde] aan [eiser] hypotheekrente moet vergoeden, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat [eiser] aan [gedaagde] een gebruiksvergoeding verschuldigd is ter hoogte van de helft van de hypotheekrente (€ 460,30 per maand) van 1 januari 2023 tot 20 juni 2025 dus totaal € 6.827,63, vermeerderd met de wettelijke rente en te bepalen dat [gedaagde] dit bedrag mag verrekenen met de aan [eiser] te vergoeden hypotheekrente;

II. te bepalen dat [eiser] aan [gedaagde] € 1.290,07 moet betalen (energielabel, taxatiekosten woning en KPN), te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.6.

[gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat [eiser] vanaf januari 2023 feitelijk het uitsluitend gebruik had van de woning. [gedaagde] had haar eigen woonlasten en zat financieel in een lastige situatie. Zij moest ook de kosten van de bankspaarrekening voor de woning voldoen. Doordat zij geen gebruik had van de woning heeft zij schade geleden. Ook heeft [gedaagde] nog een aantal vorderingen op [eiser] van kosten die zij voldaan heeft maar die voor de helft of volledig door [eiser] moeten worden gedragen. De man betwist deze vorderingen van in totaal € 1.290,07 niet, maar zij vordert dit bedrag voor de zekerheid in reconventie.

3.7.

[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde]. Hij voert het volgende aan. Het is de keuze van [gedaagde] is geweest om geen gebruik meer van de woning te maken. Hij heeft haar daar niet in belemmerd en ook niet het gebruik voor zich alleen gevorderd. Voor zover [gedaagde] recht zou hebben op een gebruiksvergoeding, is 1% een redelijk rendementspercentage op grond waarvan de gebruiksvergoeding kan worden berekend.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing