Rechtbank Noord-Holland, 25-03-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3196, AWB - 25 _ 3854
Rechtbank Noord-Holland, 25-03-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3196, AWB - 25 _ 3854
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Holland
- Datum uitspraak
- 25 maart 2026
- Datum publicatie
- 31 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:3196
- Zaaknummer
- AWB - 25 _ 3854
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting. In geschil is welke eisen er moeten worden gesteld aan verrekening van verliezen indien een bestaande verlieslijdende fiscale eenheid wordt uitgebreid met andere vennootschappen en nadien winst realiseert. De Belastingdienst bepaalt volgen de rechtbank de voor verliesverrekening vatbare winst (horizontale saldering) ten onrechte op basis van de zogenoemde cluster- of groepsdeelbenadering, waarbij afzonderlijke resultaten van de tot dat cluster behorende vennootschappen in het voorliggende belastingjaar met elkaar worden gesaldeerd voordat de oude verliezen kunnen worden verrekend. Hierdoor is er minder winst vatbaar voor verrekening met de oude verliezen en kunnen deze verliezen verdampen. De oude verliezen van de bestaande fiscale eenheid kunnen worden verrekend met een deel van de winst van de uitgebreide fiscale eenheid. Beroep gegrond.
Uitspraak
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3854
(gemachtigden: mr. T.C. Gerverdinck en mr. P.O.A. Pinkse),
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2020 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van [munteenheid] 211.769.074.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van [munteenheid] 197.455.675 (€ 172.873.116). Daarbij zijn voorvoegingsverliezen uit 2016 ten bedrage van [munteenheid] 4.481.331, verrekend met de belastbare winst van eiseres (hierna: de verliesverrekeningsbeschikking).
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026 te Haarlem.
Namens eiseres zijn gemachtigden verschenen, bijgestaan door mr. [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. [naam 3] , [naam 4] , [naam 8] LL.M , [naam 5] en [naam 6] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres maakt onderdeel deel uit van de [groep] . Alle aandelen
van eiseres worden (indirect) gehouden door lichamen gevestigd in [land] . Eiseres hanteert de [munteenheid] als functionele valuta.
Ontstaan en verloop [bedrijf fiscale eenheid 1]
2. Eiseres vormt de moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (hierna ook: de [bedrijf fiscale eenheid 1] ). De samenstelling van de [bedrijf fiscale eenheid 1] is gedurende haar bestaan veelvuldig gewijzigd. Meermaals zijn er maatschappijen toegevoegd, zijn gevoegde maatschappijen juridisch gefuseerd en zijn gevoegde maatschappijen geliquideerd binnen de [bedrijf fiscale eenheid 1] .
3. Op 1 januari 2015 is een fiscale eenheid tot stand gekomen tussen eiseres en [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). Voorafgaand aan de fiscale eenheid met [bedrijf 2] was eiseres geen onderdeel van een fiscale eenheid. [bedrijf 2] is in 2016 ontvoegd en maakt in 2020 geen onderdeel meer uit van de [bedrijf fiscale eenheid 1] .
4. Op 1 mei 2016 is de [bedrijf fiscale eenheid 1] uitgebreid door voeging van een andere reeds bestaande fiscale eenheid binnen de [groep] met [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) als de moedermaatschappij (hierna: de [bedrijf fiscale eenheid 2] ). De volgende in 2016 gevoegde dochtermaatschappijen maken in 2020 nog onderdeel uit van de [bedrijf fiscale eenheid 1] : [bedrijf 3] , [bedrijf 4] B.V., [bedrijf 5] B.V., [bedrijf 6] B.V., [bedrijf 7] B.V. en [bedrijf 8] B.V.
5. Op 12 oktober 2017 is de [bedrijf fiscale eenheid 1] uitgebreid met [bedrijf 9] B.V. en [bedrijf 10] B.V. Deze vennootschapen zijn eerder als onderdeel van de [bedrijf fiscale eenheid 2] op 1 mei 2016 gevoegd in de [bedrijf fiscale eenheid 1] en vervolgens ontvoegd op 30 december 2016. Op 12 oktober 2017 zijn deze vennootschapen opnieuw gevoegd in de [bedrijf fiscale eenheid 1] .
6. De [bedrijf fiscale eenheid 1] is verder uitgebreid op 1 januari 2018, 17 januari 2018, 20 december 2018, 30 oktober 2019, 4 december 2019, 6 december 2019 en 17 december 2019. In 2020 zijn er geen andere maatschappijen gevoegd. De uitbreiding van de [bedrijf fiscale eenheid 1] in 2019 betrof onder meer de voeging van [bedrijf 11] en [bedrijf 12] B.V.
7. De [bedrijf fiscale eenheid 1] bestond in 2017 respectievelijk 2020 uit de volgende vennootschappen.
2017
[bedrijf fiscale eenheid 1]
[bedrijf 3]
[bedrijf 4] B.V.
[bedrijf 5] B.V.
[bedrijf 6] B.V.
[bedrijf 7] B.V.
[bedrijf 8] B.V.
[bedrijf 9] B.V.
[bedrijf 10] B.V.
2020
[bedrijf fiscale eenheid 1]
[bedrijf 3]
[bedrijf 4] B.V.
[bedrijf 5] B.V.
[bedrijf 6] B.V.
[bedrijf 7] B.V.
[bedrijf 8] B.V.
[bedrijf 9] B.V.
[bedrijf 10] B.V.
[bedrijf 13] B.V.
[bedrijf 14] B.V.
[bedrijf 15] B.V.
[bedrijf 16] B.V.
[bedrijf 12] B.V.
[bedrijf 11]
[bedrijf 17]
[bedrijf 18]
[bedrijf 19]
[bedrijf 20]
[bedrijf 21]
[bedrijf 22]
[bedrijf 23] B.V.
[bedrijf 25] B.V.
[bedrijf 26]
Resultaten [bedrijf fiscale eenheid 1] 2017 en 2020
9. De [bedrijf fiscale eenheid 1] heeft in 2017 een negatief resultaat behaald van [munteenheid] 550.761.836.
10. De [bedrijf fiscale eenheid 1] heeft in 2020 een positief resultaat behaald van [munteenheid] 201.937.006. Het zelfstandig aan [bedrijf 11] ( [bedrijf 11] ) toerekenbare resultaat bedraagt positief [munteenheid] 197.849.008. De maatschappijen die in 2017 onderdeel uitmaakten van de [bedrijf fiscale eenheid 1] hebben in 2020 gezamenlijk een negatief resultaat behaald van [munteenheid] 9.832.068. Dit negatieve resultaat is als volgt samengesteld:
[bedrijf fiscale eenheid 1] [munteenheid] -/- 151.977.226
[bedrijf 3] [munteenheid] 139.975.289
[bedrijf 4] B.V. [munteenheid] 44.499
[bedrijf 5] B.V. [munteenheid] -/- 30.144
[bedrijf 6] B.V. [munteenheid] 62.115
[bedrijf 7] B.V. [munteenheid] 772.920
[bedrijf 8] B.V. [munteenheid] 308.891
[bedrijf 9] B.V. [munteenheid] 1.238.441
[bedrijf 10] B.V. [munteenheid] -/- 226.853
Overzicht ultimo 2019 (per 2020) verrekenbare voorvoegingsverliezen
11. Eiseres beschikte eind 2019 (per 2020) over de volgende nog verrekenbare voorvoegingsverliezen:
Voorvoegingsverliezen [bedrijf fiscale eenheid 1] als zelfstandig belastingplichtige
2012 t/m 2014 [munteenheid] 62.220.778
Voorvoegingsverliezen [bedrijf fiscale eenheid 1]
2015 [munteenheid] 58.487.274
Voorvoegingsverliezen [bedrijf fiscale eenheid 2]
1 januari t/m 30 april 2016 [munteenheid] 4.481.331
Voorvoegingsverliezen [bedrijf fiscale eenheid 1]
2017 [munteenheid] 550.761.836
Voorvoegingsverliezen [bedrijf fiscale eenheid 1]
2018 [munteenheid] 143.190.226
De maatschappijen die per 2020 in de [bedrijf fiscale eenheid 1] zijn gevoegd beschikken niet over enig zelfstandig voorvoegingsverlies toerekenbaar aan de jaren voorafgaand aan hun voeging in de [bedrijf fiscale eenheid 1] dan wel de [bedrijf fiscale eenheid 2] .
Aangifte Vpb 2020, aanslag en uitspraak op bezwaar
12. Eiseres heeft in de aangifte Vpb 2020 voorvoegingsverliezen van de [bedrijf fiscale eenheid 1] uit 2017 verrekend tot een bedrag van [munteenheid] 137.920.825.
Daartoe heeft eiseres eerst de winst berekend van de in 2020 tot de [bedrijf fiscale eenheid 1] behorende maatschappijen alsof zij geen deel uitmaken van de fiscale eenheid en middels horizontale verliesverrekening de voor verticale verliesverrekening in aanmerking komende resultaten bepaald. Bij deze horizontale verliesverrekening heeft eiseres de zelfstandig berekende verliezen van maatschappijen over 2020 in mindering gebracht op de zelfstandige winsten over 2020 van maatschappijen die geen voorvoegingsverliezen hebben. Het zelfstandige verlies van [bedrijf fiscale eenheid 1] in 2020 ten bedrage van [munteenheid] 151.977.226 is aldus volledig verrekend met de zelfstandig bepaalde winsten van [bedrijf 11] en van enkele andere maatschappijen die in 2020 geen voorvoegingsverliezen hadden. Naast [bedrijf fiscale eenheid 1] hebben nog enkele andere tot de [bedrijf fiscale eenheid 1] behorende maatschappijen in 2020 een voor horizontale verliesverrekening vatbaar zelfstandig negatief resultaat; gezamenlijk bedraagt dit negatieve resultaat in 2020 [munteenheid] 894.057. Dit negatieve resultaat is eveneens in mindering gebracht op het positieve resultaat van [bedrijf 11] en van enkele andere tot de [bedrijf fiscale eenheid 1] (2020) behorende maatschappijen die geen voorvoegingsverliezen hadden. De belangrijkste zelfstandige resultaten voor en na deze horizontale verliesverrekening luiden volgens de berekening van eiseres als volgt:
HIER STAAT EEN TABEL
Eiseres heeft de beschikbare voorvoegingsverliezen na bovenstaande horizontale verliesverrekening als volgt aangewend (verticale verliesverrekening).
Het voorvoegingsverlies van de [bedrijf fiscale eenheid 2] (2016) ten bedrage van [munteenheid] 4.481.331 is verrekend met de zelfstandige winst van [bedrijf 3] over 2020.
Het verlies van de [bedrijf fiscale eenheid 1] 2017 ten bedrage van [munteenheid] 550.761.836 is voor een bedrag ter grootte van in totaal [munteenheid] 137.920.824 verrekend met de zelfstandig bepaalde winsten van maatschappijen van de [bedrijf fiscale eenheid 1] over 2020. Dit betreft de (resterende) zelfstandige winsten over 2020 van [bedrijf 3] ( [munteenheid] 135.493.958), [bedrijf 4] B.V. ( [munteenheid] 44.499), [bedrijf 6] B.V. ( [munteenheid] 62.115), [bedrijf 7] B.V. ( [munteenheid] 772.920), [bedrijf 8] B.V. ( [munteenheid] 308.891) en [bedrijf 9] B.V. ( [munteenheid] 1.238.441).
Deze door eiseres toegepaste verticale verrekening van de voorvoegingsverliezen heeft eiseres schematisch als volgt weergegeven:
HIER STAAT EEN TABEL
13. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag Vpb 2020 de door eiseres toegepaste verticale verliesverrekening ten bedrage van € 137.920.824 (opstelsom van de bedragen in de derde regel van bovenstaand schematisch overzicht) gecorrigeerd. De verrekening van het voorvoegingsverlies van de [bedrijf fiscale eenheid 2] (2016) ten bedrage van [munteenheid] 4.481.331 heeft verweerder wel toegestaan.
In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aan eiseres opgelegde aanslag Vpb 2020 verminderd naar een belastbare winst van [munteenheid] 201.937.006 en het belastbare bedrag vastgesteld op [munteenheid] 197.455.675 ( [munteenheid] 201.937.006 -/- [munteenheid] 4.481.331). De verliesverrekeningsbeschikking is hierbij gehandhaafd.
Geschil 14. In geschil is of de verrekening van een deel van het voorvoegingsverlies van de [bedrijf fiscale eenheid 1] uit 2017 ten bedrage van in totaal [munteenheid] 137.920.824 terecht is geweigerd.
Meer specifiek is in geschil of in het kader van de verliesverrekening de resultaten van de tot de [bedrijf fiscale eenheid 1] behorende maatschappijen in 2020 afzonderlijk in aanmerking kunnen worden genomen.
15. Eiseres beantwoordt genoemde vragen bevestigend. Daartoe betoogt eiseres dat uit de combinatie van wet-, besluittekst en de parlementaire geschiedenis volgt dat voor de interne saldering in het belastingjaar (horizontale verliesverrekening) een bepaalde mate van vrijheid geldt. Binnen deze vrijheid hebben belastingplichtigen de mogelijkheid om alle maatschappijen die voorvoegingverliezen hebben, zelfstandig of via een cluster, in eerste instantie te passeren bij de saldering van verliezen met winsten binnen het belastingjaar. Hierbij worden naar de mening van eiseres alle verliesjaren in ogenschouw genomen. Dit leidt ertoe dat het verlies van [bedrijf fiscale eenheid 1] horizontaal mag worden verrekend met de winst van [bedrijf 11] . De winst van [bedrijf 3] blijft zodoende beschikbaar voor verrekening met het verlies van de [bedrijf fiscale eenheid 1] uit 2017. Binnen de beperkingen van artikel 15ae van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb), kan [bedrijf 3] vervolgens de aan haar toerekenbare winst verrekenen met het aan haar toerekenbare verlies uit 2017. Na verrekening van voorvoegingsverliezen met de belastbare winst (zoals vastgesteld na bezwaar) ten bedrage van [munteenheid] 201.937.006, resteert volgens eiseres een belastbaar bedrag van [munteenheid] 59.534.851 (201.937.006 -/- 4.481.331 -/- 137.920.824). In het beroepschrift en in het daaruit overgenomen schema weergegeven onder 12.2, staat per abuis dat het belastbaar bedrag moet worden vastgesteld op een bedrag van [munteenheid] 59.734.851. Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat het belastbaar bedrag volgens haar moet worden vastgesteld op [munteenheid] 59.534.851 en dat dit de juiste berekening betreft. De rechtbank gaat hier in het navolgende ook van uit. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag Vpb 2020 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van [munteenheid] 59.534.851.
16. Verweerder beantwoordt genoemde vragen ontkennend. Volgens verweerder geldt op grond van de bepalingen in de Wet Vpb en artikel 12, tweede lid, van het Besluit Fiscale Eenheid 2003 (tekst 2020; Besluit van 17 december 2002, Stb. 2002, 646, zoals laatstelijk gewijzigd op 19 december 2018, Stb. 2018, 514; hierna: BFE), dat de horizontale verliesverrekening dient plaats te vinden volgens de clusterbenadering zoals genoemd in het beleidsbesluit van de staatssecretaris van Financiën van 2 april 2024 (Verzamelbesluit fiscale eenheid), nr. 2024-186296, Stcrt. 2024, 11814, par. 6.1; hierna het Verzamelbesluit). Volgens het Verzamelbesluit is voor de interpretatie van artikel 12, tweede lid, van het BFE, “primair bepalend het cluster zoals dat bestond in een voorvoegingsjaar en waarbij nog de mogelijkheid bestaat om een in dat jaar geleden verlies te verrekenen met winst van de fiscale eenheid die aan dat cluster toerekenbaar is, dan wel waarbij nog de mogelijkheid bestaat het verlies van de fiscale eenheid dat aan dat cluster toerekenbaar is, te verrekenen met winst van dat cluster in een voorvoegingsjaar.”. Ingevolge deze clusterbenadering kunnen voorvoegingsverliezen van een cluster niet verrekend worden in een jaar waarin dat cluster als zodanig verlies lijdt. De maatschappijen die in 2017 onderdeel uitmaakten van de [bedrijf fiscale eenheid 1] dienen volgens verweerder voor de toepassing van horizontale verliesverrekening in 2020 te worden gezien als een apart cluster (door verweerder aangeduid als het cluster [bedrijf fiscale eenheid 1] / [bedrijf 3] ). De maatschappijen van dit cluster hebben in 2020 gezamenlijk een negatief resultaat behaald van in totaal [munteenheid] 9.832.068 (zie onder 10), zodat er in zoverre geen winst is in 2020 om de voorvoegingsverliezen van dit cluster uit 2017 mee te verrekenen.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
17. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
18. Voor de beantwoording van de vraag of het verlies uit 2017 kan worden verrekend met de belastbare winst van eiseres over het onderhavige belastingjaar (2020), zal de rechtbank eerst het relevante wettelijk kader weergeven.
19. Ingevolge artikel 20, tweede lid, van de Wet Vpb - zoals deze bepaling luidde in 2017 - wordt een verlies verrekend met de belastbare winsten van de negen volgende jaren, mits het verlies door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
20. In artikel 15, veertiende lid, aanhef en onderdeel c, van de wet Vpb is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:
“Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven tot verzekering van de heffing en invordering van de belasting met het oog op de omstandigheid dat de in het eerste of tweede lid bedoelde belastingplichtigen voor de toepassing van deze wet een fiscale eenheid vormen. Onder die regels worden mede begrepen regels voor:
(...)
c. de toepassing van de artikelen (...) 15ab tot en met 15af (...);”
21. Artikel 15ae van de Wet Vpb bevat een regeling ten aanzien van de verrekening van voorvoegingsverliezen over het voegingstijdstip heen (carry forward of voorwaartse verrekening van voorvoegingsverliezen; hierna ook: verticale verliesverrekening). Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. Voor de toepassing van artikel 20, tweede lid, vindt:
a. de verrekening van door een maatschappij voor haar voegingstijdstip geleden verliezen (voorvoegingsverliezen) met de belastbare winst van de fiscale eenheid plaats voorzover deze winst aan die maatschappij is toe te rekenen;
(...)
c. indien een bestaande fiscale eenheid wordt uitgebreid of indien een bestaande fiscale eenheid wordt opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid - de verrekening van een voor dat voegingstijdstip geleden verlies van die bestaande fiscale eenheid met de belastbare winst van de fiscale eenheid plaats voorzover deze winst is toe te rekenen aan de maatschappijen die direct voorafgaande aan dat voegingstijdstip tot de bestaande fiscale eenheid behoorden;”
22. Ingevolge het eerste lid van artikel 15ah van de Wet Vpb, wordt voor de toepassing van art. 15ae van de Wet Vpb, onder de aan een maatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid verstaan de winst van die maatschappij berekend alsof zij geen deel uitmaakt van de fiscale eenheid, voorzover deze winst bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komt. Met het oog op de carry forward of voorwaartse verrekening van voorvoegingsverliezen uit eerdere jaren (verticale verliesverrekening), dient aldus de winst of het verlies van tot de fiscale eenheid behorende maatschappijen zelfstandig of enkelvoudig te worden berekend (hierna ook: zelfstandige of enkelvoudige resultaten, winsten en verliezen). De in het eerste lid van artikel 15ah van de Wet Vpb opgenomen zinsnede ‘voorzover deze winst bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komt’, houdt een begrenzing in die noopt tot interne saldering (horizontale verliesverrekening). De ruimte voor verrekening van voorvoegingsverliezen wordt immers begrensd door de op basis van volledige consolidatie bepaalde winst van de fiscale eenheid. De maatschappijen van de fiscale eenheid gezamenlijk kunnen niet meer voorvoegingsverliezen verrekenen dan het bedrag van de geconsolideerde belastbare winst. Naast de eliminatie van resultaten die door de fiscale eenheidsmaatschappijen onderling worden behaald, betekent dit dat de winsten en verliezen aan de maatschappijen worden toegerekend nadat er een zogenoemde horizontale verliesverrekening binnen de fiscale eenheid heeft plaatsgevonden (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1999/2000, 26 854, nr. 3, p. 42).
23. In voorkomende gevallen worden zelfstandige winsten en verliezen van de tot de fiscale eenheid behorende maatschappijen in het betreffende belastingjaar met elkaar gesaldeerd (horizontaal verrekend) alvorens wordt toegekomen aan verticale verliesverrekening. Dit doet zich voor als de ene tot de fiscale eenheid behorende maatschappij enkelvoudig winst behaalt en de andere fiscale eenheidsmaatschappij enkelvoudig verlies behaalt. Is bijvoorbeeld de winst van de fiscale eenheid +20, waarvan +50 toe te rekenen aan de moedermaatschappij van de fiscale eenheid (M) en −30 aan de dochtermaatschappij van de fiscale eenheid (D), dan komt van de enkelvoudige winst van M van +50 er slechts +20 bij de fiscale eenheid tot uitdrukking, zodat de aan M toerekenbare winst van de fiscale eenheid slechts 20 bedraagt. Er is dan ook slechts 20 aan winst beschikbaar voor verrekening van haar voorvoegingsverlies. Het zelfstandig berekende verlies van D wordt aldus horizontaal verrekend met de zelfstandige winst van M. Door horizontale verliesverrekening kan er dus nooit meer verlies over het voegingstijdstip worden verrekend dan de winst van de fiscale eenheid. Doel en strekking van de horizontale verliesverrekening is gelet op het voorgaande te voorkomen dat een groter verlies wordt verrekend dan de winst die bij de fiscale eenheid (per saldo) tot uitdrukking komt.
24. In artikel 12 BFE is voor complexere gevallen (zoals in casu) een regeling getroffen inzake de volgorde van horizontale verliesverrekening. Het BFE is een algemene maatregel van bestuur die berust op artikel 15, lid 14, aanhef en onderdeel c, van de Wet Vpb (zie onder 20). Artikel 12 BFE luidt, voor zover hier van belang (namelijk voor zover het gaat om carry forward of voortwenteling van verliezen), als volgt:
"1. Voor de toepassing van artikel 15ae van de wet wordt de aan een maatschappij toe te rekenen winst van de fiscale eenheid bepaald op de voet van artikel 15ah, eerste lid, van de wet met in achtneming van het navolgende:
a. indien de berekening van het resultaat van de fiscale eenheid over een jaar per saldo leidt tot winst, wordt een verlies van een maatschappij over dat jaar zoveel mogelijk in mindering gebracht op de winsten van maatschappijen die geen voorvoegingsverliezen hebben. Een resterend deel van dat verlies wordt in mindering gebracht op de winsten van de andere maatschappijen naar verhouding van de winsten van die maatschappijen;
(...)
2. Voor de toepassing van het eerste lid op situaties bestreken door artikel 15ae, eerste lid, onderdelen c en d, van de wet, wordt onder maatschappij ook verstaan een bestaande fiscale eenheid die is uitgebreid onderscheidenlijk een bestaande fiscale eenheid die is opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid."
25. De maatschappijen die in 2017 onderdeel uitmaakten van de [bedrijf fiscale eenheid 1] dienen volgens verweerder voor de toepassing van horizontale verliesverrekening in 2020 te worden gezien als een cluster, door verweerder aangeduid als het cluster [bedrijf fiscale eenheid 1] / [bedrijf 3] . Omdat dat cluster in het onderhavige belastingjaar (2020) een verlies heeft gemaakt (zie onder 10), kan volgens verweerder geen carry forward van de voorvoegingsverliezen uit 2017 plaatsvinden. Er zijn in deze benadering in 2020 geen winsten om de voorvoegingsverliezen uit 2017 mee te verrekenen. De rechtbank volgt verweerder hierin niet en overweegt daartoe als volgt.
26. Volgens het tweede lid van artikel 12 BFE wordt voor toepassing van het eerste lid onder maatschappij ‘ook’ verstaan een bestaande fiscale eenheid die is uitgebreid onderscheidenlijk een bestaande fiscale eenheid die is opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid. Op basis van deze tekst is onduidelijk of de clusterbenadering onder alle omstandigheden dient te worden toegepast en wat de reikwijdte ervan is. De term ‘ook’ laat namelijk de mogelijkheid open dat de in het tweede lid genoemde ‘bestaande fiscale eenheid’ in het kader van horizontale verliesverrekening niet als één geheel (cluster) hoeft te worden gezien. In deze lezing is dus in artikel 12 BFE geen sprake van een dwingend voorgeschreven clusterbenadering die verweerder voorstaat.
27. De Nota van Toelichting bij het BFE biedt op dit punt geen duidelijkheid. In de Nota van Toelichting is het volgende opgemerkt over artikel 12 BFE (Staatsblad 2002 646, p. 30 en 31):
“Het eerste lid van dit artikel ziet op de wijze van onderlinge verrekening van verliezen en winsten van de maatschappijen die samen de fiscale eenheid vormen in hetzelfde boekjaar (de horizontale saldering). De volgorde die in dit artikel voor de horizontale saldering is voorgeschreven, is van belang bij voorwaartse verrekening van voorvoegingsverliezen met winst van de fiscale eenheid en de achterwaartse verrekening van verliezen van de fiscale eenheid met voorvoegingswinst. Die verrekening komt namelijk pas aan de orde nadat de winsten en verliezen van de in de fiscale eenheid opgenomen maatschappijen in het belastingjaar zelf met elkaar zijn gesaldeerd.
Het tweede lid ziet op de situatie dat twee of meer maatschappijen samen deel hebben uitgemaakt van een voorafgaande fiscale eenheid. Voor de vraag of sprake is van voorvoegingswinsten of voorvoegingsverliezen worden deze maatschappijen als een eenheid behandeld. Binnen deze eenheid volgt de horizontale saldering vervolgens eveneens de regels van het eerste lid. Een voorbeeld waarin de horizontale saldering cijfermatig wordt toegelicht, is opgenomen in de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer bij het wetsvoorstel 26 854.”
28. Volgens deze (summiere) toelichting is de clusterbenadering waarop het tweede lid van artikel 12 BFE doelt, beperkt tot de vraag of sprake is van ‘voorvoegingswinsten of voorvoegingsverliezen’ genoemd in het eerste lid. Uit de toelichting volgt immers dat de maatschappijen die samen deel hebben uitgemaakt van een voorafgaande fiscale eenheid (in het tweede lid van artikel 12 BFE aangeduid als de ‘bestaande fiscale eenheid’) als een eenheid worden behandeld voor de vraag of sprake is van voorvoegingswinsten of voorvoegingsverliezen. In het hier aan de orde zijnde onderdeel a van het eerste lid van artikel 12 BFE (inzake carry forward), is de term ‘voorvoegingsverliezen’ uitsluitend van belang voor de vraag in welke volgorde verliezen horizontaal worden verrekend. Ingevolge dit onderdeel a wordt een verlies van een maatschappij in het belastingjaar waarin de horizontale verliesverrekening plaatsvindt (hierna ook: het horizontale verliesverrekeningsjaar of het onderhavige belastingjaar), namelijk zoveel mogelijk in mindering gebracht op de winsten van maatschappijen die geen voorvoegingsverliezen hebben. Als de voorafgaande fiscale eenheid (‘de bestaande fiscale eenheid’) als cluster bezien voorvoegingsverliezen heeft dan worden de winsten van deze maatschappijen in het horizontale verliesverrekeningsjaar in eerste instantie ontzien in het kader van de horizontale saldering en worden winsten in het horizontale verliesverrekeningsjaar eerst verrekend met winsten van maatschappijen zonder voorvoegingsverliezen (voor zover aanwezig). Op die manier kan - zo is kennelijk de gedachte van de besluitgever geweest - optimaal gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om voorvoegingsverliezen voorwaarts te verrekenen. Heeft de voorafgaande fiscale eenheid (‘de bestaande fiscale eenheid’) als cluster bezien geen voorvoegingsverliezen, dan worden zelfstandige winsten van die maatschappijen in het horizontale verliesverrekeningsjaar met voorrang gesaldeerd met zelfstandige verliezen in het horizontale verliesverrekeningsjaar van andere tot de fiscale eenheid behorende maatschappijen. In deze uitleg ziet de clusterbenadering op het bepalen van de volgorde van horizontale verliesverrekening en gaat deze niet verder dan dat. Uit de toelichting bij het BFE volgt dus niet dat de clusterbenadering doorwerkt in het bepalen van de voor verrekening vatbare zelfstandig/enkelvoudig te berekenen winsten van de fiscale-eenheidsmaatschappijen in het horizontale verliesverrekeningsjaar (het onderhavige belastingjaar 2020), zoals verweerder betoogt.
29. Het in de Nota van Toelichting genoemde voorbeeld waarnaar wordt verwezen en waarin de horizontale verliesverrekening cijfermatig is toegelicht, biedt steun aan bovenstaande uitleg. Genoemd voorbeeld luidt als volgt (Memorie van Antwoord, Kamerstukken I 2001/02, 26 854, nr. 45d, p. 14 en 15; waarbij ‘artikel 11 van het besluit’ ziet op het inmiddels vernummerde artikel 12 BFE):
HIER STAAT EEN AFBEELDING
HIER STAAT EEN AFBEELDING
30. Volgens dit parlementaire voorbeeld dient - in overeenstemming met in artikel 12, eerste lid, BFE - in jaar 3 (het horizontale verliesverrekeningsjaar) het verlies van D3 eerst zo veel mogelijk te worden gesaldeerd (horizontaal verrekend) met de winst van de maatschappijen die geen voorvoegingsverlies hebben. In het voorbeeld is dat alleen D2, omdat M via haar deelname aan de combinatie M/D1 geacht wordt over een voorvoegingsverlies te beschikken over jaar 2. Dit is in overeenstemming met de hierboven (onder 27 en 28) besproken toelichting op artikel 12, tweede lid, BFE, waarbij de reikwijdte van de clusterbenadering is beperkt tot de vraag of sprake is van ‘voorvoegingsverliezen’ en om het bepalen van de volgorde waarin de horizontale verliesverrekening plaatsvindt.
31. In het parlementaire voorbeeld wordt vervolgens het overgebleven deel van het negatieve resultaat van D3 uit jaar 3 (- 40), ‘binnen de oude fiscale eenheid gesaldeerd met de resultaten van de maatschappijen die geen zelfstandig voorvoegingsverlies hebben, te weten M’. Hiermee wordt in het kader van het bepalen van de volgorde van horizontale verliesverrekening tevens door de oude fiscale eenheid (‘bestaande fiscale eenheid’) heen gekeken. De zelfstandige winst van M uit jaar 2 (+ 80), dus de winst berekend alsof zij geen deel uitmaakt van de oude fiscale eenheid (bestaande fiscale eenheid), wordt hier dus in het kader van het bepalen van de volgorde van horizontale verliesverrekening ook afzonderlijk in ogenschouw genomen. Omdat M zelfstandig bezien geen voorvoegingsverlies heeft, wordt het overgebleven deel van het negatieve resultaat van D3 in jaar 3 (- 40) bij voorrang horizontaal verrekend met de winst van M in jaar 3. Door deze volgorde van horizontale verliesverrekening kunnen de voorvoegingsverliezen van D1 uit jaar 3 en van de ‘bestaande fiscale eenheid’ M/D1 uit jaar 2, optimaal worden verrekend met hun ‘eigen winsten’. Uit dit voorbeeld kan worden afgeleid dat zelfs bij het bepalen van de volgorde van de horizontale verliesverrekening de clusterbenadering optioneel is, zo lang maar voldaan is aan de randvoorwaarde dat niet meer verticaal wordt verrekend dan het resultaat dat op het niveau van de fiscale eenheid en de ‘bestaande fiscale eenheid’ is gerealiseerd. Deze lezing lijkt bevestigd in de onder 27 weergeven Nota van toelichting, waarin staat vermeld: “Binnen deze eenheid [dit betreft de voorafgaande fiscale eenheid, oftewel de ‘bestaande fiscale eenheid’] volgt de horizontale saldering vervolgens eveneens de regels van het eerste lid.”. De hierboven besproken term ‘ook’ in het tweede lid van artikel 12 BFE (zie onder 24 en 26) biedt hiertoe eveneens aanknopingspunten. Hoewel in het parlementaire voorbeeld niet, zoals in casu, sprake is van een verlies van het cluster M/D1 in het horizontale verliesverrekeningsjaar (jaar 3), biedt het voorbeeld steun aan de uitleg van eiseres en het oordeel dat de dwingende clusterbenadering van verweerder niet opgaat.
32. De clusterbenadering die verweerder voorstaat is naar het oordeel van de rechtbank voorts strijdig met doel en strekking van de horizontale verliesverrekening en gaat verder dan het bepalen van de volgorde van horizontale verliesverrekening waarin artikel 12 BFE beoogt te voorzien. Doel en strekking van de horizontale verliesverrekening is immers te voorkomen dat een groter verlies wordt verrekend dan de winst die bij de fiscale eenheid (per saldo) tot uitdrukking komt (zie hierboven, o.a. onder 23). De door verweerder bepleite clusterbenadering gaat verder dan dat en leidt tot onbedoelde inbreuken op de verticale verliesverrekeningsmogelijkheden (zie ook hierna). De door eiseres voorgestelde horizontale verliesverrekening heeft niet tot gevolg dat er meer resultaten met elkaar worden verrekend dan gerealiseerd op het niveau van de [bedrijf fiscale eenheid 1] in 2020 dan wel op het niveau van de bestaande fiscale eenheid 2017 (cluster [bedrijf fiscale eenheid 1] / [bedrijf 3] ) en past gelet op het voorgaande binnen (doel en strekking van) de regelgeving inzake horizontale verliesverrekening.
33. Voor zover verweerder meent dat de regels inzake verticale verliesverrekening - in casu de regels inzake carry forward of voorwaartse verrekening van voorvoegingsverliezen - in de weg staan aan de benadering van eiseres, kan de rechtbank hem evenmin volgen. Volgens het eerste lid, aanhef en onderdeel a, van artikel 15ae Wet Vpb, vindt de verrekening van door een maatschappij voor haar voegingstijdstip geleden verliezen (voorvoegingsverliezen) met de belastbare winst van de fiscale eenheid plaats voorzover deze winst aan die maatschappij is toe te rekenen. Hiermee wordt voorkomen dat zelfstandig of enkelvoudig berekenende resultaten van maatschappijen over het voegingstijdstip heen met elkaar worden verrekend (zogenoemde kruislingse verliesverrekening) en is gewaarborgd dat ‘eigen winsten’ met ‘eigen verliezen’ worden verrekend. Van een dergelijke kruislingse verliesverrekening is in de benadering van eiseres geen sprake. In de benadering van eiseres worden immers ‘eigen’ verliezen van (de maatschappijen die behoorden tot het) het cluster [bedrijf fiscale eenheid 1] / [bedrijf 3] verrekend met ‘eigen’ winsten van die maatschappijen in 2020, terwijl daarbij de in artikel 15ah, eerste lid, van de Wet Vpb genoemde randvoorwaarde in acht is genomen, namelijk dat niet meer wordt verrekend dan de winst (het verlies) die (dat) bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komt (zie onder 12).
34. Het feit dat in de benadering van eiseres het zelfstandige verlies van [bedrijf fiscale eenheid 1] in 2020 horizontaal wordt verrekend met de zelfstandige winst uit 2020 van het in 2019 gevoegde [bedrijf 11] , maakt het voorgaande niet anders. Anders dan verweerder betoogt vermag de rechtbank niet in te zien dat dit leidt tot ongeoorloofde kruislingse verliesverrekening. Het bepaalde in artikel 15ae, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet Vpb, brengt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. Met deze uitbreiding van het eerste lid van artikel 15ae van de Wet Vpb, is verduidelijkt dat (1) genoemde kruislingse verliesverrekening van zelfstandige resultaten evenmin mogelijk is indien een bestaande fiscale eenheid wordt uitgebreid of indien een bestaande fiscale eenheid wordt opgenomen in een nieuwe fiscale eenheid en (2) verticale verliesverrekening ook in zulke gevallen wordt begrensd door de verliezen op het niveau van de bestaande fiscale eenheid (Nota van Wijziging, Kamerstukken II 2000/01, 26 854, nr. 7, p. 17 en Nota naar aanleiding van het Verslag, Kamerstukken II 2000/01, 26 854, nr. 6, p. 27). Zoals overwogen zijn beide situaties (ad 1 en 2) in casu niet aan de orde.
35. Het door verweerder aangehaalde Verzamelbesluit brengt de rechtbank ook niet tot een ander oordeel. Het Verzamelbesluit is van na het onderhavige belastingjaar (2020) en mist betekenis in het kader van de uitleg van de onderhavige wettelijke bepalingen en het BFE.
Slotsom
36. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard. De verliesverrekeningsbeschikking zal worden vastgesteld op een bedrag van [munteenheid] 142.402.155 (4.481.331 + 137.920.824). De aanslag Vpb 2020 zal worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van [munteenheid] 59.534.851 (belastbare winst [munteenheid] 201.937.006 -/- [munteenheid] 142.402.155). De belastingrente dient dienovereenkomstig te worden verminderd. Omdat over het percentage van de belastingrente is beslist in een procedure massaal bezwaar, onthoudt de rechtbank zich van een dictum op dit punt.
Proceskosten
37. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- stelt de verliesverrekeningsbeschikking vast op een bedrag van [munteenheid] 142.402.155;
- vermindert de aanslag Vpb 2020 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van [munteenheid] 59.534.851;
- bepaalt dat de belastingrente dienovereenkomstig verminderd wordt;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868, en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, en mr. G.H. de Soeten en mr. J.C. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. F.C. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op: