Home

Rechtbank Noord-Nederland, 22-10-2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:4279, AWB LEE - 19 _ 463

Rechtbank Noord-Nederland, 22-10-2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:4279, AWB LEE - 19 _ 463

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22 oktober 2019
Datum publicatie
28 januari 2020
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2019:4279
Zaaknummer
AWB LEE - 19 _ 463

Inhoudsindicatie

Artikel 11 van de Wet algemene bepalingen. De rechtbank geeft geen oordeel over de rechtvaardigheid van de wet.

Uitspraak

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/463

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 oktober 2019 in de zaak tussen

en

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2016 met dagtekening 2 juni 2018 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.682. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 76 aan belastingrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 17 januari 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand gemachtigde verweerder] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] . In 2016 was eiser woonachtig in Nederland en had hij geen fiscaal partner.

1.2.

Eiser heeft in het jaar 2016 – als uitkomst van een procedure tegen zijn voormalig werkgever – een nabetaling van loon gekregen over vijf voorafgaande jaren.

1.3.

Eiser heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 een giftenaftrek opgevoerd van in totaal € 14.896, bestaande uit: € 14.362 met omschrijving ‘Belastingdienst loonheffing/algemeen nut’ en € 534 met omschrijving ‘Gemeente [woonplaats] ’.

1.4.

Verweerder heeft bij brief van 23 januari 2018 eiser verzocht om nadere informatie over de in de aangifte opgevoerde giften.

1.5.

Eiser heeft bij brief van 10 februari 2018 gereageerd op verweerder zijn verzoek om nadere informatie.

1.6.

Verweerder heeft bij brief van 24 april 2018 aan eiser zijn voornemen kenbaar gemaakt om bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2016 af te wijken van de aangifte van eiser. De voorgenomen afwijking betreft het weigeren van de opgevoerde giftenaftrek.

1.7.

Met dagtekening 2 juni 2018 heeft verweerder de aanslag opgelegd overeenkomstig zijn aangekondigde voornemen (zie 1.6).

Geschil

2. In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd.

3. Eiser stelt dat de aanslag naar een te hoog bedrag is opgelegd. Ter zitting heeft eiser desgevraagd bevestigd dat hij niet betwist dat het weigeren van de giftenaftrek, het belasten van de nabetaling in het jaar van ontvangst en de toepassing van het progressieve tarief een juiste toepassing van de wet- en regelgeving is. Eiser voert als beroepsgrond aan dat (de uitkomst van) deze wet- en regelgeving onrechtvaardig is.

4. Verweerder stelt dat de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd.

Beoordeling

5. De rechtbank stelt voorop dat eiser – terecht – niet betwist dat verweerder de geldende wet- en regelgeving juist heeft toegepast bij het opleggen van de aanslag. Wat eiser in beroep wil, is dat de rechtbank een oordeel geeft over de rechtvaardigheid van de toegepaste wet- en regelgeving.

6. Op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen (Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk) staat het de rechtbank niet vrij om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Gelet daarop zal de rechtbank het door eiser verzochte oordeel over de rechtvaardigheid van de wet- en regelgeving niet geven.

7. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikking belastingrente.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2019.

w.g. griffier w.g. rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel