Home

Rechtbank Noord-Nederland, 27-07-2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:2730, AWB - 19 _ 1191

Rechtbank Noord-Nederland, 27-07-2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:2730, AWB - 19 _ 1191

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27 juli 2020
Datum publicatie
10 september 2020
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2020:2730
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1191

Inhoudsindicatie

De rechtbank concludeert dat er niet aan de eisen van consolidatie in de zin van artikel 4, vierde lid, onderdeel a WBR voldaan is. Nu Beheer BV niet geconsolideerd kan worden, is zij een onroerendezaaksrechtspersoon als in artikel 4, eerste lid sub a van de WBR. De rechtbank concludeert tevens dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van artikel 15, eerste lid, letter b van de WBR niet van toepassing is nu eiseres naar het oordeel van het de rechtbank niet tot de in sub b genoemde kring van personen behoort.

Uitspraak

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/1191

(gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ,

en

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Eiseres heeft een bedrag van € 16.800 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Tegen deze voldoening heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 27 februari 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2020 via een beeldverbinding. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand verweerder]

Op 11 juni 2020 heeft eiseres een formulier proceskostenvergoeding ingediend. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

De heer [vader] heeft op 7 november 1983 de vennootschap [BV] opgericht. Op 12 februari 1990 heeft hij de naam van zijn vennootschap [BV] gewijzigd in [beheer bv] ( Beheer B.V.).

1.2.

Beheer B.V. heeft op dezelfde datum een 100% dochtermaatschappij opgericht, [werkmaatschappij] De onderneming is met achterlating van het onroerend goed overgedragen aan [werkmaatschappij] (de werkmaatschappij). Vanaf die datum wordt het onroerend goed van Beheer B.V. verhuurd aan de werkmaatschappij.

1.3.

Op 24 april 1995 heeft Beheer B.V. de aandelen in de werkmaatschappij verkocht aan [BV2] Dit is de B.V. van de zonen van [vader]

1.4.

Op 3 februari 2003 heeft [BV2] al haar aandelen in de werkmaatschappij verkocht aan [holding BV] . Dit is de B.V. van de zoon van [vader] , [zoon1] .

1.5.

Op 24 december 2012 heeft [holding BV] 5% van haar aandelen in de werkmaatschappij verkocht aan Beheer B.V.

1.6.

De heer [vader] is op 10 november 2015 overleden. Op grond van zijn testament werd zijn echtgenote, [echtgenote] , enig aandeelhouder van Beheer B.V.

1.7.

Op 30 juli 2016 heeft notaris [notaris] te [plaats] een akte van aandelenoverdracht gepasseerd. Hierbij heeft [holding BV] 100% van de aandelen in Beheer B.V. aangekocht van [echtgenote] . Hierbij is een bedrag van € 16.800 aan overdrachtsbelasting betaald.

1.8.

Beheer B.V. heeft ten tijde van deze overdracht de volgende onroerende zaken in eigendom:

-

Woning aan de [adres] te [plaats] ;

-

Woning met bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] ;

-

Bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats]

1.9.

Notaris [notaris] heeft voor de onroerende zaken een waarde van € 320.000 aangegeven conform de vaststellingsovereenkomsten met de Belastingdienst. De waarde van de woningen is daarbij gesteld op € 60.000.

1.10.

Met dagtekening 12 augustus 2016 heeft eiseres bezwaar ingediend tegen de hiervoor genoemde overdrachtsbelasting.

1.11.

Op 19 mei 2018 heeft er een juridische fusie plaatsgevonden waarbij [holding BV] de verkrijgende vennootschap is en [beheer bv] en [werkmaatschappij] de verdwijnende B.V.’s zijn. Daarna is de naam van [holding BV] gewijzigd in [eiseres]

1.12.

Met dagtekening 27 februari 2019 heeft verweerder het bezwaar afgewezen.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of Beheer B.V. een onroerendezaakrechtspersoon in de zin van artikel 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) is. Indien dit niet het geval is, is in geschil de vraag of artikel 15, eerste lid, letter b van de WBR van toepassing is en zo ja, of er sprake is van een overdacht van een onderneming in fasen.

3. Eiseres stelt primair dat er geen overdrachtsbelasting verschuldigd is op grond van de zogenaamde doeleis als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a juncto artikel 4, vierde lid onderdeel a WBR. Eiseres stelt dat op grond van artikel 4, vierde lid van de WBR er consolidatie plaats moet vinden tussen Beheer B.V. en de werkmaatschappij.

Door deze consolidatie wordt niet voldaan aan de doeleis en wordt eveneens niet aan de bezitseis voldaan en daarmee is Beheer B.V. dus geen onroerendezaakrechtspersoon. Subsidiair stelt eiseres dat de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, sub b, van de WBR van toepassing is omdat er sprake is van een verkrijging van een onderneming, al dan niet in fasen.

4. Verweerder stelt dat Beheer B.V. wel een onroerendezaakrechtspersoon is en, ongeacht of consolidatie plaats kan vinden, voldaan is aan de doel- en bezitseis. Verweerder stelt dat de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, sub b van de WBR niet van toepassing is bij de verkrijging van de aandelen in Beheer B.V. door eiseres. De vrijstelling is van toepassing bij de verkrijging door een familielid en onder de voorwaarden zoals genoemd in artikel 15, eerste lid, sub b van de WBR. Nu de aandelen niet door de zoon worden verkregen, maar door de vennootschap waar de zoon alle aandelen houdt, is de vrijstelling niet van toepassing. Daarnaast stelt verweerder dat er geen sprake is van de verkrijging van een onderneming, al dan niet in fasen.

5. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 4 van de WBR als verkrijging van onroerende zaken mede wordt aangemerkt de verkrijging van aandelen in lichamen met een in aandelen verdeeld kapitaal. Deze verkrijgingen worden aangeduid als fictieve onroerende zaken. Voor de bepaling of de bezittingen van een rechtspersoon voor meer dan 50% uit onroerende zaken bestaan, dient niet alleen gekeken te worden naar de bezittingen die de rechtspersoon zelf heeft, maar moeten ook de bezittingen van andere rechtspersonen pro rata aan de rechtspersoon worden toegerekend. Artikel 4, vierde lid, sub a van de WBR geeft aan onder welke omstandigheden deze consolidatie plaats kan vinden.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a:

a. heeft, wanneer een rechtspersoon, al dan niet tezamen met een tot hetzelfde concern als gedefinieerd krachtens artikel 15, eerste lid, onderdeel h, behorend lichaam, of met een natuurlijk persoon die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot of zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie, een geheel of nagenoeg geheel belang heeft in de rechtspersoon, voor ten minste een derde gedeelte een belang bezit of heeft bezeten in een ander lichaam, bij het bepalen van zijn bezittingen naar evenredigheid toerekening plaats van de bezittingen en schulden van het andere lichaam;

6. De rechtbank is van oordeel dat, anders dan eiseres stelt, er geen sprake is van consolidatie als bedoeld in artikel 4, vierde lid, sub a van de WBR. Beheer B.V. bezit namelijk niet een belang van ten minste een derde in een andere rechtspersoon. Beheer B.V. vormt niet een concern als gedefinieerd in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de WBR jo. 5b van het Uitvoeringsbesluit BRV met werkmaatschappij, omdat Beheer B.V. daarin niet het gehele of nagenoeg gehele belang heeft. Evenmin houdt Beheer B.V. tezamen met een natuurlijk persoon een belang van ten minste een derde in een andere rechtspersoon. De enige andere aandeelhouder van werkmaatschappij is namelijk niet een natuurlijk persoon, maar [holding BV] zijnde een rechtspersoon.

Nu aan geen van de in artikel 4, vierde lid, sub a van de WBR genoemde eisen is voldaan, kan er geen consolidatie plaatsvinden tussen Beheer B.V. en de werkmaatschappij.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat Beheer B.V., als zij niet geconsolideerd wordt, voldoet aan de bezitseis (meer dan 50% onroerende zaken) en de doeleis (minimaal 70% dienstbaar aan exploitatie van onroerende zaken) als gesteld in artikel 4, eerste lid, sub a van de WBR. Beheer B.V. is dus, nu geen consolidatie kan plaatsvinden, een onroerendezaakrechtspersoon. Het standpunt van verweerder dat zelfs met consolidatie sprake zou zijn van een onroerendezaakrechtspersoon, hoeft dus geen bespreking.

8. De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van artikel 15, eerste lid, sub b van de WBR van toepassing is. Dit artikel luidt voor zover hier van belang:

1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging:

(…)

b. door een of meer kinderen, kleinkinderen, broers, zusters, of hun echtgenoten, van een ondernemer van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan diens onderneming die wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt:

1° met een kind gelijkgesteld een pleegkind;

2° met een broer of zuster gelijkgesteld een halfbroer, halfzuster, pleegbroer of pleegzuster.

9. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of aan de overige voorwaarden is voldaan, behoort eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet tot de in sub b genoemde kring van personen. Deze kring van personen bestaat uit natuurlijke personen. De opvatting van eiseres dat die kring ruimer moet worden genomen en dat daaronder ook rechtspersonen kunnen worden begrepen, vindt geen steun in het recht. De verwijzing van eiseres naar de doorkijkarresten treft geen doel, omdat in die zaken steeds sprake was van natuurlijke personen als verkrijgers en omdat uit die arresten niet volgt dat de Hoge Raad die groep ruimer heeft willen nemen. Nu eiseres al niet behoort tot de kring van personen, behoeven de overige eisen en hetgeen partijen daarover naar voren hebben gebracht geen bespreking. De beroepsgrond faalt.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 27 juli 2020 gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, rechter, in aanwezigheid van mr. K. M. Kruizinga, griffier. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

w.g. griffier w.g. rechter

Rechtsmiddel