Ga verder naar content

Rechtbank Noord-Nederland, 18-01-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:109, AWB - 19 _ 3168

Rechtbank Noord-Nederland, 18-01-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:109, AWB - 19 _ 3168

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18 januari 2021
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2021:109
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3168

Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Afwaarderen vordering.

De omstandigheid dat eiseres in de bezwaarfase alsnog de aangifte vennootschapsbelasting heeft ingediend, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat omkering en verzwaring van de bewijslast achterwege blijft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres vervolgens niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond, dat de betreffende vordering mag worden afgewaardeerd. Eiseres heeft geen recht op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase omdat het besluit niet is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Uitspraak

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/3168

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 18 januari 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ),

en

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2015 aan eiseres met dagtekening 27 mei 2017 een aanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.312.289. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 26.037 aan belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 2.639.

Bij uitspraak op bezwaar van 3 augustus 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.101.900. De belastingrente heeft verweerder overeenkomstig verminderd. De boete heeft verweerder verminderd tot een bedrag van € 1.319.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [X] , bijgestaan door [bijstand eiseres] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker verweerder] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiseres is opgericht op [oprichtingsdatum] . Haar aandelen worden via een Stichting Administratiekantoor gehouden door [X] en zijn echtgenote.

1.2.

Eiseres vormde in de periode 1 januari 2007 tot 18 mei 2016 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met [A1 BV] , een vennootschap waarin zij alle aandelen hield. Later is de naam van deze vennootschap gewijzigd in [A2 BV] . Deze vennootschap zal in het vervolg worden aangeduid als [A2 BV] .

1.3.

[X] was ook enig aandeelhouder van [B1 BV] . De naam van deze vennootschap is later gewijzigd in [B2 BV] . Deze vennootschap zal in het vervolg worden aangeduid als [B2 BV] .

1.4.

[X] was tevens enig aandeelhouder van [C BV] . [C BV] is enig aandeelhouder van [D BV] .

1.5.

Eiseres was eigenaar van een pand aan de [adres1] . In dit pand bevond zich een hotelcomplex dat verhuurd werd aan exploitant [exploitant] (hierna: het hotelcomplex). Eerder werd het hotelcomplex geëxploiteerd door [A2 BV] . Op het hotelcomplex was een recht van hypotheek gevestigd ten behoeve van [Bank] voor een bedrag van € 6.000.000.

1.6.

[X] heeft op 14 maart 2008 in privé een perceel aan de [adres2] (hierna: het perceel) gekocht.

1.7.

Op 10 september 2008 is het perceel door [X] voor een bedrag van € 1.050.000 verkocht aan [B2 BV] . Op dat moment werd er op het perceel een camping uitgebaat. De camping had volgens het destijds geldende bestemmingsplan 160 vaste en 30 tijdelijke plekken voor stacaravans en mocht 7 maanden per jaar open zijn.

1.8.

[B2 BV] heeft de aankoop van het perceel op 10 september 2008 gefinancierd met een lening verstrekt door [Bank] ten bedrage van € 1.200.000. Voor deze lening zijn de volgende borgstellingen verleend per 9 september 2008:

- eiseres € 450.000;

- [X] € 450.000;

- [A2 BV] € 450.000; en

- [X] € 1.500.000, met als zekerheid een al gevestigd recht van hypotheek op het perceel ten bedrage van € 1.500.000.

1.9.

Eiseres heeft geen overeenkomst voor de door haar afgegeven borgstelling afgesloten en geen vergoeding voor de borgstelling gekregen.

1.10.

Op 27 september 2011 is een gewijzigd bestemmingsplan voor het perceel vastgesteld. Op basis van dit bestemmingsplan mochten er 50 vakantiewoningen op het perceel gebouwd worden. Die woningen mochten het hele jaar verhuurd worden.

1.11.

Eiseres en [B2 BV] zijn op 30 september 2012 een overeenkomst aangegaan waarbij eiseres [B2 BV] een krediet verstrekt. Deze kredietovereenkomst (hierna: rekening-courantvordering) is aangegaan voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn van 6 maanden. Het openstaande bedrag bedroeg op 30 september 2012 € 54.722 en kon volgens de overeenkomst oplopen tot maximaal € 1.500.000, tegen een rente van 4% per jaar zonder zekerheden en zonder aflossingsschema. De rente was in overleg aan te passen.

1.12.

Per brief van 1 mei 2014 heeft [Bank] aan eiseres bevestigd dat zij de financiering aan eiseres en andere aan haar en [X] gelieerde vennootschappen, waaronder [B2 BV] en [A2 BV] , per 22 april 2014 heeft opgezegd. In de brief verzoekt [Bank] de vennootschappen om het op dat moment openstaande bedrag van in totaal € 4.693.774, te vermeerderen met nog p.m. gestelde posten, uiterlijk op 23 juni 2014 af te lossen.

1.13.

[Bank] heeft eiseres per afzonderlijke brief van 1 mei 2014 bericht dat mogelijk gebruik wordt gemaakt van de door eiseres afgegeven borgstelling (zie 1.8).

1.14.

Op 29 december 2014 heeft eiseres een aankondiging van een openbare verkoop van haar hotelcomplex ontvangen. De openbare verkoop was aangevraagd door [Bank] .

1.15.

Op 20 februari 2015 heeft eiseres het hotelcomplex voor een bedrag van € 4.500.000 verkocht aan [K BV] . Eiseres heeft de opbrengst van de verkoop van het hotelcomplex gebruikt om haar openstaande schuld aan [Bank] van op dat moment € 3.677.500 volledig af te lossen.

1.16.

[Bank] heeft na de verkoop van het hotelcomplex gebruik gemaakt van de door eiseres afgegeven borgstelling van € 450.000 (zie 1.8). Door het gebruik van de borgstelling heeft eiseres een regresvordering op [B2 BV] ten bedrage van € 450.000 verkregen.

1.17.

De nominale waarde van de rekening-courantvordering van eiseres op [B2 BV] bedroeg op 1 januari 2015 € 445.980 en op 1 januari 2016 € 1.065.203.

1.18.

Aan eiseres is door verweerder uitstel verleend tot 1 november 2016 voor het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting 2015.

1.19.

Met dagtekening 21 november 2016 heeft verweerder eiseres een herinnering voor het doen van aangifte gestuurd. Met dagtekening 10 maart 2017 is eiseres door verweerder aangemaand om voor 24 maart 2017 de aangifte in te dienen.

1.20.

Verweerder heeft binnen de door hem gestelde termijn geen aangifte vennootschapsbelasting 2015 van eiseres ontvangen. Met dagtekening 27 mei 2017 heeft verweerder vervolgens ambtshalve een aanslag vennootschapsbelasting 2015 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 1.312.289. Dit bedrag is gelijk aan de door eiseres met de verkoop van het hotelcomplex (zie 1.15.) behaalde boekwinst.

1.21.

Eiseres heeft per brief, ontvangen door verweerder op 4 juli 2017, bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 2015.

1.22.

Op 27 juli 2017 heeft [B2 BV] het perceel verkocht aan [D BV] voor een bedrag van € 1.100.000. De koopprijs is voldaan door overname van de schuld van [B2 BV] aan eiseres.

1.23.

Op 8 september 2017 heeft eiseres een aangifte vennootschapsbelasting 2015 gedaan naar een belastbaar bedrag van € 201.900. Eiseres heeft aldus op de vordering op [B2 BV] een afwaarderingsverlies van € 900.000 in aanmerking genomen.

1.24.

In de uitspraak op bezwaar van 3 augustus 2019 heeft verweerder het belastbare bedrag voor de vennootschapsbelasting 2015 aan de hand van de door eiseres ingediende aangifte vastgesteld. Verweerder heeft daarbij echter de door eiseres voorgestane afwaardering van de vordering van € 900.000 niet geaccepteerd waardoor het belastbare bedrag bij uitspraak op bezwaar op € 1.101.900 is vastgesteld.

Geschil en beoordeling

2. Het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of verweerder de aanslag vennootschapsbelasting 2015 bij uitspraak op bezwaar te hoog heeft vastgesteld. Verweerder beantwoordt deze vraag ontkennend en eiseres bevestigend. In beroep is daarbij enkel nog in geschil of eiseres de vordering op [B2 BV] in 2015 mag afwaarderen met een bedrag van € 900.000 tot nihil. Daarnaast moet de rechtbank oordelen over de vraag of er sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast en of eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Omkering en verzwaring bewijslast

3. Verweerder stelt dat eiseres – ondanks dat zij een uitnodiging, een herinnering en een aanmaning heeft ontvangen – geen aangifte vennootschapsbelasting 2015 heeft gedaan binnen de door verweerder gestelde termijnen. Gelet hierop vindt verweerder dat eiseres niet de vereiste aangifte vennootschapsbelasting 2015 heeft gedaan, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is.1 Eiseres betwist niet dat zij geen aangifte heeft gedaan binnen de gestelde termijnen, maar volgens haar rechtvaardigt dat geen omkering en verzwaring van de bewijslast.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eiseres door verweerder is uitgenodigd tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting 2015 en dat verweerder vervolgens een herinnering en aanmaning heeft verzonden, waarna eiseres niet binnen de daarin gegeven termijnen aangifte heeft gedaan. Dat is ook ter zitting door eiseres bevestigd. Verweerder heeft pas daarna ambtshalve de aanslag vennootschapsbelasting 2015 opgelegd. Met verweerder is de rechtbank daarom van oordeel dat eiseres daarmee niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

5. Omdat de rechtbank van oordeel is dat eiseres niet de vereiste aangifte vennootschapsbelasting 2015 heeft gedaan, moet eiseres doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aantonen, dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.2 De omstandigheid dat eiseres in de bezwaarfase alsnog de aangifte vennootschapsbelasting 2015 heeft ingediend, maakt niet dat omkering en verzwaring van de bewijslast in dit geval achterwege blijft.

Afwaarderen vordering

6. Eiseres voert aan dat zij de vordering op [B2 BV] op basis van goed koopmansgebruik mag afwaarderen ten laste van de belastbare winst van 2015. Zij heeft op zakelijke gronden fors geïnvesteerd in de ontwikkeling van het bungalowpark. De ontwikkeling ging echter moeizaam vanwege problemen met vergunningen. Daarnaast had [B2 BV] last van een slechte markt voor luxe vakantiewoningen. Ook waren er veel problemen met de bank, wat uiteindelijk zelfs heeft geleid tot het opzeggen van de kredietverstrekking aan het concern door [Bank] (zie 1.12). Het project kwam door deze problemen in 2015 tot stilstand en daarna ontstonden al snel liquiditeitsproblemen. De waarde van het perceel was in 2015 volgens eiseres verwaarloosbaar. Eiseres concludeert dat de situatie op dat moment dusdanig ernstig was dat zij mocht menen dat [B2 BV] haar verplichtingen uit hoofde van de rekening-courantvordering niet meer na kon komen.

7. Verweerder betwist gemotiveerd de standpunten van eiseres en voert subsidiair aan dat eiseres de vordering niet mag afwaarderen, omdat er sprake is van een onzakelijke borgstelling voor een bedrag van € 450.000 en voor het overige van een onzakelijke lening.

8. De rechtbank overweegt dat de waardering van vorderingen ter bepaling van de jaarlijkse winst volgens goed koopmansgebruik dient te geschieden met inachtneming van alle omstandigheden waardoor de waarde van die vorderingen op de balansdatum kan zijn beïnvloed. De rechtbank overweegt dat eiseres een aantal omstandigheden heeft aangevoerd die volgens haar de waarde van de vordering op [B2 BV] negatief hebben beïnvloed. Eiseres heeft haar standpunten, die door verweerder gemotiveerd worden betwist, echter niet met nadere stukken onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond, dat de vordering op [B2 BV] mag worden afgewaardeerd tot nihil. De beroepsgrond van eiseres faalt.

9. De overige elementen van de aanslag zijn niet in geschil. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de aanslag vennootschapsbelasting 2015 bij uitspraak op bezwaar dan ook niet te hoog vastgesteld.

Verzuimboete

10. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de verzuimboete. Niet in geschil is dat eiseres, ondanks daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand, niet tijdig aangifte heeft gedaan. Eiseres heeft geen beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld of een pleitbaar standpunt. De verzuimboete is naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 67a van de AWR in combinatie met paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, terecht opgelegd en is passend en geboden.

11. De rechtbank heeft wel ambtshalve geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.3 De rechtbank zal de boete daarom met 15% verminderen tot een bedrag van € 1.121.4 Omdat de rechtbank de boete enkel verlaagt, omdat zij ambtshalve heeft geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding het beroep tegen de boete gegrond te verklaren .5

Belastingrente

12. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiseres heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikking belastingrente. Hierbij wijst de rechtbank eiseres erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Proceskosten en griffierecht

13. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat zij recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat verweerder bij uitspraak op bezwaar de aanslag heeft verminderd. Verweerder stelt dat hij geen vergoeding verschuldigd is, omdat het bezwaar niet gegrond is verklaard vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Verweerder voert aan dat eiseres niet de vereiste aangifte heeft gedaan zodat de aanslag ambtshalve moest worden vastgesteld. Alleen omdat eiseres via een aangifte de benodigde gegevens had verstrekt, is de aanslag verminderd in de bezwaarfase.

14. De rechtbank overweegt dat de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken uitsluitend worden vergoed door het bestuursorgaan indien daar een verzoek toe wordt gedaan en voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.6 In de wetsgeschiedenis7 is, voor zover van belang, daarover het volgende opgemerkt:

Wordt een besluit niet herroepen, dan komen de gemaakte kosten voor rekening van de belanghebbende. Loutere vormfouten of motiveringsgebreken leiden niet tot een vergoedingsplicht. Het woord "herroepen" impliceert dat het oorspronkelijke besluit inhoudelijk onjuist moet zijn geweest. Indien de onjuistheid van het besluit te wijten is aan de belanghebbende, bijvoorbeeld omdat hij niet tijdig de juiste gegevens heeft verschaft, bestaat uiteraard geen recht op vergoeding.”

15. De rechtbank ziet gelet op het hiervoor overwogene geen aanleiding om het standpunt van eiseres te volgen. Verweerder moest bij het vaststellen van de aanslag vennootschapsbelasting 2015 de belastbare winst schattenderwijs bepalen, omdat eiseres geen aangifte had gedaan. Eiseres heeft pas in de bezwaarfase de gegevens voor het vaststellen van de aanslag verstrekt. Dat verweerder de aanslag bij uitspraak op bezwaar aan de hand van de door eiseres aangeleverde gegevens lager heeft vastgesteld is dan ook niet te wijten aan een onrechtmatigheid aan de zijde van verweerder. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover deze ziet op de boetebeschikking;

- vermindert de boete tot een bedrag van € 1.121;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, voorzitter, en mr. R.R. van der Heide en mr. M. Nusmeier, leden, in aanwezigheid van mr. L. van Eijk, griffier, op 18 januari 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel