Ga verder naar content

Rechtbank Noord-Nederland, 02-08-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:3603, AWB - 20 _ 2386, 20_2385

Rechtbank Noord-Nederland, 02-08-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:3603, AWB - 20 _ 2386, 20_2385

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
2 augustus 2021
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2021:3603
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2386, 20_2385

Inhoudsindicatie

Overdrachtsbelasting; de aangebouwde schuur en de (ondergrond van de) bijschuur zijn geen aanhorigheden gelet op de oorspronkelijke bestemming en het oorspronkelijke gebruik als (agrarische) bedrijfsgebouwen in samenhang met het feit dat deze later niet zijn verbouwd. Daarnaast is van belang dat eisers eigenlijk niets doen met de aangebouwde schuur en de bijschuur vanwege de slechte conditie. Verder is de aangebouwde schuur dusdanig groot dat het slecht voorstelbaar is om deze als ondergeschikt aan de woning aan te merken. Het enkele feit dat de aangebouwde schuur en de bijschuur niet meer voor hun oorspronkelijke doel gebruikt kunnen worden en dat de aangebouwde schuur vanuit de woning bereikbaar is, maakt ze nog niet tot aanhorigheden bij de woning. Voorts is de blote stelling dat de aanwezigheid van asbest de waarde van de aangebouwde schuur vermindert tot nihil, tegenover de door verweerder overgelegde taxatie, waarin al rekening is gehouden met asbest, onvoldoende om aannemelijk te achten dat aan de aangebouwde schuur geen waarde toekomt. Bovendien wordt overdrachtsbelasting berekend over de waarde in het economische verkeer die ten minste gelijk is aan de koopprijs. Gelet op voorgaande is het normale tarief van toepassing en heeft verweerder ter zake van de aangebouwde schuur en de (ondergrond van de) bijschuur terecht nageheven over het verschil tussen het normale tarief en het verlaagde tarief.

Uitspraak

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 20/2385 en 20/2386

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 augustus 2021 in de zaak tussen

en

(gemachtigde: [gemachtigde van verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft aan ieder van de eisers met dagtekening 14 december 2019 een naheffingsaanslag opgelegd in de overdrachtsbelasting ten bedrage van elk € 790.

Bij uitspraken op bezwaar van 2 juli 2020 heeft verweerder de bezwaren van eisers deels toegewezen. Verweerder heeft daarbij de naheffingsaanslag ten name van [eiser 1] verminderd met € 5 en de naheffingsaanslag ten name van [eiser 2] verminderd met € 4.

Eisers hebben tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2021. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [aanwezige 1] . Ter zitting zijn de beroepen gelijktijdig behandeld.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Bij notariële akte van 4 april 2019 is aan eisers (ieder voor de onverdeelde helft) de eigendom van de onroerende zaken aan [adres] te [plaats] overgedragen voor een koopprijs van € 285.000. De onroerende zaken betreffen een woonhuis met erf, grond en verdere toebehoren.

1.2.

Eisers hebben 2% overdrachtsbelasting voldaan over de koopprijs van € 285.000, zijnde € 5.700.

1.3.

Na opname ter plaatse heeft taxateur K.S. de Vries in diens waardebeoordeling met dagtekening 16 september 2019 de koopsom als volgt uitgesplitst:

A. Woonhuis € 165.500

B. Ondergrond woonhuis tuin en erf € 80.000

C. Aangebouwde schuur € 28.250

D. Bijschuur nihil

E. Bedrijfskavel ca. 735m2, ondergrond schuur en bijschuur € 11.250

1.4.

Op 19 september 2019 heeft verweerder een naheffingsaanslag aangekondigd. Verweerder heeft daarin – voor zover hier van belang – geschreven:

De aangebouwde schuur (inclusief ondergrond) is niet als woning aan te merken en de bedrijfskavel en de bijschuur met ondergrond zijn niet als aanhorigheden bij de woning aan te merken. Dit betekent dat over de waarden daarvan niet 2% maar 6% overdrachtsbelasting is verschuldigd.

De meer verschuldigde overdrachtsbelasting bedraagt € 39.500 x 4% = € 1.580.

Het bedrag van de naheffingsaanslag wordt gelijkelijk verdeeld over beide verkrijgers.

1.5.

Verweerder heeft met dagtekening 14 december 2019 de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd overeenkomstig de in 1.4. bedoelde aankondiging.

1.6.

In een gedeelte van de aangebouwde schuur is een inpandige aanbouw gerealiseerd ten behoeve van een slaap- en badkamer. Die aanbouw is aangemerkt als woning en is tegen het 2%-tarief in de belastingheffing betrokken. Hiermee heeft verweerder bij het opleggen van de (naheffings)aanslagen rekening gehouden. Voor het overige is de aangebouwde schuur tegen het 6%-tarief in de belastingheffing betrokken.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht en niet tot een te hoog bedrag zijn opgelegd. Ter zitting is komen vast te staan dat de naheffingsaanslagen uitsluitend zijn gebaseerd op de aangebouwde schuur en de (ondergrond van de) bijschuur. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de aangebouwde schuur en de (ondergrond van de) bijschuur aanhorigheden zijn, zodat het verlaagde tarief van 2% overdrachtsbelasting verschuldigd is. Verder is tussen partijen de waarde van de aangebouwde schuur in geschil.

3. Eisers stellen dat de aangebouwde schuur en de bijschuur met ondergrond aanhorig zijn bij de woning. Ze worden niet meer bedrijfsmatig gebruikt en dat kan ook niet, gelet op de hedendaagse agrarische normen. Zo zijn de koeienstallen te klein om daadwerkelijk nog koeien in te kunnen houden. Verder heeft de aangebouwde schuur een waarde van nihil, althans een lagere waarde dan waarvan verweerder uitgaat, vanwege eventuele verwijderingskosten van asbest.

4. Volgens verweerder is geen sprake van aanhorigheden. De aangebouwde schuur is groter dan het woonhuis en kan dus ook niet als ondergeschikt daaraan worden gezien. Het enkele plaatsen van wat privéspullen in de schuren, maken ze nog niet aanhorig. De functie van de schuren valt niet te vergelijken met de functie van een schuur of opslagplaats ten dienste van een woning. Verder is de waarde van de aangebouwde schuur niet te hoog vastgesteld, aldus verweerder.

5. Ingevolge artikel 14, eerste lid van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (Wbr) bedraagt het tarief van de overdrachtsbelasting 6%. Het tweede lid van dit artikel maakt hierop een uitzondering voor woningen en aanhorigheden die tot woningen behoren. Hiervoor geldt een tarief van 2%. Het begrip ‘aanhorigheden’ wordt niet in de Wbr gedefinieerd. De Hoge Raad heeft met betrekking tot dat begrip overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een aanhorigheid van belang is of het onderdeel behoort bij de woning, daarbij in gebruik is, en daaraan dienstbaar is.1 Daarbij is van belang het doel van dat onderdeel waarvoor het oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd.2 Een latere verbouwing kan de aard van het onderdeel wijzigen. Omdat het lage tarief een uitzondering is op de hoofdregel dat het hoge tarief van toepassing is, is het aan eisers om aannemelijk te maken dat in hun geval sprake is van aanhorigheden die leiden tot het verlaagde tarief.

6. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de aangebouwde schuur en de bijschuur oorspronkelijk zijn gebouwd als bedrijfsgebouwen ten behoeve van een agrarisch bedrijf en als zodanig zijn gebruikt. Evenmin is tussen partijen in geschil dat deze onderdelen later niet zijn verbouwd. Ter zitting hebben eisers verklaard dat zij met beide schuren eigenlijk niets doen en dat dat ook niet kan: het dak is niet waterdicht (vandaar dat de grasmaaier onder een partytent staat) en het is binnen stoffig. Verder acht de rechtbank van belang dat de aangebouwde schuur dusdanig groot is, dat het slecht voorstelbaar is om deze als ondergeschikt aan de woning aan te merken. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat eisers niet aan de op hen rustende bewijslast hebben voldaan. Het enkele feit dat de aangebouwde schuur en de bijschuur niet meer voor hun oorspronkelijke doel gebruikt kunnen worden en dat de aangebouwde schuur vanuit de woning bereikbaar is, maakt ze nog niet tot aanhorigheden bij de woning. Verweerder heeft terecht het 6%-tarief van toepassing geacht op de aangebouwde schuur en de (ondergrond van de) bijschuur waardoor op juiste grond over het verschil tussen het verlaagde tarief en het 6%-tarief is nageheven.

7. Ten aanzien van het geschil over de waarde van de aangebouwde schuur stelt de rechtbank voorop dat overdrachtsbelasting wordt berekend over de waarde in het economische verkeer van de verkregen onroerende zaak.3 De waarde in het economische verkeer is ten minste gelijk aan de waarde van de tegenprestatie: de koopprijs.4 In dit geval bedraagt de koopprijs € 285.000. De rechtbank begrijpt eisers zo dat de onder 1.3. vermelde uitsplitsing van de koopprijs niet juist is en dat onderdeel C op nihil gesteld moet worden. Eisers hebben tegenover de door verweerder overgelegde taxatie, waarin al rekening is gehouden met asbest, echter niet meer gesteld dan de blote stelling dat de aanwezigheid van asbest de waarde nihil maakt. De rechtbank kan eisers dan ook niet volgen in hun stelling dat de waarde van de aangebouwde schuur nihil is. De beroepsgrond faalt.

8. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Bontsema, griffier, op 2 augustus 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel