Home

Rechtbank Noord-Nederland, 20-10-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:4671, 19/3859

Rechtbank Noord-Nederland, 20-10-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:4671, 19/3859

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20 oktober 2021
Datum publicatie
3 november 2021
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2021:4671
Formele relaties
Zaaknummer
19/3859

Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft beslist dat een perceel grond een negatieve waarde kan hebben voor box 3.

Uitspraak

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/3859

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 20 oktober 2021 in de zaak tussen

(gemachtigde: ing. H.J. Bos ab),

en

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Met dagtekening 14 augustus 2018 heeft verweerder aan eiser een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2017 opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.390 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.205.

Bij uitspraak van bezwaar van 27 september 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 21 september 2021 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn zoon, [zoon] , en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand] .

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan tezamen met het voorgelezen deel van de pleitnota van eiser een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Overwegingen

Feiten

1.1.

Eiser is geboren op [datum] 1947 en gehuwd met [echtgenote] , die is geboren op [datum] 1949.

1.2.

Eiser is eigenaar van onder meer een perceel braakliggende, vervuilde grond van 3.52.10 ha (het perceel).

1.3.

Eiser heeft een beschikking van de Gedeputeerde Staten van de provincie [provincie] van [datum] 2008 overgelegd aangaande de ernst van de aangetroffen verontreiniging en de spoedeisendheid van het treffen van saneringsmaatregelen ten aanzien van het perceel. Gedeputeerde Staten hebben daarin besloten:

1. dat ter plaatse van het perceel met de kadastrale aanduiding gemeente [gemeente] ,

sectie [letter] , nummers [nummers] sprake is van een geval van ernstige verontreiniging;

2. dat het huidige gebruik en het voorgenomen gebruik (wonen + werken) niet leidt tot

zodanige risico’s voor mens, plant en dier dat spoedige sanering van de aanwezige

bodemverontreinigingen noodzakelijk is;

3. dat in het belang van de bescherming van de bodem periodieke monitoring van de

grondwaterkwaliteit plaats dient te vinden conform het monitoringsplan in § 3.4 van

deze beschikking;

4. dat de beperkingen in het gebruik van de bodem in acht moeten worden genomen

door de eigenaar, erfpachter en/of gebruiker van het grondgebied waar sprake is van

ernstige verontreiniging;

5. dat iedere wijziging in het gebruik van de bodem van de onder punt 1 genoemde

kadastrale percelen gemeld dient te worden bij Gedeputeerde Staten van [provincie].”

1.4.

Eiser heeft een offerte met dagtekening [datum] 2013 voor het saneren van het perceel overgelegd van [slooopbedrijf] ten bedrage van € 6.300.000 exclusief omzetbelasting.

1.5.

Het perceel heeft in gesaneerde staat een waarde van € 210.000.

1.6.

Eiser dreef tot 2011 een onderneming. Het perceel behoorde tot het ondernemingsvermogen en bij de staking is het perceel van het ondernemingsvermogen overgegaan naar het privévermogen zonder dat er waarde aan het perceel is toegekend.

1.7.

Vanaf 2013 is het perceel in de aangifte IB/PVV van eiser met een waarde van nihil aangegeven voor zijn inkomsten uit sparen en beleggen.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is of verweerder de aanslag IB/PVV 2017 tot het juiste bedrag heeft opgelegd en of het verzamelinkomen op het juiste bedrag is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vragen of het perceel in het kader van de berekening van de rendementsgrondslag in de zin van artikel 5.3 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) een negatieve waarde heeft en, als de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord, of de heffing over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen een individuele en buitensporige last is.

2.1.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de waarde van het perceel een negatieve waarde heeft, voert eiser aan dat de waarde van de grond in gesaneerde staat verminderd moet worden met de saneringskosten. De negatieve waarde van het perceel leidt ertoe dat zijn rendementsgrondslag voor zijn inkomen uit sparen en beleggen nihil bedraagt, zodat zijn aanslag IB/PVV 2017 verminderd moet worden tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.390. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de heffing over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen een individuele en buitensporige last is, voert eiser aan dat hij volgens de wet belasting moet betalen over zijn vastgestelde vermogen terwijl dit vermogen door de negatieve waarde van het perceel in zijn totaliteit en in werkelijkheid negatief is.

2.2.

Verweerder stelt dat hij de aanslag IB/PVV 2017 tot het juiste bedrag heeft opgelegd. Volgens verweerder mag het perceel op een waarde van nihil in aanmerking worden genomen, maar is een lagere waarde dan nihil niet mogelijk. Verder voert verweerder aan dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de heffing over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor eiser een individuele en buitensporige last is.

2.3.

Eiser heeft in beroep ook aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte geen dwangsom heeft toegekend wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Ter zitting hebben partijen gezamenlijk verklaard dat verweerder in verband met het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom aan eiser heeft verbeurd van negen dagen maal € 23. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat over het verbeurd zijn van een dwangsom en de hoogte daarvan geen geschil meer bestaat.

2.4.

De rechtbank stelt ten slotte nog vast dat eiser als bezwaargrond nog heeft aangevoerd dat de vermogensrendementsheffing op regelniveau in strijd is met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en/of artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Bezwaarschriften met deze rechtsgronden erin zijn als massaal bezwaar in de zin van artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aangewezen. Gelet hierop is de behandeling van het bezwaar gesplitst, in die zin dat de hiervoor bedoelde bezwaargrond wordt behandeld volgens de regeling van massaal bezwaar in de zin van artikel 25c en verder van de AWR. De aan deze bezwaargrond ten grondslag liggend geschilpunt is om die reden geen onderdeel van dit beroep.

3. Ingevolge artikel 5.3, eerste lid, van de Wet IB 2001 is de rendementsgrondslag voor de inkomsten uit sparen en beleggen de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. De rechtbank stelt vast dat eiser en verweerder principieel van mening verschillen of een bezitting als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de Wet IB 2001, zoals het perceel, een negatieve waarde kan hebben.

3.1.

Volgens eiser volgt uit een arrest van de Hoge Raad van 2 februari 20181 dat de waarde van een bezitting negatief kan zijn. De rechtbank volgt eiser hierin niet. In het door eiser aangehaalde arrest wordt verwezen naar een ander, op diezelfde dag uitgesproken arrest van de Hoge Raad2 over de zogenoemde Interest Rate Swap. De Hoge Raad oordeelde in die zaak dat een Interest Rate Swap een overeenkomst was tussen belanghebbende en de bank op basis waarvan belanghebbende enerzijds een verplichting en anderzijds een recht heeft jegens de bank. Deze verplichting vormde een schuld in de zin van artikel 5.3 van de Wet IB 2001 en dat recht vormde een bezitting in de zin van artikel 5.3 van de Wet IB 2001. De schuld en de bezitting waren als één geheel overeengekomen. Daarom deed zich naar het oordeel van de Hoge Raad de situatie voor dat voor de berekening van het inkomen uit sparen en beleggen de schuld en de bezitting als eenheid in aanmerking moeten worden genomen als bedoeld in artikel 5.19, tweede lid, van de Wet IB 2001. In het verlengde daarvan kon het negatieve saldo van de waarden van de schuld (de verplichting) en de bezitting (het recht) bij de bepaling van de rendementsgrondslag in aanmerking worden genomen als schuld. Uit het arrest volgt niet dat de waarde van de bezitting negatief was en dat die negatieve waarde als bezitting bij de bepaling van de rendementsgrondslag in aanmerking mocht worden genomen.

3.2.

Voor zover eiser met de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad bedoeld heeft een beroep te doen op artikel 5.19, tweede lid, van de Wet IB 2001, slaagt dit beroep niet. Niet gebleken is dat op eiser ten aanzien van het perceel op grond van enige (wettelijke) bepaling de juridische verplichting rust tot saneren. Ter zitting heeft eiser bovendien ook bevestigd dat er ook anderszins geen afdwingbare saneringsverplichting is. Bij gebreke daarvan is er ook geen sprake van een verplichting in de zin van artikel 5.3 van de Wet IB 2001 en dus ook niet van een schuld in de zin van dat artikel. Daardoor kan van een tezamen nemen van een bezitting en een verplichting (schuld) ook geen sprake zijn. Dit betekent dat artikel 5.19, tweede lid, van de Wet IB 2001 niet van toepassing is.

3.3.

De rechtbank overweegt dat de Wet IB 2001 geen antwoord geeft op de vraag of een bezitting bij de bepaling van de rendementsgrondslag als zodanig ook een negatieve waarde kan hebben. In de wetsgeschiedenis wordt deze vraag evenmin beantwoord. Het gerechtshof Amsterdam heeft in zijn uitspraak die ten grondslag ligt aan het hiervoor bedoelde arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2018 geoordeeld dat de schuld en de bezitting inzake de Interest Rate Swap niet als eenheid als bedoeld in artikel 5.19, tweede lid, van de Wet IB 2001 in aanmerking moeten worden genomen. Vervolgens heeft het gerechtshof geoordeeld dat de bezitting inzake de Interest Rate Swap met een negatieve waarde bij de bepaling van de rendementsgrondslag als bezitting (vermogensrecht) in aanmerking kan worden genomen.3 Zoals hiervoor uiteengezet, was de Hoge Raad echter – anders dan het gerechtshof – van oordeel dat de schuld en de bezitting inzake de Interest Rate Swap wel als eenheid in aanmerking moeten worden genomen als bedoeld in artikel 5.19, tweede lid, van de Wet IB 2001. Aan de vraag of een bezitting met een negatieve waarde bij de bepaling in de rendementsgrondslag als bezitting in aanmerking kan worden genomen, kwam de Hoge Raad niet toe.

3.4.

Naar aanleiding van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam is AdvocaatGeneraal Wattel in zijn conclusie van 11 oktober 20174 voor het hiervoor bedoelde arrest van de Hoge Raad ingegaan op de vraag of een bezitting bij de bepaling van de rendementsgrondslag ook een negatieve waarde kan hebben. Hij heeft daarover – onder meer – het volgende geschreven:

4.7 (…) Een zelfstandig vermogensbestanddeel kan immers zowel een negatieve als een positieve waarde hebben, zoals bijvoorbeeld het lidmaatschap van een VvE met een onderhoudsdeficit, of de eigendom van ernstig verontreinigde landbouwgrond (ter zake waarvan nog geen saneringsaanschrijving is ontvangen, zodat nog geen ‘schuld’ in civielrechtelijke zin bestaat, maar ‘economisch’ wel negatief vermogen).

en

Bezitting?

6.2

Ik leid uit de parlementaire geschiedenis (zie 4.6, 5.1 en 5.2) af dat de begrippen ‘bezittingen’, met name ‘vermogensrechten’, en ‘schulden’ voor de toepassing van box 3 een ruimere betekenis hebben dan in het burgerlijke recht en dat onder ‘overig vermogensrecht’ in elk geval alle rechten met enige waarde in het economisch verkeer worden begrepen. Uit die parlementaire geschiedenis volgt voorts (zie 5.2) dat ‘schulden’ gezien moeten worden als het ‘spiegelbeeld’ van ‘positieve vermogensbestanddelen’ (waaronder mijns inziens renteswaps met een positieve waarde vallen), alsmede (zie 4.3) dat als bezittingen in box 3 vallen overige vermogensrechten die ‘in economische zin’ rendement ‘kunnen’ opleveren (daaronder vallen mijns inziens renteswaps die immers positief – maar ook negatief – kunnen zijn).

(…)

6.4

Volgens u zijn het lidmaatschap van een vereniging van eigenaars (zie 4.7) en een geërfd economisch belang in een Stiftung (zie 4.8) ‘bezittingen’ en uit niets blijkt dat dat anders zou zijn als dat lidmaatschap of dat belang een negatieve waarde zou vertegenwoordigen.

6.5

Ik lees in de parlementaire geschiedenis niet dat ‘bezittingen’, zoals bijvoorbeeld verontreinigde grond, geen negatieve waarde zouden kunnen hebben. Mogelijk is de wetgever zich daarvan niet al te bewust geweest, maar teleologisch en systematisch sluit het door hem gekozen uitgangspunt (zie 4.3 en 6.3) juist niet uit dat een bezitting een negatieve waarde heeft. Zijn uitgangspunt is immers dat het gehele (saldo)vermogen in economische zin rendement kan opleveren. Daarin past logisch en systematisch niet de uitsluiting van negatief vermogen, net zomin als daarin zou passen de uitsluiting van schulden, die dan ook niet uitgesloten zijn en die door de wetgever als het ‘spiegelbeeld’ van bezittingen zijn aangemerkt, dus: als negatieve bezittingen. Dat gewaardeerd moet worden op de ‘waarde in het economisch verkeer’ biedt mijns inziens evenmin enige steun voor uitsluiting van bezittingen met een negatieve waarde; ook het spiegelbeeld van bezittingen (schulden) moet immers naar diezelfde maatstaf gewaardeerd worden.

(…)

6.7

Ik meen dat het Hof de litigieuze IRS terecht als bezitting heeft aangemerkt, ongeacht het toevallige teken van diens waarde.

3.5.

De rechtbank onderschrijft de zienswijze van Advocaat-Generaal Wattel. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat een bezitting in de zin van artikel 5.3, tweede lid, van de Wet IB 2001 naar haar aard ook een negatieve waarde kan hebben. Het gaat vervolgens om de waarde in het economisch verkeer (zie artikel 5.19, eerste lid, van de Wet IB 2001).

3.6.

Gelet op het onweersproken gelaten standpunt van eiser dat hij bij verkoop van het perceel in de huidige staat een bedrag aan de koper zou moeten betalen, is de rechtbank van oordeel dat het perceel een negatieve waarde heeft.

3.7.

Wat betreft de omvang van die negatieve waarde geldt het volgende. Verweerder heeft gesteld dat de negatieve invloed van de bodemvervuiling op de waarde hooguit € 210.000 is, zodat de waarde van het perceel per saldo nihil is. Eiser heeft verdedigd dat de negatieve invloed van de bodemvervuiling op de waarde van het perceel ten minste € 625.000 is. De waarde in gesaneerde staat zou € 210.000 zijn. De aangegeven (overige) bezittingen van eiser en zijn echtgenote zijn samen € 414.004, het heffingsvrij vermogen is € 50.000. Daaruit volgt dat bij een negatieve waarde van het perceel van ten minste € 364.004 de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen al op nihil uitkomt. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat de negatieve invloed van de bodemvervuiling op de waarde in het economisch verkeer van het perceel ten minste € 625.000 is. De rechtbank overweegt dat dit minder dan 10 % is van de geoffreerde saneringskosten (die verweerder als zodanig niet heeft betwist). Een potentiële koper zal er rekening mee houden dat de grond vervuild is, hij misschien ooit verplicht moet saneren (bijvoorbeeld bij gewijzigde wetgeving of door besluitvorming van de overheid) en dat de grond in huidige staat voor (zeer) beperkte doeleinden geschikt is. Een waardedruk van nog geen 10 % van de begrote kosten van sanering acht de rechtbank dan ook aannemelijk. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de rendementsgrondslag op nihil moet worden gesteld.

4. Het voorgaande betekent dat het beroep van eiser gegrond is en dat de waarde van het perceel zodanig negatief is dat het inkomen uit sparen en beleggen moet worden vastgesteld op nihil. Dit leidt tot de conclusie dat de aanslag IB/PVV 2017 van eiser moet worden verminderd tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.390. Nu reeds op deze gronden eiser volledig in het gelijk wordt gesteld, behoeft hetgeen eiser verder heeft aangevoerd geen behandeling meer.

5. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 47 moet vergoeden.

6. Verder heeft eiser recht op een vergoeding door verweerder van de proceskosten die hij heeft gemaakt. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 4 punten op (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 748) bij een wegingsfactor 1. De totale vergoeding bedraagt aldus € 2.026. Met deze (berekeningswijze van de) proceskostenvergoeding hebben partijen op de zitting ingestemd.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.390;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom is verschuldigd van € 207;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.026.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Kattenberg, voorzitter, en mr. A. Heidekamp en mr. S.J. Swaters, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2021.

w.g. griffier

w.g. voorzitter

Bent u het niet eens met deze uitspraak?