Home

Rechtbank Noord-Nederland, 16-10-2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4185, LEE 23/1938

Rechtbank Noord-Nederland, 16-10-2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4185, LEE 23/1938

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16 oktober 2025
Datum publicatie
23 oktober 2025
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2025:4185
Zaaknummer
LEE 23/1938
Relevante informatie
Art. 1 BPM, Art. 5 BPM, Art. 7:15 Awb, Art. 20 AWR

Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat inspecteur de naheffingsaanslag Bpm ten onrechte aan eiser heeft opgelegd. Iemand anders dan eiser heeft de auto ingeschreven. De inspecteur maakt niet aannemelijk dat die ander dat in opdracht van eiser heeft gedaan.

Als er veronderstellende wijs vanuit wordt gegaan dat te weinig belasting is geheven, dan is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat het gevolg is van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door eiser. Ook het subsidiaire standpunt van de inspecteur, dat is gebaseerd op artikel 20, tweede lid, van de Awr, slaagt daarom niet.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 23/1938


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team Auto BPM, de inspecteur

(gemachtigde: mr. [naam 1] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Minister van Justitie en Veiligheid (de Minister).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 maart 2023.

1.1.

De inspecteur heeft aan eiser een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 16.964.

1.2.

De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.4.

De inspecteur en eiser hebben nadere stukken ingediend.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2025 op zitting behandeld. Namens eiser is mr. [naam 2] verschenen. Namens de inspecteur zijn mr. [naam 1] en mr. [naam 3] verschenen.

Feiten

2.1.

Eiser heeft met dagtekening 28 april 2022 aangifte Bpm gedaan voor een Ford Explorer 2.3 (de auto). De verschuldigde Bpm heeft eiser aan de hand van een taxatierapport van Bramer Cars berekend op € 3.656. Eiser heeft dat bedrag op aangifte voldaan.

2.2.

De auto is op 9 maart 2022 door [onderneming 1] B.V. gekocht van [onderneming 2] . Eiser is directeur en enig aandeelhouder van [onderneming 1] B.V.

2.3.

De inspecteur heeft eiser uitgenodigd de auto op 6 mei 2022 bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) te tonen. DRZ heeft een verslag van haar bevindingen gemaakt, met dagtekening 9 mei 2022.

2.4.

Bij brief van 15 juni 2022 heeft de inspecteur aan eiser een kennisgeving gestuurd.

2.5.

Bij brief van 13 juli 2022 heeft de inspecteur aangekondigd een naheffingsaanslag op te zullen leggen.

2.6.

Met dagtekening 5 augustus 2022 heeft de inspecteur aan eiser een naheffingsaanslag Bpm opgelegd van € 16.964.

2.7.

De inspecteur heeft de RDW verzocht om informatie ter zake van wie de aanvraag voor afgifte van het kenteken heeft gedaan. De RDW heeft bij e-mail van 15 oktober 2024 als volgt geantwoord:

Inschrijver van het voertuig op 02-05-2022 is:

[onderneming 3] B.V.

[adres]

2.8.

[onderneming 2] is één van de handelsnamen van [onderneming 3] B.V.

Beoordeling door de rechtbank

Conclusie en gevolgen

Beslissing

Informatie over hoger beroep