Home

Rechtbank Noord-Nederland, 26-03-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:912, AWB_LEE_25-497

Rechtbank Noord-Nederland, 26-03-2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:912, AWB_LEE_25-497

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26 maart 2026
Datum publicatie
2 april 2026
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:912
Zaaknummer
AWB_LEE_25-497
Relevante informatie
Art. 8:57 Awb, Art. 30a Wet WOZ

Inhoudsindicatie

WOZ/PKV/Buiten zitting/ongegrond

Uitspraak

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/497

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

(gemachtigde: [naam 1] )

en

(gemachtigde: [naam 2] ).

Procesverloop

1. In de uitspraak op bezwaar van 19 december 2024 inzake de WOZ-waarde van het object [adres] (de niet-woning) voor het belastingjaar 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de WOZ-waarde verlaagd naar € 167.000.

1.1.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

1.2.

Eiseres heeft de rechtbank bij brief van 16 januari 2026 meegedeeld dat in deze procedure enkel over de hoogte van de proceskostenvergoeding nog een geschil bestaat.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft de op de procedure betrekking hebbende stukken ingediend.

1.4.

De rechtbank doet, met instemming van partijen, op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zonder zitting uitspraak.

Overwegingen

2. In beroep is in geschil of de heffingsambtenaar aan eiseres een te laag bedrag aan proceskostenvergoeding heeft toegekend. Het gaat daarbij om twee aspecten: de vergoeding van het door eiseres in de bezwaarfase overgelegde taxatierapport en de vergoeding voor de door haar gemachtigde verleende rechtsbijstand. De rechtbank zal beide aspecten hierna afzonderlijk beoordelen.

Kostenvergoeding taxatierapport

3. Eiseres heeft in de bezwaarfase om een vergoeding voor het taxatierapport verzocht van € 740,52 (9 uur x € 68 + 21% BTW). Eiseres vindt de vergoeding van het taxatierapport van € 329,12 te weinig. Er is vier uur vergoed, terwijl haar taxateur er negen uur mee bezig is geweest. Eiseres wijst erop dat voor courante niet-woningen de richtlijn van de belastingkamers geen aanwijzing geven voor het aantal uren, omdat deze objecten te complex zijn.

3.1.

De heffingsambtenaar vindt het bedrag aan taxatiekosten van € 329,12 niet te laag. Hij is van mening dat (de taxatie van) het onderhavige object absoluut niet complex te noemen is, maar juist uitstekend vergelijkbaar is met die van een eenvoudige, kleine woning.1 De vier uur waarmee gerekend is, is volgens de heffingsambtenaar meer dan ruimhartig.

3.2.

De rechtbank volgt de heffingsambtenaar erin dat het door hem uitgekeerde bedrag aan taxatiekosten van € 329,12 niet te laag is. Het betreft een taxatie van een zeer eenvoudige en kleine winkelruimte met twee overige kleine ruimtes. Naar het oordeel van de rechtbank is de waardering van het object niet als bewerkelijk of complex aan te merken. Ook in het betreffende taxatierapport zijn geen zaken opgenomen die wijzen op een bovengemiddelde complexiteit. De rechtbank kan het concreet op deze zaak toegespitste betoog van de heffingsambtenaar goed volgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de heffingsambtenaar in zoverre aan eiseres een juist bedrag aan proceskostenvergoeding heeft toegekend.

Beroepsmatig verleende rechtsbijstand

4. Eiseres vindt het niet terecht dat de heffingsambtenaar de proceskostenvergoeding heeft vermenigvuldigd met 0,25 (de WOZ-factor). Zij is van mening dat de werkzaamheden voor courante niet-woningen veel complexer en bewerkelijker zijn dan een standaard zaak en dat daarom de WOZ-factor van 0,25 niet toegepast zou dienen te worden. Eiseres stelt dat sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 17 januari 2025.2

4.1.

Volgens de heffingsambtenaar is de toegepaste WOZ-factor in bezwaar van 0,25 niet te laag. De heffingsambtenaar vindt dat geen sprake is van een bijzonder geval.

Bijzonder geval?

5. Gelet op wat de Hoge Raad in zijn arrest van 17 januari 2025 heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van eiseres met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een ‘bijzonder geval’ als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2. van dat arrest. Blijkens het arrest van 17 januari 2025 rust de bewijslast dat sprake is van een ‘bijzonder geval’ op de gemachtigde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij het verlangde bewijs niet geleverd. De gemachtigde heeft geen concreet (cijfermatig) inzicht gegeven in zijn bedrijfsmodel, zodat de rechtbank niet goed kan beoordelen of het bedrijfsmodel van het kantoor van de gemachtigde al dan niet het in rechtsoverweging 3.5.1. van het arrest van 17 januari 2025 bedoelde derde kenmerk heeft (“dat de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen”). Hetgeen is gesteld, namelijk dat werkzaamheden voor courante niet-woningen veel complexer en bewerkelijker zijn dan een standaard zaak, is daarvoor niet voldoende.

5.1.

Aangezien het bestreden besluit ná 1 januari 2024 is genomen en niet gebleken is dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 30a van de Wet WOZ, had de heffingsambtenaar een vermenigvuldigingsfactor van 0,125 voor de bezwaarfase kunnen toepassen. Nu in de uitspraak op bezwaar met een factor van 0,25 is gerekend, is de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase in ieder geval niet te laag.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het door haar betaalde griffierecht

niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten in de beroepsfase.

Beslissing

Informatie over hoger beroep