Rechtbank Oost-Brabant, 03-02-2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:697, 82/294703-22
Rechtbank Oost-Brabant, 03-02-2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:697, 82/294703-22
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Oost-Brabant
- Datum uitspraak
- 3 februari 2026
- Datum publicatie
- 3 februari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:697
- Zaaknummer
- 82/294703-22
Inhoudsindicatie
Onderzoek Fairfield Bay. Verdachte heeft leidinggegeven aan verboden gedragingen van een rechtspersoon. Deze rechtspersoon heeft zich als professionele partij in de wereld van de import en export van alcoholische dranken schuldig gemaakt aan het stelselmatig opmaken van valse documenten, de opname van valse documenten in de bedrijfsadministratie en het gebruik maken van valse documenten. Dit is telkens gedaan met het doel om accijnsfraude mogelijk te maken. De rechtbank merkt op dat alle bewezenverklaarde handelingen telkens gepleegd zijn als een voortgezette handeling. Gelet op de ernst van de feiten en het ondermijnende karakter daarvan kan niet anders gereageerd worden dan met het opleggen van een forse gevangenisstraf. Anders dan zijn medeverdachte heeft verdachte openheid van zaken gegeven. De rechtbank weegt dit in het voordeel van verdachte mee. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op ter hoogte van 14 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Uitspraak
vonnis
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 82.294703.22
Datum uitspraak: 3 februari 2026.
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1971] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 januari 2026, 7 januari 2026 en 27 januari 2026 (sluiting).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
1 De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 juni 2024.
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis is de tekst van de tenlastelegging hieronder samengevat. De gehele tekst is opgenomen in Bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.
Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij:
Ten aanzien van feit 1 (primair):
feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk opmaken van valse geschriften door [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] );
Ten aanzien van feit 1 (subsidiair):
zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk opmaken van valse geschriften;
Ten aanzien van feit 2 (primair):
feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk vervalsen van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] door de in feit 1 bedoelde valse geschriften door [bedrijf 1] op te laten nemen in die bedrijfsadministratie;
Ten aanzien van feit 2 (subsidiair):
zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervalsen van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] door de in feit 1 bedoelde valse geschriften op te laten nemen in die bedrijfsadministratie;
Ten aanzien van feit 3 (primair):
feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk gebruik maken van het valse geschriften door [bedrijf 1] ;
Ten aanzien van feit 3 (subsidiair):
zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van het valse geschriften.
2 De formele voorvragen.
De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van feit 3.
Het verweer van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van 5 januari 2026 de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de vervolging van hetgeen onder feit 3, onderdelen a) en b) ten laste is gelegd. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de uitsluitingsgronden van artikel 69 lid 4 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) en artikel 10:5 zesde lid van de Algemene Douanewet ten aanzien van deze specifieke stukken van toepassing is. Die zogeheten e-AD’s en CMR’s hebben geen ander doel gehad dan om de Douane en de Belastingdienst te misleiden.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt dat e-AD’s en CMR’s documenten zijn die zeer specifieke informatie bevatten. De documenten hebben namelijk uitsluitend het doel om de Europese douane-instanties te informeren over vervoersbewegingen van accijnsgoederen binnen de Europese Unie.
De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen hierna onder 3.3.2. wordt overwogen, geen ander doel dat [bedrijf 1] redelijkerwijs kon hebben om valse e-AD’s en CMR’s voorhanden te hebben dan het (eventueel als medepleger) misleiden van (Europese) Douane-instanties en eventueel, bij controles, de Belastingdienst. Dergelijk handelen is strafbaar gesteld in artikel 10:5 lid 1 sub b van de Algemene Douanewet waar het de Douane betreft, en artikel 69 lid 1 van de AWR waar het de Belastingdienst betreft. In de situatie dat een verdachte kan worden vervolgd voor deze feiten en voor het commune strafbare feit van het voorhanden hebben van valse documenten (225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) is vervolging voor het commune strafbare feit uitgesloten.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de artikelen 69 lid 4 van de AWR en 10:5, zesde lid, van de Algemene Douanewet van toepassing zijn. Het Openbaar Ministerie wordt ten aanzien van onderdelen a) en b) van feit 3 op de tenlastelegging dan ook niet-ontvankelijk verklaard.
De overige formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging van feiten 1, 2 en onderdeel c) van feit 3 worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
3 De bewijsbeslissing.
Het standpunt van de officier van justitie.
Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden en de toelichting daarop ter terechtzitting van 5 januari 2026 heeft de officier van justitie geconcludeerd dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota beschreven gronden en de toelichting daarop ter terechtzitting heeft de verdediging partieel vrijspraak bepleit.
Ten aanzien van een deel (7 van de 12) van de onder feit 1, onderdeel a) ten laste gelegde valse stukken (e-AD’s, met in de ARC-code “FR”) heeft de verdediging bepleit dat [bedrijf 1] slechts als ontvanger van de goederen een handeling in het EMCS-systeem heeft verricht. Uit deze enkele omstandigheid blijkt niet dat zij daadwerkelijk betrokken is geweest bij de opmaak van het document.
Ten aanzien van een deel van de onder feit 1, 2 en 3, onderdeel b) ten laste gelegde documenten (CMR’s) heeft de verdediging bepleit dat deze documenten geen bewijsbestemming kennen.
Ten slotte heeft de verdediging bepleit dat de onder feit 1, 2 en 3, onderdeel c) ten laste gelegde stukken (facturen) niet vals of vervalst zijn.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage (bijlage II). De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank hierna niet op die verweren zal responderen, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank voor de afzonderlijke feiten heeft gebruikt en zoals die in de bij dit vonnis behorende bewijsbijlage zijn opgenomen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.
Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.
Nu verdachte ten aanzien van alle feiten wordt vervolgd als zijnde de feitelijk leidinggever aan dan wel medepleger van de door [bedrijf 1] verrichte gedragingen zal de rechtbank eerst vaststellen of [bedrijf 1] zich als rechtspersoon schuldig heeft gemaakt aan een of meer verboden gedraging(en).
De inleiding.
Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
[bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) werd op 8 december 2017 opgericht. Haar activiteiten bestonden uit het exploiteren van een loods voor de in-, uit- en opslag van accijnsgoederen, waaronder wijn en bier. De loods van [bedrijf 1] fungeerde als een accijnsgoederenplaats (hierna: AGP). Een AGP is een plaats in Nederland waar accijnsgoederen onder schorsing van accijns mogen worden opgeslagen, ontvangen en/of verzonden. Buiten Nederland worden soortgelijke plaatsen aangeduid als “belastingentrepots”.
De accijnstarieven in de lidstaten van de Europese Unie zijn verschillend. Wanneer een onderneming een vergunning als AGP heeft, kan zij producten van en naar de AGP (laten) vervoeren onder een zogenoemde accijnsschorsingsregeling. De accijns hoeven pas te worden betaald in de lidstaat waar de accijnsgoederen uiteindelijk in de (commerciële) markt terecht komen en worden verbruikt. Om de transportbewegingen van accijnsgoederen te kunnen volgen en te kunnen controleren ontwikkelde de Europese Unie het Excise Movement and Control System (hierna: EMCS).
In de loop van 2019 is [bedrijf 1] , onder meer op basis van ontvangen risico-informatie uit Denemarken, in beeld gekomen bij de Nederlandse douane. De Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) heeft dit onderzoek overgenomen. Op basis van het onderzoek van de FIOD is het Openbaar Ministerie overgegaan tot vervolging ten aanzien van valsheid in geschrift. De stukken die vals zouden zijn opgemaakt bestaan, aldus de tenlastelegging, uit a) elektronisch administratieve documenten (hierna: e-AD’s), b) vrachtbrieven (hierna: CMR’s) en c) facturen. Ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank de achtergrond van e-AD’s en CMR’s nader duiden.
Een e-AD is een document dat op grond van Nederlandse wetgeving en/of op grond van wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Unie moet worden opgemaakt ten behoeve van het onder een accijnsschorsingsregeling overbrengen van accijnsgoederen. Het e-AD heeft door middel van de gelogde handelingen in EMCS voortdurend een actuele status. Op deze manier kunnen de Europese Douane-instanties zien of accijnsgoederen binnen de EU zijn vervoerd, afgeleverd, en/of zijn uitgevoerd.
Naast het e-AD dienen verzenders, transporteurs en ontvangers van de goederen bijbehorende CMR-documenten te tekenen en te bewaren. Een CMR is een vrachtbrief die tijdens het transport van goederen aanwezig moet zijn als begeleiding van het transport. Een CMR bestaat uit 4 exemplaren. In het geval van een legitiem transport van accijnsgoederen worden deze 4 exemplaren als volgt verdeeld. Exemplaar 1 blijft bij de afzender van de goederen. Exemplaar 2 is bestemd voor de ontvanger van de goederen. Exemplaren 3 en 4 zijn bestemd voor de vervoerder en worden door de ontvanger van de goederen ondertekend.
De fictieve invoer en uitvoer van accijnsgoederen bij [bedrijf 1] .
Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer dat [bedrijf 1] administratieve handelingen heeft verricht in EMCS die niet overeenkwamen met de werkelijkheid. [bedrijf 1] heeft samen met andere bedrijven in Europa een valse papieren werkelijkheid gecreëerd ten behoeve van het plegen van accijnsfraude. [bedrijf 1] heeft als ontvanger en/of verzender van de goederen administratief doen voorkomen in EMCS dat accijnsgoederen zouden zijn ontvangen door [bedrijf 1] en/of zouden zijn vertrokken vanaf de loods van [bedrijf 1] in Rucphen terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was. Ten behoeve van deze zendingen zijn ook vervoersdocumenten, CMR’s, opgemaakt en uitgewisseld tussen de verschillende bedrijven in Europa.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt daarnaast zonder meer dat [bedrijf 1] , zoals hierna per feit wordt beschreven, steeds als medepleger nauw en bewust heeft samengewerkt met andere bedrijven om de valse documenten op te maken. De bijdrage van [bedrijf 1] aan de strafbare feiten, zoals blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, is steeds van voldoende gewicht om te spreken van het medeplegen van die feiten.
De beoordeling van feit 1: het opzettelijk opmaken van valse stukken.
Onderdeel a) Heeft [bedrijf 1] valse e-AD’s opgemaakt?
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat alle onder a) ten laste gelegde e-AD’s opzettelijk valselijk zijn opgemaakt. De beschreven vervoersbewegingen van accijnsgoederen hebben nooit daadwerkelijk plaatsgevonden. [bedrijf 1] heeft (telkens) als ontvanger en/of verzender van de goederen administratieve handelingen verricht in EMCS waarvan zij wist dat deze niet overeenkwamen met de werkelijkheid. Door deze handelingen te verrichten zijn de bijbehorende e-AD’s telkens opzettelijk door [bedrijf 1] valselijk opgemaakt.
Het verweer van de raadsvrouw, strekkende tot vrijspraak van de (zeven) ten laste gelegde e-AD’s met “FR” in de ARC-code omdat [bedrijf 1] als ontvanger voor de goederen slechts voor ontvangst tekende en in die hoedanigheid het valse document niet zou hebben opgemaakt, schuift de rechtbank terzijde. Het is voor een bewezenverklaring van medeplegen niet noodzakelijk dat [bedrijf 1] zelf de gegevens in EMCS heeft ingevoerd. [bedrijf 1] heeft een significante bijdrage geleverd door eerst de benodigde gegevens aan te leveren aan de ‘verzender’ en vervolgens na plaatsing van de zending door de verzender in EMCS, in datzelfde systeem aan te vinken dat de goederen zijn ontvangen, terwijl dit niet daadwerkelijk het geval was. Het opzettelijk in EMCS verwerken dat goederen ontvangen zijn, is, de achtergrond van EMCS bezien, juist de handeling die de daadwerkelijke actuele locatie van de accijnsgoederen bevestigt. Die locatie moet bij uitstek kloppen om de Europese douane-instanties in staat te stellen een en ander te controleren. Vanwege deze significante bijdrage dient [bedrijf 1] ook bij de in Frankrijk opgemaakte e-AD’s als medepleger te worden aangemerkt.
Onderdeel b) Heeft [bedrijf 1] valse CMR’s opgemaakt?
Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de ten laste gelegde CMR’s (mede) door [bedrijf 1] opzettelijk valselijk zijn opgemaakt.
Ten aanzien van de CMR’s die ten laste zijn gelegd onder de eerste zes gedachtestreepjes geldt dat exemplaren 2, 3 en 4 in het geval van legitieme transporten niet in het bezit van [bedrijf 1] hadden kunnen zijn maar bij de vervoerder en/of ontvanger in bezit hadden moeten zijn. Zij zijn echter door de FIOD aangetroffen in een doos in de loods van [bedrijf 1] in Rucphen en in de auto van medeverdachte [medeverdachte] . De omstandigheid dat deze exemplaren daar überhaupt zijn aangetroffen is voldoende om, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, aan te nemen dat de onderliggende transporten nooit hebben plaatsgevonden. Een andere uitleg is door de verdediging ook niet bepleit.
Ten aanzien van de CMR die afkomstig is van RM Trading (zoals ten laste gelegd onder het zevende gedachtestreepje) blijkt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen dat het onderliggende transport nooit heeft plaatsgevonden. [bedrijf 1] heeft bij het opmaken van de CMR als medepleger een bijdrage van voldoende gewicht geleverd door deze af te stempelen en bovendien in EMCS boekingen te verrichten waarvan het e-AD-nummer op de CMR is geplaatst. Het e-AD waar deze CMR naar verwijst (19FRG0074000440684400) ziet namelijk op een fictieve inslag van goederen die door [bedrijf 1] in EMCS is geboekt.
[bedrijf 1] wist ten tijde van het opmaken van alle bovenstaande CMR’s dat het om fictieve transportbewegingen ging en heeft derhalve dan ook telkens opzettelijk haar bijdrage geleverd aan die fictie. Deze bijdrage is ook telkens essentieel geweest om een papieren werkelijkheid te creëren en de achterliggende accijnsfraude mogelijk te maken en derden te misleiden.
De verdediging heeft ten aanzien van de CMR’s bepleit dat deze stukken geen geschriften zijn die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen. De desbetreffende stukken bevonden zich immers ofwel ongetekend bij [bedrijf 1] , ofwel hebben het vervoer niet fysiek begeleid en zijn dus ook niet afgetekend voor ontvangst, ofwel zijn opgemaakt door een ander dan [bedrijf 1] .
De rechtbank verwerpt dit verweer. Dit type document is bestemd om te dienen tot bewijs van het transport van goederen, waar de goederen vandaan komen, waar ze naartoe gaan en wat de inhoud van de vracht is. Ook niet door de ontvanger getekende en/of bij [bedrijf 1] achtergebleven CMR’s kunnen dienen om controlerende Europese Douane-instanties te misleiden. De delen die door [bedrijf 1] moesten worden ingevuld waren reeds gevuld en ook is gebleken dat [naam] wel eens tekende op de plaats van de transporteur. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat CMR’s bij [bedrijf 1] werden bewaard zodat zij konden worden ingezet wanneer dit nodig was om te dienen tot bewijs: Eerder waren achtergebleven CMR’s met spoed opgestuurd naar het Spaanse belastingentrepot “Cervezas Virtus” wegens een daar aanstaande douanecontrole. Het feit dat de fictieve ontvanger waarschijnlijk nog een frauduleuze handeling zal verrichten met het document (het tekenen voor ontvangst) voordat het wordt overhandigd bij een douanecontrole, betekent niet dat het document vóór die handeling geen enkele bewijsbestemming kent. Bovendien verwijst een CMR altijd naar een onderliggend e-AD, dat bij uitstek de Europese douane-instanties voorziet van informatie. Ook een niet-ondertekend CMR verwijst daarnaar en kent op basis van dat gegeven naar het oordeel van de rechtbank een bewijsbestemming.
Onderdeel c) Heeft [bedrijf 1] valse facturen opgemaakt?
Ten aanzien van de facturen zoals deze onder het eerste [bedrijf 2] ) en het tweede gedachtestreepje ( [bedrijf 3] ) ten laste zijn gelegd, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat deze facturen vals zijn. Anders dan de hiervoor besproken e-AD’s en CMR’s zien de betreffende facturen niet op een (fictief) transport, maar op doorberekening van door de (fictieve) ontvanger betaalde accijnzen. Op basis van het dossier lijkt het voor de hand te liggen dat de door de opmaker van de factuur genoemde accijnzen daadwerkelijk zijn betaald en vervolgens zijn doorberekend aan [bedrijf 1] . De modus operandi van [bedrijf 1] en haar medeverdachten lijkt te zijn geweest dat goederen fictief werden vervoerd naar een land met een (relatief) laag accijnstarief. Daar werd de uitslag van de goederen in EMCS geboekt, waarna een laag accijnstarief betaald werd . Feitelijk werden de goederen afgezet op de zwarte markt in een land met een (relatief) hoog accijnstarief. Het bedrag aan accijns waar de factuur naar verwijst zal dan daadwerkelijk betaald zijn.
Dit alles betekent dat de rechtbank ten aanzien van de facturen zoals beschreven onder de eerste twee gedachtestreepjes, niet bewezen acht dat deze facturen vals of vervalst zijn.
De rechtbank komt ten aanzien van het derde gedachtestreepje ( [bedrijf 4] ) wel tot het oordeel dat deze factuur valselijk door [bedrijf 1] is opgemaakt. Deze factuur heeft betrekking op een fictieve zending van goederen vanaf [bedrijf 1] . [bedrijf 1] brengt met deze factuur twee bedragen voor “ warehouse handling ” in rekening. Nu er geen transport heeft plaatsgevonden kan worden aangenomen dat [bedrijf 1] geen fysieke werkzaamheden heeft verricht die zien op het op- of overslaan van goederen in de loods in Rucphen , waar de term ”warehouse handling ” naar het oordeel van de rechtbank wel op ziet. Deze factuur is dus opzettelijk valselijk opgemaakt. Anders dan door de raadsvrouw is bepleit, is de rechtbank van oordeel dat [bedrijf 1] geen enkele feitelijke grondslag had om deze kostenposten als “ warehouse handling ” te factureren aan [bedrijf 4] .
Beoordeling feit 2: het opzettelijk vervalsen van haar bedrijfsadministratie door de in feit 1 genoemde stukken hierin op te nemen
Partiële vrijspraak: ten aanzien van de CMR’s.
De rechtbank is van oordeel dat de CMR’s zoals beschreven in onderdeel b) niet zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] . Deze CMR’s (telkens betreffende exemplaren 2, 3 en 4) zijn namelijk aangetroffen in een doos in de loods in Rucphen (eerste vijf gedachtestreepjes) of in de auto van M. [medeverdachte] (zesde gedachtestreepje) of per e-mail aan [bedrijf 1] toegezonden en weer geretourneerd (zevende gedachtestreepje). Uit het dossier kan de rechtbank geen actieve handeling van [bedrijf 1] opmaken waaruit blijkt dat zij deze stukken aan haar bedrijfsadministratie heeft toegevoegd. De CMR’s in de doos en in de auto lijken juist bewust buiten de bedrijfsadministratie te zijn gehouden.
Tussenconclusie feit 2: ten aanzien van de e-AD’s en de facturen.
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] de overige stukken, zoals deze hierna onder het kopje “De bewezenverklaring” onder feit 2 nader zullen worden omschreven, heeft opgenomen in haar bedrijfsadministratie. Door deze stukken op te nemen heeft [bedrijf 1] haar bedrijfsadministratie over de gehele periode vervalst. Nu deze bedrijfsadministratie meerdere kwartalen en/of boekjaren betreft komt de rechtbank tot het oordeel dat de bedrijfsadministratie meermalen is vervalst.
Beoordeling feit 3: het opzettelijk gebruiken van valse geschriften.
Zoals hiervoor is overwogen is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de valse geschriften zoals ten laste gelegd onder onderdelen a) (e-AD’s) en b) (CMR’s).
Ten aanzien van onderdeel c) (facturen) is de rechtbank van oordeel dat, zoals hiervoor is overwogen, alleen de factuur van [bedrijf 1] gericht aan [bedrijf 4] als vals is aan te merken. De rechtbank acht ten aanzien van de overige facturen niet bewezen dat deze vals of vervalst waren. Dit betekent dat verdachte ook ten aanzien van dit feit partieel wordt vrijgesproken, namelijk waar het gaat om de facturen zoals ten laste gelegd onder het eerste en tweede gedachtestreepje.
Van de valse factuur aan [bedrijf 4] heeft [bedrijf 1] opzettelijk gebruik gemaakt door deze (na het opmaken daarvan) daadwerkelijk te versturen aan [bedrijf 4] . Om die reden komt de rechtbank ten aanzien van deze factuur wel tot een bewezenverklaring.
Kunnen de strafbare feiten worden toegerekend aan [bedrijf 1] ?
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang met wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde gedragingen plaatsvonden in de sfeer van [bedrijf 1] . De gedragingen pasten ook in de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 1] .
Dankzij de vergunning als AGP van [bedrijf 1] konden zendingen van en naar [bedrijf 1] in EMCS werden ingevoerd, zowel feitelijke als fictieve. De enige werknemer van [bedrijf 1] en de feitelijk leidinggevers waren actief betrokken bij de fraude. De frauduleuze gedragingen zijn dienstig geweest aan het door [bedrijf 1] uitgeoefende bedrijf: de inkomsten van de fraude kwamen op de bankrekening van [bedrijf 1] binnen. De strafbare feiten kunnen dan ook aan [bedrijf 1] worden toegerekend.
Heeft verdachte feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedragingen van [bedrijf 1] ?
Gelet op de hiervoor gegeven conclusies komt de rechtbank toe aan de vraag of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan dan wel medepleger is van de verboden gedragingen van [bedrijf 1] als rechtspersoon.
Verdachte heeft samen met [medeverdachte] de rechtspersoon [bedrijf 1] opgericht op 8 december 2017. Verdachte en [medeverdachte] waren tot 25 november 2019 ieder (via een eigen holding) voor 50% aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . Op 25 november 2019 is M. [medeverdachte] (Holding B.V.) als bestuurder uitgeschreven en werd verdachte formeel bezien de enige bestuurder.
Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij wetenschap had van en samen met [medeverdachte] leiding heeft gegeven aan de frauduleuze handelingen van [bedrijf 1] . Hij heeft verklaard dat in eerste instantie bij hem een verzoek van een klant is binnengekomen fictieve zendingen te accepteren, dat hij toen in overleg met [medeverdachte] heeft besloten dat verzoek te accepteren, en dat het bedrijf sindsdien steeds verder in de frauduleuze praktijken terecht is gekomen. Hoewel hij de administratieve handelingen niet zelf heeft verricht, heeft hij ter terechtzitting erkend dat hij (samen met [medeverdachte] ) [verdachte] , werknemer van [bedrijf 1] , aanstuurde, ook waar het ging om de administratieve handelingen die nodig waren voor de fictieve vervoersbewegingen. Daarmee was verdachte direct betrokken bij en ook aansturend ten aanzien van het plegen van de valsheden. Het feitelijk leidinggeven aan de verboden gedragingen van [bedrijf 1] en het daarin besloten gelegen opzet zijn, in samenhang met de gebezigde bewijsmiddelen gezien, hiermee zonder meer een gegeven.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode, samen met [medeverdachte] , als feitelijk leidinggever van de hierna bewezenverklaarde verboden gedragingen van [bedrijf 1] kan worden aangemerkt.
Slotconclusie.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten bewezen zoals hierna zal worden omschreven. De rechtbank komt daarmee niet toe aan de subsidiair ten laste gelegde feiten die uitgaan van medeplegen door verdachte.