Home

Rechtbank Overijssel, 28-04-2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2593, 84.110114.22 (P)

Rechtbank Overijssel, 28-04-2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2593, 84.110114.22 (P)

Gegevens

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28 april 2025
Datum publicatie
28 april 2025
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2025:2593
Zaaknummer
84.110114.22 (P)

Inhoudsindicatie

De verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen van valsheid in geschrift, belastingfraude, witwassen en deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven.

Uitspraak

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84.110114.22 (P)

Datum vonnis: 28 april 2025

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,

wonende aan het [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3, 6, 10 en 13 maart 2025 en 14 april 2025.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. E.I.B. Hoffman, advocaat in Hilversum, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk onjuiste of onvolledige aangiften voor de omzetbelasting heeft gedaan;

feit 2: al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift;

feit 3: al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen meerdere geldbedragen en luxe artikelen heeft witgewassen, terwijl hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt en het feit heeft gepleegd in de uitoefening van zijn beroep en/of bedrijf;

feit 4: tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van valsheid in geschrift, belastingfraude, witwassen en/of oplichting, van welke organisatie hij (mede-)bestuurder was.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij, al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1] , op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 juli 2020 tot en met 29 oktober 2020,

in de gemeente Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (of meer) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting, over:

-het tweede en/of het derde kwartaal van 2020,

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben doen/laten doen, door (telkens) op/in het/de ingeleverde/ingediende aangifte(n) een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting / voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven en/of te doen/laten opgeven,

terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven;

2.

hij, al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1] , op of omstreeks 24 mei 2020, in de gemeente(n) Apeldoorn en/of Almere, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt of gebruik heeft doen maken, van een of meer vals(e) geschrift(en) – (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – te weten een suppletie met betrekking tot de omzetbelasting ten name van [verdachte] , al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1] ,

over:

-het eerste kwartaal van 2020,

als ware dat geschrift echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken in het overleggen en/of indienen van dat (digitaal) geschrift aan/bij de belastingdienst,

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin, dat in dat (digitaal) geschrift een onjuist bedrag aan omzet en/of af te dragen omzetbelasting was vermeld,

dan wel opzettelijk zodanig dat geschrift heeft afgeleverd aan de belastingdienst, terwijl hij weet of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geschrift bestemd was voor zodanig gebruik;

3.

ij, al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1] , op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2018 tot en met heden in de gemeente Almere, althans in Nederland en/of Bulgarije en/of Marokko, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, meermalen, althans eenmaal,

Sub a)

(telkens) van een of meer voorwerp(en), te weten van:

-(ongeveer) euro 571.200,--, althans van een of meer geldbedrag(en),

-een of meer (luxe) artikelen aangeschaft met een waarde van in totaal (ongeveer) euro 15.070,--, althans een enig geldbedrag, van (het merk): [bedrijf 2] B.V. en/of [bedrijf 3] B.V. en/of [bedrijf 4] B.V., en/of [bedrijf 5] B.V.,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing, heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op bovenomschreven voorwerp(en) is/was en/of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had,

en/of

Sub b)

(telkens) een of meer voorwerp(en), te weten

-(ongeveer) euro 571.200,--, althans een of meer geldbedrag(en),

-een of meer (luxe) artikelen aangeschaft met een waarde van in totaal (ongeveer) euro 15.070,--, althans een enig geldbedrag, van (het merk): [bedrijf 2] B.V. en/of [bedrijf 3] B.V. en/of [bedrijf 4] B.V., en/of [bedrijf 5] B.V.,

heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden, dat de/het bovenomschreven voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – (deels) afkomstig was/waren uit enig(e)

gepleegde misdrij(f)(ven), terwijl hij

-van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of

-zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen in de uitoefening van zijn beroep en/of bedrijf;

4.

hij op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2018 tot en met heden, in de gemeente(n) Almere en/of Utrecht en/of Woerden, in elk geval in Nederland, en/of Bulgarije en/of Marokko,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) heeft deelgenomen aan een organisatie, die gevormd werd door:

- [medeverdachte 1] , en/of

- [medeverdachte 2] , en/of

- [verdachte] , en/of

- [medeverdachte 3] , en/of

- [medeverdachte 4] , en/of

- [medeverdachte 5] , en/of

- [medeverdachte 6] B.V., en/of

- [medeverdachte 7] B.V., en/of

- [medeverdachte 8] B.V., en/of

een of meer andere (rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het plegen van valsheid in geschrift en/of

- het plegen van belastingfraude en/of

- het plegen van witwassen en/of

- het plegen van oplichting,

van welke organisatie verdachte (feitelijk) (mede-)oprichter en/of (feitelijk) (mede-) bestuurder was.

3 De overwegingen van de rechtbank

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit. Ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Organisatie en werkwijze

Het onderzoek Waterscheerling is door de FIOD gestart naar aanleiding van fraudemeldingen bij de Belastingdienst en signalen van de Financial Intelligence Unit (FIU) over bedrijven die actief zijn in de riooltechniek. De meldingen hadden onder meer betrekking op de bedrijven [bedrijf 6] , [bedrijf 1] , [bedrijf 7] . Dit zijn eenmanszaken van respectievelijk [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Dit zijn broers en neven van elkaar, en medeverdachten. Omwille van de begrijpelijkheid en leesbaarheid van het vonnis, worden de verdachten hierna bij hun voornaam genoemd.

De organisatie van de verdachten

De rechtbank leidt uit het dossier en de verklaringen van [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] op zitting het volgende af.

[medeverdachte 2] begon op 10 november 2014 met zijn eenmanszaak [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6] ) . De eenmanszaak had onder meer als activiteit Loodgieter/Loodgieterswerk. Later breidde hij zijn activiteiten uit. Er werden verschillende B.V.’s opgericht en [medeverdachte 2] nam andere monteurs als onderaannemer in de arm die de opdrachten bij de klanten uitvoerden. Dit betroffen onder andere [medeverdachte 2] broer [verdachte] en zijn neven [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] . In totaal hebben enkele tientallen monteurs voor [medeverdachte 2] gewerkt.

- De B.V.’s

Op 20 december 2019 is [medeverdachte 6] B.V. opgericht. Tot en met 10 mei 2021 was [medeverdachte 2] enig bestuurder. Zijn broer [medeverdachte 3] werd enig bestuurder vanaf 10 mei 2021.

[medeverdachte 6] B.V. is een holding en enig bestuurder en enig aandeelhouder van [medeverdachte 7] B.V.

[medeverdachte 7] B.V. is op 8 september 2020 opgericht en heeft als activiteiten acquisitie van opdrachten binnen diverse facilitaire gebieden.

[medeverdachte 8] B.V. is op 17 september 2020 opgericht en heeft als activiteiten overige zakelijke dienstverlening. [medeverdachte 3] was vanaf 1 mei 2021 één van de bestuurders.

- De bedrijfsvoering

De opdrachten kwamen binnen via ‘de centrale’. Hier werkten onder andere [medeverdachte 2] en zijn broer [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] zette vanuit [medeverdachte 8] B.V. het callcenter voor de organisatie op. [medeverdachte 2] zorgde ervoor dat bij zoekopdrachten via Google de contactgegevens van de eenmanszaken hoog op de lijst stonden, zodat potentiële klanten met name bij spoedopdrachten terechtkwamen bij de organisatie. In het callcenter werden de telefonische opdrachten aangenomen en uitgezet naar de diverse monteurs. Ook werd vanuit het callcenter de klachtenafhandeling gedaan. [medeverdachte 3] ontving hiervoor een managementvergoeding, die hij in de periode van januari 2021 tot en met september 2022 factureerde aan [medeverdachte 7] B.V.

Nieuwe monteurs startten op verzoek van [medeverdachte 2] een eigen eenmanszaak, openden een zakelijke bankrekening en leverden hun pinpas, pincode en DigiD in bij de organisatie.

De monteurs voerden de opdrachten bij de klanten uit. Zij kregen daartoe een tablet, waarop zij hun planning konden zien en waarin zij de door hen verrichte werkzaamheden registreerden. Ook kregen ze een mobiel pinapparaat. In het onderzoek zijn pinapparaten van [bedrijf 8] en van [bedrijf 9] gevonden. Betaling door de klanten vond plaats door gebruikmaking van de pinapparaten, via een Tikkie, overboeking of contant. De niet contante betalingen kwamen aanvankelijk binnen op de zakelijke bankrekeningen van de monteurs, die door de organisatie werden beheerd. Later begonnen de banken vragen te stellen over de geldstromen op de bankrekeningen, en werden ook bankrekeningen afgesloten. Vervolgens werden er Bulgaarse bankrekeningen op naam van [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 5] geopend, waarop geldbedragen die door opdrachtgevers werden betaald via [bedrijf 9] terechtkwamen. De gelden werden vervolgens overgemaakt naar bankrekeningen van [medeverdachte 6] B.V., [medeverdachte 7] B.V. en [medeverdachte 8] B.V.

De monteurs ontvingen 15% tot 20% van de door hen gerealiseerde omzet. Ze betaalden

€ 363,-- per maand aan administratiekosten aan de organisatie.

Vanaf het moment dat er meerdere monteurs werkzaam waren voor de organisatie stopten [medeverdachte 5] en [verdachte] met hun monteurswerkzaamheden en verrichtten zij meer faciliterende werkzaamheden. Zij voorzagen nieuwe monteurs van vervoermiddelen, zoals een busje, gereedschappen en materialen en zij stonden monteurs bij die hulp nodig hadden. [verdachte] haalde ook nieuwe monteurs binnen. [medeverdachte 5] en [verdachte] namen ook van monteurs bankpassen, pincodes en de DigiD in ontvangst om die vervolgens af te geven aan [medeverdachte 2] .

[medeverdachte 1] , de vrouw van [medeverdachte 2] , had een administratiekantoor genaamd [bedrijf 10] . Zij deed met [medeverdachte 2] de administratie van alle eenmanszaken en de B.V.’s en diende de belastingaangiften in. De administratie van de organisatie werd beheerd via Dropbox en was toegankelijk voor meerdere personen. De ‘eigenaar’ van de verschillende digitale mappen met administratie was [medeverdachte 1] .

Uit het onderzoek van de FIOD is naar voren gekomen dat een groot deel van de aangiften voor de omzetbelasting van eenmanszaken [bedrijf 10] , [bedrijf 6] , [bedrijf 1] , [bedrijf 7] en de vennootschappen [medeverdachte 6] B.V., [medeverdachte 7] B.V. en [medeverdachte 8] B.V. onjuist en/of onvolledig zijn.

Het oogmerk van de organisatie

De verdachten wordt onder andere verweten dat zij hebben deelgenomen aan een criminele organisatie die het plegen van onder meer oplichting tot oogmerk had. Nu dit verwijt bij de behandeling van de strafzaken veel aandacht heeft gekregen zal de rechtbank zich daarover eerst uitlaten.

Het dossier bevat zeven aangiften van oplichting tegen met name [medeverdachte 4] en twee meldingen over [bedrijf 6] en [bedrijf 7] .

In de meldingen wordt gesteld dat de bedrijven slecht werk leverden. Verstoppingen zouden niet verholpen zijn en er zouden extreem hoge bedragen in rekening zijn gebracht. Monteurs zouden zich hebben voorgedaan als werknemer van een ander bedrijf. Ook zouden monteurs onduidelijk zijn over de tarieven.

Het dossier bevat verder berichtgeving van de televisieprogramma’s Tros Opgelicht?! en Max Meldpunt over ‘malafide rioolontstoppers’. Uit die berichtgeving is echter niet af te leiden of dit over aan de organisatie gelieerde monteurs gaat.

Een aantal monteurs die als onderaannemer voor de organisatie hebben gewerkt, is door de FIOD verhoord. Over de werkwijze van de organisatie hebben zij het volgende verklaard.

[naam 1] is ingewerkt door een neef van [medeverdachte 2] . Die neef vroeg enorme bedragen. De monteurs mochten hun eigen bedragen bepalen. [naam 1] vroeg zelf nooit veel. Hij sprak een prijs af met de klant en ging na akkoord van de klant aan het werk. Ook [naam 2] verklaarde dat hij de prijzen zelf mocht vaststellen. Hij rekende een starttarief inclusief voorrijkosten. Dan nam hij de meters door. Hij rekende nooit meer meters spiraal dan hij gebruikte.

[naam 3] verklaarde dat hij werd ingewerkt door iemand en dat hij schrok van de prijzen die werden gerekend. Verder verklaarde hij dat de organisatie een boete in rekening bracht bij monteurs als een klant een klacht indiende.

Ook [naam 4] noemde de prijzen die werden gerekend absurd hoog.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de wijze van het presenteren van diensten en tarieven, de aanname van een valse hoedanigheid (het zich voordoen als een werknemer van een ander bedrijf), het in strijd met de waarheid verkondigen dat de kosten gedekt worden door de verzekering en het melden van de kosten van het gebruik per meter spiraal, maar niet vermelden om hoeveel meter het gaat, geconcludeerd kan worden dat sprake was van oplichting.

De rechtbank overweegt dat voor het bewijs van het oogmerk van de organisatie onder meer betekenis kan toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op het doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

De rechtbank stelt vast dat de meldingen van klanten niet verder zijn onderzocht. De aangiften van oplichting die tegen [medeverdachte 4] zijn gedaan, zijn geseponeerd. Daar waar het de oplichting betreft, is dus geen sprake van concrete, binnen de organisatie reeds gepleegde misdrijven waaruit het oogmerk van de organisatie blijkt.

Vast staat dat in bepaalde gevallen hoge prijzen werden gerekend. Hiermee staat echter niet vast dat de organisatie het plegen van oplichting tot oogmerk had.

Uit de verklaringen van de monteurs volgt dat monteurs vrij waren om hun eigen prijzen te bepalen. In de periode van 20 juli 2020 tot en met 26 april 2023 is in totaal € 35.533.575,77 omgezet. Dat is een omzet van meer dan € 1.000.000,-- per maand, waarvoor honderden opdrachten werden uitgevoerd. In de gehele periode zijn tientallen monteurs actief geweest voor de organisatie. In dat verband zijn de zeven aangiften en twee meldingen die uit het dossier blijken volstrekt onvoldoende voor de conclusie dat de gehele organisatie het oogmerk had tot het plegen van oplichting.

Ook de door de officier van justitie gestelde leugenachtige mededelingen kunnen niet leiden tot het oordeel dat de organisatie het plegen van oplichting tot oogmerk had.1

De rechtbank zal in de navolgende paragrafen de tenlastegelegde feiten bespreken.

3.3.2

Beoordeling feit 1 – de aangiften voor de omzetbelasting

[verdachte] voerde met zijn eenmanszaak [bedrijf 1] opdrachten uit voor [medeverdachte 2] . Hij had twee zakelijke bankrekeningen, met rekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] . Ook had hij een privérekening met nummer [rekeningnummer 3] . Op de zakelijke bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] en de privérekening van [verdachte] werden inkomsten in batchvorm ontvangen van [bedrijf 11] , een onderneming die de transacties van bedrijven verwerkt.

De organisatie maakte onder andere gebruik van pinapparaten van [bedrijf 9] . De betalingen van klanten die met gebruikmaking van deze pinapparaten werden gedaan, werden gestort op Bulgaarse bankrekeningen. Op de zakelijke bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] en de privérekening van [verdachte] werden gelden ontvangen van de Bulgaarse bankrekening [rekeningnummer 4] op naam van [verdachte] .

Uit het onderzoek is gebleken dat in de onder 1 op de tenlastelegging genoemde kwartalen aanzienlijk meer inkomsten zijn ontvangen op de zakelijke bankrekeningen van [verdachte] dan in de aangiften voor de omzetbelasting over die kwartalen is aangegeven. Daardoor is te weinig belasting afgedragen.

Voorwaardelijk opzet

De vraag die voorligt is of [verdachte] wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften werden gedaan en of hij deze kans bewust heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt dat de verplichting tot het doen van de belastingaangiften rustte op [verdachte] en dat namens hem ook aangifte is gedaan. [verdachte] heeft verklaard dat hij niet beschikte over de zakelijke bankrekeningen van [bedrijf 1] . Hij heeft zijn pinpas en pincode ingeleverd bij zijn broer [medeverdachte 2] . De administratie en de belastingaangiften van zijn eenmanszaak deed hij niet zelf. Dit heeft hij uit handen gegeven aan de organisatie.

De verklaring van [verdachte] wordt ondersteund door de verklaringen van andere monteurs die voor de organisatie hebben gewerkt. Ook zij hebben de bankgegevens en bankpas van hun zakelijke bankrekening en hun DigiD-inloggegevens afgestaan en hadden geen zicht op de administratie en belastingaangiften die namens hen door de organisatie werden gedaan. De monteurs ontvingen een percentage op hun privérekening. De organisatie trok het beheer over de administratie en de bankrekeningen van de monteurs naar zich toe en kon zo belastingfraude plegen.

Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] betrokken is geweest bij het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting, noch dat hij op de hoogte was van de inhoud van de namens hem ingediende belastingaangiften. De rechtbank acht derhalve niet bewezen dat [verdachte] wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften zouden worden gedaan en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard, en zal hem vrijspreken van het medeplegen van het indienen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting.

3.3.3

Beoordeling feit 2 – valsheid in geschrift

Aan [verdachte] is tenlastegelegd het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften, te weten een suppletieaangifte voor de omzetbelasting die met betrekking tot [bedrijf 1] zijn ingediend. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze suppleties te laat ingediende aangiften voor de omzetbelasting betreffen die zijn gedaan nadat naheffingsaanslagen waren opgelegd en daarom zijn aan te merken als bezwaarschriften. De verdediging heeft dit standpunt onderschreven.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 december 20242 overweegt de rechtbank dat aan een tegen een belastingaanslag gericht bezwaarschrift als zodanig, voor zover het bezwaarschrift ertoe strekt het bedrag van de aanslag tot een bepaald bedrag te verminderen, in het maatschappelijk verkeer niet een zodanige betekenis voor het bewijs van de inhoud ervan pleegt te worden toegekend dat daaraan een bewijsbestemming in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) toekomt.

De rechtbank zal [verdachte] dan ook reeds daarom vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde feit.

3.3.4

Beoordeling feit 3 - witwassen

[verdachte] wordt verweten dat hij de uit belastingfraude afkomstige geldbedragen heeft witgewassen.

In 2020 werd op de zakelijke bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] en de privérekening met nummer [rekeningnummer 3] in totaal € 571.720,-- ontvangen van de Bulgaarse bankrekening [rekeningnummer 4] ten name van [verdachte] .

In de periode van 27 mei 2020 tot en met 7 maart 2022 werd in totaal € 15.070,-- aan luxe goederen uitgegeven van de zakelijke bankrekening met nummer [rekeningnummer 5] en de privérekeningen [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 6] ten name van

[verdachte] .

De rechtbank stelt vast dat een deel van de door belastingfraude verkregen gelden zijn ontvangen op de zakelijke bankrekening met nummer [rekeningnummer 5] . Zoals vastgesteld kon [verdachte] niet over die rekening beschikken en had hij ook geen zicht op wat er op die zakelijke rekening gebeurde. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat [verdachte] wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de gelden die op deze rekening werden ontvangen en uitgegeven van misdrijf afkomstig waren.

Voor zover hij gelden op zijn privérekening met nummer [rekeningnummer 3] heeft ontvangen en daarvan uitgaven heeft gedaan, kan, gelet op hetgeen onder 3.3.2 is overwogen, niet worden vastgesteld dat [verdachte] wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze gelden van misdrijf afkomstig waren.

Datzelfde geldt voor de uitgaven die zijn gedaan vanaf de privérekening met nummer [rekeningnummer 6] . Daar komt nog bij dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat deze rekening werd gevoed met omzet waarover te weinig omzetbelasting was betaald.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] onder 3 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

3.3.5

Beoordeling feit 4 – deelname aan een criminele organisatie

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie onder een organisatie in de zin van artikel 140 Sr wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen ten minste twee personen. Van deelneming aan een dergelijke organisatie kan slechts sprake zijn, als verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel deze ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 140 Sr bedoelde oogmerk. Voor deelneming is voldoende dat verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Op basis van de inhoud van het dossier is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Hoewel op het oog normale bedrijfsactiviteiten (namelijk loodgieterswerkzaamheden) ontplooid werden, had de organisatie het doel om belastingfraude en witwassen te plegen. Dat blijkt uit de bedrijfsvoering van de organisatie. De organisatie faciliteerde monteurs bij hun werkzaamheden en nam hen vervolgens hun administratie en financiële bedrijfsvoering uit handen. De organisatie deed de administratie en de belastingaangiften van de eenmanszaken van de monteurs en had de beschikking over hun bankgegevens, bankpassen en pincodes.

Daardoor was de organisatie in staat de omzetten van de verschillende onderaannemers te beheren. De geldstromen werden, soms met verhullende omschrijvingen, over de zakelijke bankrekeningen van de onderaannemers en de B.V.’s en de Bulgaarse bankrekeningen op naam van [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] geleid. Binnen deze constructie kon de organisatie belastingfraude plegen en grote bedragen witwassen.

De rechtbank acht echter niet bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan deze organisatie in de zin van artikel 140 Sr. Gelet op de overwegingen van de rechtbank onder 3.3.2 en 3.3.4 wist [verdachte] niet dat er binnen de organisatie belastingfraude werd gepleegd en dat de daaruit verkregen gelden werden witgewassen. Ook overigens volgt uit het dossier niet dat [verdachte] in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het doel had om misdrijven te plegen. De rechtbank spreekt [verdachte] dan ook vrij van het onder 4 tenlastegelegde feit.

3.4

Conclusie

De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij.

4 De inbeslaggenomen voorwerpen

5 De beslissing