Rechtbank Rotterdam, 12-02-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1169, C/10/696270 / FA RK 25-2098
Rechtbank Rotterdam, 12-02-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1169, C/10/696270 / FA RK 25-2098
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 12 februari 2026
- Datum publicatie
- 20 februari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:1169
- Zaaknummer
- C/10/696270 / FA RK 25-2098
Inhoudsindicatie
Artikel 1:205 BW, vernietiging erkenning ouderschap
Uitspraak
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/696270 / FA RK 25-2098
Beschikking van 12 februari 2026 over vernietiging van de erkenning ouderschap
in de zaak van:
[verzoekster] , hierna: verzoekster,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. E.A. Hoogendijk te Rotterdam,
In deze zaak is belanghebbende:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] .
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 18 maart 2025;
- het emailbericht van de man van 22 december 2025.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Daarbij is verschenen de advocaat van verzoekster.
Verzoekster en de man zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
Zoals afgesproken tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw nog stukken aan de rechtbank toegezonden, zulks bij brief met bijlagen van 2 februari 2026.
2 De vaststaande feiten
Verzoekster is op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats 1] geboren als kind van
[naam moeder] (de moeder).
De moeder is op [datum] te [plaatsnaam] gehuwd met de man.
De man heeft verzoekster op 27 februari 2019 erkend, met toepassing van Nederlands recht.
Het huwelijk van de moeder en de man is op 2 april 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Onweersproken is dat de man niet de biologische vader van verzoekster is.
Verzoekster en de man hebben de Nederlandse nationaliteit.
3. De beoordeling
Vernietiging erkenning
Het verzoek strekt tot vernietiging van de erkenning van verzoekster door de man.
De man verweert zich niet tegen het verzoek.
Op grond van artikel 1:205 lid 1a en lid 4 BW kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning op grond van het feit dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend door het kind, binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet de biologische vader is. Als het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.
Omdat verzoekster op het moment van indiening van het verzoek achttien jaar was, zijnde binnen drie jaren nadat zij meerderjarig is geworden, is verzoekster ontvankelijk in haar verzoek.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de man niet de biologische vader van verzoekster is. De rechtbank komt tot dit oordeel gelet op wat in het verzoekschrift en tijdens de mondelinge behandeling is gesteld, de overgelegde schriftelijke verklaring van de moeder namelijk dat de moeder de man niet kende op het moment dat zij zwanger raakte van verzoekster en dat zij eerst jaren later een relatie met de man kreeg. Gezien het voorgaande zal de rechtbank het verzoek toewijzen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4 De beslissing
De rechtbank:
vernietigt de erkenning van:
[verzoekster] , [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats 2] ,
door:
[naam man] ;
draagt de griffier op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam zoals bepaald in artikel 1:20e lid 1 BW;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 12 februari 2026. |
||
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Verzoeker en verschenen belanghebbenden moeten het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden moeten het beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere manier bekend is geworden.