Home

Rechtbank 's-Gravenhage, 04-07-2001, AD6310, AWB 00/7687

Rechtbank 's-Gravenhage, 04-07-2001, AD6310, AWB 00/7687

Gegevens

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
4 juli 2001
Datum publicatie
29 november 2001
ECLI
ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6310
Zaaknummer
AWB 00/7687
Relevante informatie
Algemene wet bestuursrecht [Tekst geldig vanaf 01-06-2023 tot 01-07-2023] art. 3:2

Inhoudsindicatie

AMA / Mauritanië / onzorgvuldig onderzoek.

Eiser is afkomstig uit Mauritanië en doet onder andere een beroep op het AMA-beleid. Verweerder is van mening dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt omdat hij geen antwoord kon geven op elementaire vragen over Mauritanië. Verweerder baseert zich hier met name op het aanvullend gehoor d.d. 13 december 1999. Eiser stelt daar onder andere tegenover dat hij de Franse taal niet goed beheerst waardoor hij de vragen niet goed kon beantwoorden. Ingevolge artikel 3:2 Awb vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierbij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht nu eiser tijdens het eerste gehoor, het nader gehoor en het aanvullend gehoor - dat in het bijzonder bedoeld was om duidelijkheid te verkrijgen omtrent de identiteit, nationaliteit en afkomst van eiser - in de Franse taal is gehoord, terwijl eiser tijdens elk gehoor heeft aangegeven dat hij het Frans niet goed beheerste en dat hij gehoord wilde worden in zijn eigen taal, het Soninké. Dat eiser aan het eind van de gehoren heeft verklaard dat hij de tolk goed heeft begrepen doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser een jonge asielzoeker is, die in een geïsoleerde omgeving is opgegroeid en een positie van quasi-slavernij verkeerde, waardoor het niet onwaarschijnlijk is dat hij minder assertief is dan de gemiddelde asielzoeker en voorts dat uit de verslagen van het nader en aanvullende gehoor naar voren komt dat eiser wel moeite had met het begrijpen van de gestelde vragen. Het beroep is derhalve gegrond. De bestreden beschikking dient te worden vernietigd. De handelwijze van verweerder heeft er toe geleid dat niet toegekomen is aan de inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas. Daarom is het, gelet op de vereiste zorgvuldigheid, noodzakelijk dat verweerder eerst in een besluit in primo een standpunt gaat innemen nadat er een adequaat gehoor van eiser heeft plaatsgevonden in zijn eigen taal, het Soninké. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om met toepasing van artikel 8:72, vierde lid, Awb de beschikking in primo van 18 februari 2000 te herroepen. Beroep gegrond.

Uitspraak

UITSPRAAK

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 00/7687 VRWET Z VR

Uitspraak

inzake: A,

geboren op [...] 1982,

verblijvende te B,

van Mauritaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9812.15.2086,

eiser,

gemachtigde: mr. C.M da Cunha, advocaat te Zeist;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. P.J. de Vries, advocaat te 's-Gravenhage.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 16 december 1998 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 18 februari 2000 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eiser geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Deze beschikking is op 25 februari 2000 bekendgemaakt.

1.2 Eiser heeft daartegen bij brief van 22 maart 2000 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 19 juni 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Deze beschikking is op 26 juni 2000 bekendgemaakt.

1.3 Bij beroepschrift van 19 juli 2000 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 juni 2001. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

2.3 Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvragen, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eisers moeder is in 1995 overleden. Op de dag dat eisers moeder overleed kwam C, de baas van zijn moeder, bij eiser en vertelde hem dat hij in haar plaats moest gaan werken. Eiser heeft sindsdien als slaaf voor de schapen en kamelen van C gezorgd. Eiser kreeg geen geld voor het werk dat hij deed en werd slecht behandeld. Op 17 november 1998 kwam eiser twee blanke mannen tegen in Kebe. Eiser vertelde hen over zijn problemen. De mannen namen eiser mee naar de haven van Nouakchott. Dezelfde avond is eiser aan boord van een schip gegaan.

2.4 Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat in het onderhavige geval ongeloofwaardig wordt geacht dat eiser de door hem gestelde identiteit en nationaliteit bezit. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat eiser niet in staat is gebleken antwoord te geven op essentiële vragen over Mauritanië, waarvan van hem in redelijkheid mag worden verwacht deze te kunnen beantwoorden, te meer nu hij vijf jaar onderwijs heeft genoten. Voorts wekt het bevreemding dat eiser, die kamelen- en schapenherder is geweest in zijn land van herkomst, geen correct antwoord kan geven op de vraag naar de draagtijd van een ooi en de periode in het jaar waarin de lammeren worden geboren. Bovendien heeft eiser wisselende verklaringen afgelegd over elementaire gegevens zoals woon- en verblijfplaats en tijdstip waarop en plaats waar hij naar school is geweest in Mauritanië. De stelling van eiser dat de wisselende verklaringen van eiser een gevolg zijn van het feit dat hij in de Franse taal is gehoord wordt door verweerder niet gevolgd. Eiser heeft zowel aan het einde van zijn nader gehoor als zijn aanvullende gehoor aangegeven dat hij geen op- of aanmerkingen heeft op de werkwijze van de tolk en dat hij de tolk goed heeft begrepen en goed heeft kunnen verstaan.

Voorzover eiser zich beroept op het specifieke toelatingsbeleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers, wordt overwogen dat dit beroep faalt nu de nationaliteit en identiteit, waaronder de minderjarige leeftijd van eiser, niet vast staat. Het ligt op de weg van eiser om zijn minderjarigheid aannemelijk te maken. Voor zover wel van de minderjarigheid van eiser moet worden uitgegaan, wordt overwogen dat een eventueel onderzoek naar de mogelijkheden van opvang van eiser in zijn land van herkomst onmogelijk wordt gemaakt, nu de verklaringen van eiser omtrent zijn land van herkomst en nationaliteit ongeloofwaardig worden geacht, hetgeen voor rekening en risico van eiser komt.

2.5 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in aanmerking dient te komen voor toelating als vluchteling, dan wel voor verlening van een verblijfsvergunnig op humanitaire gronden althans een verblijfsvergunning op grond van het AMA-beleid. Eisers asielrelaas is consistent, voldoende gedetailleerd en komt geloofwaardig over. Eiser werd telkenmale gehoord in een taal die hij onvoldoende beheerst. Om die reden heeft eiser de vraagstelling van de contactambtenar niet altijd goed kunnen begrijpen en verstaan en dat heeft zeker de inhoud van de door hem gegeven antwoorden beinvloed. Eiser heeft geprotesteerd tegen het feit dat men hem wilde horen in de Franse taal, er werd echter niet naar eiser geluisterd. Om deze reden moest eiser het antwoord op algemene vragen met betrekking tot Mauritanië schuldig blijven. Nu eiser in Mauritanië noodgedwogen een volstrekt geïsoleerd bestaan leidde kan aan het feit dat eiser slecht op de hoogte is van wetenswaardigheden over Mauritanië niet sec de conclusie worden verbonden dat eisers nationaliteit en leeftijd voorwerp is van gerede twijfel.

Eiser had minimaal in het bezit dienen te worden gesteld van een vergunning tot verblijf op grond van het AMA-beleid. Verweerder heeft de in de Vreemdelingencirculaire gestelde termijn van zes maanden om de mogelijkheid tot adequate opvang te onderzoeken ongebruikt voorbij laten gaan. In de bestreden beschikking is in onvoldoende mate aangetoond dat er voor eiser adequate opvang is in Mauritanië. Ook na ommekomst van de termijn van zes maanden heeft verweerder niet zo spoedig mogelijk onderzocht of er sprake is van adequate opvang in het land van herkomst.

2.6 De rechtbank oordeelt als volgt.

Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Mauritanië zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

2.7 Verweerder is van mening dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt omdat hij geen antwoord kon geven op elementaire vragen over Mauritanië. Verweerder baseert zich hier met name op het aanvullend verhoor d.d. 13 december 1999. Eiser stelt daar onder andere tegenover dat hij de Franse taal niet goed beheerst waardoor hij de vragen niet goed kon beantwoorden.

Ingevolge artikel 3:2 Awb vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit, de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierbij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht nu eiser tijdens het eerste gehoor, het nader gehoor en het aanvullend gehoor - dat in het bijzonder bedoeld was om duidelijkheid te verkrijgen omtrent de identiteit, nationaliteit en afkomst van eiser - in de Franse taal is gehoord, terwijl eiser tijdens elk gehoor heeft aangegeven dat hij het Frans niet goed beheerste en dat hij gehoord wilde worden in zijn eigen taal, het Soninké. Dat eiser aan het eind van de gehoren heeft verklaard dat hij de tolk goed heeft begrepen doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser een jonge asielzoeker is, die in een geïsoleerde omgeving is opgegroeid en in een positie van quasi-slavernij verkeerde, waardoor het niet onwaarschijnlijk is dat hij minder assertief is dan de gemiddelde asielzoeker en voorts dat uit de verslagen van het nader en aanvullende gehoor naar voren komt dat eiser wel moeite had met het begrijpen van de gestelde vragen.

2.8 Het beroep is derhalve gegrond. De bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

2.9 De handelswijze van verweerder heeft er toe geleid dat niet toegekomen is aan de inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas. Daarom is het, gelet op de vereiste zorgvuldigheid, noodzakelijk dat verweerder eerst in een besluit in primo een standpunt gaat innemen nadat er een adequaat gehoor van eiser heeft plaatsgevonden in zijn eigen taal, het Soninké. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb de beschikking in primo van 18 februari 2000 te herroepen.

2.10 Gezien het voorgaande bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb te bepalen dat het door eiser betaalde griffierecht wordt vergoed door de Staat der Nederlanden.

2.11 Tevens bestaat aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ 1.420,--.

3 BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking van 19 juni 2000;

- herroept de beschikking in primo van 18 februari 2000;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag zal beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierrecht ad ƒ 50,-- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, ad ƒ 1.420,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M. van Schuijlenburg en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. F.L.M. Heine als griffier op 4 juli 2001

----------------

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open (artikel 33e Vw).

Afschrift verzonden: 04 jul 2001