Home

Rechtbank 's-Gravenhage, 15-02-2006, BA0981, AWB 05/2890

Rechtbank 's-Gravenhage, 15-02-2006, BA0981, AWB 05/2890

Gegevens

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15 februari 2006
ECLI
ECLI:NL:RBSGR:2006:BA0981
Zaaknummer
AWB 05/2890

Inhoudsindicatie

Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen. Op basis van de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen om een deel van de uitgaven voor levensonderhoud van zijn zoon te voldoen. Met name gelet op de inkomenspositie van de zoon hebben niet alle kosten gedrukt op eiser.

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2890

Uitspraakdatum: 15 februari 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Y.], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 31 maart 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2002 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.751 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.561 (aanslagnummer [00000000000000]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2006. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [...] en [oudste zoon van X.]. Namens verweerder is verschenen [...].

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.491 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.561 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

2. Gronden

2.1 Eiser is gedurende het gehele jaar 2002 gehuwd en heeft vijf kinderen. Zowel eiser als zijn echtgenote waren onder meer in dat jaar ernstig ziek. De oudste zoon van het echtpaar, [oudste zoon van X.] (hierna: de zoon), geboren op [geboortedatum] 1977, heeft daarom de zorg voor het gezin op zich genomen. Naar aanleiding hiervan heeft hij zijn opleiding aan de Vrije Universiteit Amsterdam voortijdig moeten beëindigen en is hij een nieuwe opleiding begonnen aan de Haagse Hogeschool. De zoon behoorde in het onderhavige jaar tot het huishouden van eiser.

2.2 De zoon heeft in 2002 een loon uit dienstbetrekking genoten van € 19.252. Zijn gemiddelde rendementsgrondslag bedroeg voor dat jaar € 38.008. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 heeft de zoon een persoonsgebonden aftrekpost van € 974 voor scholingsuitgaven in aanmerking genomen. De zoon heeft ter zitting verklaard dat deze aftrekpost bestaat uit door hem betaalde uitgaven voor collegegeld en een deel van zijn studieboeken.

2.3 Eiser heeft voor het jaar 2002 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.231 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.561. Hij heeft hierbij een persoonsgebonden aftrekpost in aanmerking genomen van € 2.520 voor de uitgaven voor levensonderhoud van de zoon. Hij heeft ten behoeve van zijn zoon uitgaven gedaan voor maaltijden, huisvesting, kleding, sport, boeken en lessen van een repetitor. Voor de zoon bestond in het onderhavige jaar geen recht op kinderbijslag of studiefinanciering.

2.4 Bij de aanslagregeling heeft verweerder het belastbaar inkomen uit werk en woning gecorrigeerd met de persoonsgebonden aftrekpost voor de uitgaven voor levensonderhoud van de zoon. Het tegen de aanslag gerichte bezwaar is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2.5 Tussen partijen is in geschil of verweerder de correctie ad € 2.520 terecht heeft aangebracht.

2.6 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij heeft voldaan aan de voorwaarden voor de persoonsgebonden aftrekpost voor de uitgaven voor levensonderhoud van zijn zoon. De zoon heeft door de ziekten van eiser en zijn echtgenote ernstige studievertraging opgelopen. Onder deze buitengewone omstandigheden is een aftrekpost voor levensonderhoud op zijn plaats, ook al verkeert de zoon niet in financiële nood. Eiser is van mening dat op hem en zijn echtgenote een dringende morele verplichting rust tot opvoeding en onderhoud van hun kinderen. Eiser stelt dat hij vertrouwen mocht ontlenen aan de toelichting bij de aangiftediskette die niet vermeldt dat een voorwaarde voor de aftrek is dat het kind niet in staat was om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien.

2.7 Verweerder heeft het standpunt van eiser gemotiveerd bestreden. Hij stelt dat eiser zich in deze bijzondere omstandigheden wel gedrongen kan voelen om de zoon in zijn levensonderhoud te steunen, maar dat dit niet tot een aftrekpost kan leiden omdat de zoon in het onderhavige jaar voldoende inkomsten en vermogen had om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien. De zoon heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 studiekosten in aftrek gebracht. De toelichting bij de aangiftediskette vermeldt dat het moet gaan om een kind dat niet in staat was om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Daarnaast is deze toelichting volgens vaste jurisprudentie een algemene toelichting ter vergemakkelijking van de invulling van het aangiftebiljet, waaraan eiser geen vertrouwen kan ontlenen.

2.8 Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen een persoonsgebonden aftrekpost. Ingevolge het derde lid van dat artikel worden die uitgaven in aanmerking genomen voor zover de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven.

Ingevolge artikel 6.13 van de Wet IB 2001 zijn, voor zover hier van belang, uitgaven voor levensonderhoud van kinderen, uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (tekst 2002; hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt een kind in belangrijke mate op kosten van de ouder onderhouden indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 386 per kwartaal beloopt.

Ingevolge artikel 36, aanhef en onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling worden de uitgaven voor levensonderhoud van een kind, indien de kosten van dat onderhoud in belangrijke mate op de belastingplichtige drukken, in aanmerking genomen tot een bedrag van € 315 per kalenderkwartaal indien het kind 18 jaar of ouder is. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt, voor zover hier van belang, het in het eerste lid, onderdeel d, vermelde bedrag verhoogd tot € 630, indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind tenminste € 630 per kwartaal belopen en de kosten van het onderhoud van het kind tevens grotendeels op de belastingplichtige drukken. Een belastingplichtige onderhoudt een kind grotendeels indien meer dan de helft van de totale kosten van levensonderhoud van het kind voor zijn rekening komt.

2.9 Vaststaat dat de zoon in verband met de ernstige ziekte van beide ouders zorgtaken heeft moeten verrichten zowel voor de ouders als voor vier jongere kinderen, en dat hij daardoor ernstige studievertraging heeft opgelopen. De rechtbank acht aannemelijk dat de in 2002 door de zoon verschuldigde studiekosten rechtstreeks aan de studievertraging zijn te relateren. De rechtbank acht het op basis van deze bijzondere omstandigheden aannemelijk dat eiser zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen om dat deel van de uitgaven voor levensonderhoud van zijn zoon te voldoen. Verweerder heeft voor dat - ter zitting nog hypothetisch besproken - geval ermee ingestemd dat de uitgaven voor levensonderhoud in aanmerking kunnen worden genomen tot het forfaitaire bedrag van € 315 per kwartaal.

Op grond van het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat de uitgaven voor levensonderhoud van de zoon in het onderhavige jaar tot het forfaitaire bedrag van € 315 per kwartaal in aanmerking kunnen worden genomen.

2.10 De rechtbank heeft bij haar oordeel het inkomen en het vermogen van de zoon in aanmerking genomen. Gelet op de genoemde bijzondere omstandigheden hebben het inkomen en het vermogen van de zoon niet met zich gebracht dat eiser zich niet meer gedrongen kon voelen de studiekosten van de zoon te voldoen.

2.11 Eiser stelt naar de rechtbank begrijpt dat eiser de kosten voor levensonderhoud van de zoon grotendeels voor zijn rekening heeft genomen. Voor zover dit al aannemelijk moet worden geacht kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet tot gevolg hebben dat al deze kosten geacht moeten worden te hebben gedrukt op eiser, met name gelet op de inkomenspositie van de zoon. De rechtbank overweegt dat de inkomsten uit arbeid die iemand verricht in eerste instantie zijn bestemd om te voorzien in het (normale) levensonderhoud van de betrokkene. De omstandigheid dat, zoals in dit geval, de zoon tevens een studie volgt is geen reden daar anders over te oordelen.

2.12 Eiser heeft met nadruk aandacht gevraagd voor het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1985, nr. 23 379, BNB 1986/38, waarin de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van uitgaven voor levensonderhoud in het geval van een aan heroïne verslaafde zoon met een besteedbaar inkomen van fl. 14.500, omdat de zoon door omstandigheden buiten zijn wil zijn inkomen niet ter beschikking heeft kunnen houden ter voorziening van zijn levensonderhoud. De rechtbank overweegt dat de feiten van dat geval niet overeenkomen met de onderhavige feiten. Gesteld noch gebleken is dat de zoon buiten zijn wil zijn inkomen en vermogen niet heeft kunnen besteden aan zijn levensonderhoud.

2.13 Met betrekking tot eisers beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 maart 1988, nr. 24 199, BNB 1988/148, heeft geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende met vrucht een beroep kan doen op uitlatingen in de toelichting op het aangiftebiljet, voorop dient te worden gesteld dat niet voor elke uitlating van de belastingadministratie, waardoor bij een belastingplichtige vertrouwen is gewekt ten aanzien van een door de belastingadministratie te volgen wetstoepassing, een juiste toepassing van de wet moet wijken. Wanneer het gaat om uitlatingen die niet als toezegging of goedkeuring zijn op te vatten maar waarin slechts algemene voorlichting wordt gegeven ter vergemakkelijking van het invullen van een aangiftebiljet, dient aan het beginsel dat de wet moet worden toegepast in zoverre meer gewicht te worden toegekend dan aan het vertrouwensbeginsel, dat in de regel de belastingadministratie door onjuistheden in de voorlichting niet wordt gebonden. Op grond hiervan wijst de rechtbank eisers beroep op het vertrouwensbeginsel af.

2.14 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond.

2.15 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat eiser ter zitting heeft gesteld dat hij geen kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan op 15 februari 2006 door mr. J.P.F. Slijpen in tegenwoordigheid van mr. I. Lampe-Selanno, griffier. De beslissing is dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.