Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-04-2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1426, BRE - 17 _ 5021 tm 17_5021

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-04-2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1426, BRE - 17 _ 5021 tm 17_5021

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
2 april 2019
Datum publicatie
3 juli 2019
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2019:1426
Formele relaties
Zaaknummer
BRE - 17 _ 5021 tm 17_5021

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / Vergrijpboete

De politie heeft tijdens een doorzoeking van de woning van belanghebbende diverse (financiële) administratieve bescheiden in beslag genomen. De inspecteur heeft, aan de hand van voormelde bescheiden en van diverse afgelegde verklaringen van belanghebbende bij verhoren door de politie, navorderingsaanslagen opgelegd. Er zijn ook boeten opgelegd. Belanghebbende heeft onder meer gesteld dat de in zijn woning aangetroffen bescheiden vals zijn en dat de daarop geplaatste handtekeningen niet van hem zijn. De rechtbank is van oordeel dat met wat belanghebbende heeft aangevoerd, hij de gemotiveerde stellingen van de inspecteur niet heeft weerlegd. Voorts maakt belanghebbende niet aannemelijk dat hij kosten heeft gemaakt. De rechtbank vindt de opgelegde boeten op zijn plaats en ziet geen reden voor matiging daarvan. Het gelijk is aan de inspecteur. De boeten worden wel verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/5021 tot en met 17/5025

uitspraak van 2 april 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats 1] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd en bij gelijktijdig vastgestelde beschikkingen vergrijpboeten opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht:

Zaaknr.

Aanslagnr.

Belasting(jaar)

Box 1-inkomen /bijdrage-inkomen

Belasting / Bijdrage

Boete

Heffingsrente

17/5021

H.87

IB/PVV 2008

€ 49.200

€ 15.647

€ 7.238

€ 2.158

17/5022

W.87.4

ZVW 2008

€ 31.231

€ 1.592

-

€ 237

17/5023

H.97

IB/PVV 2009

€ 49.200

€ 15.656

€ 7.828

€ 1.590

17/5024

W.97.4

ZVW 2009

€ 32.369

€ 1.553

-

€ 157

17/5025

H.07

IB/PVV 2010

€ 4.393.888

€ 2.274.398

€ 190.386

1.2.

De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan op 6 januari 2014 en 3 december 2015 en heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen bij uitspraken van 17 november 2016 gegrond verklaard en de zaken naar de inspecteur teruggewezen om belanghebbende alsnog te horen.

1.3.

De inspecteur heeft bij één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 1 juni 2017, na het horen, de navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en rentebeschikkingen gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 12 juli 2017, ontvangen bij de rechtbank op 13 juli 2017, beroep ingesteld. Ter zake van de beroepen heeft de griffier van belanghebbende éénmaal griffierecht geheven van € 46.

1.5.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 27 november 2018 te Breda. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarin ook de ter zitting verschenen personen zijn vermeld. Een afschrift van dit proces-verbaal wordt gelijktijdig met een afschrift van deze uitspraak aan partijen toegezonden.

1.7.

Na de zitting van 27 november 2018 heeft de enkelvoudige kamer de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van de rechtbank. Voor het geval van verwijzing hebben partijen op voornoemde zitting er reeds mee ingestemd dat een nadere mondelinge door de meervoudige kamer niet nodig is. Partijen zijn schriftelijk ingelicht over de verwijzing. In deze brief heeft de rechtbank een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Bij nadere brieven zijn partijen geïnformeerd over verdere verlenging van de uitspraaktermijn.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting van de enkelvoudige kamer staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende woonde in de jaren 2008 tot en met 2013 aan [adres 1] in [plaats 2] . Op dat adres bevindt zich een woning, een loods, een aantal paardenstallen en een rijbak.

2.2.

Belanghebbende heeft voor de jaren 2008 en 2009 aangifte IB/PVV gedaan. De aanslagen IB/PVV voor de jaren 2008 en 2009 zijn vastgesteld conform de door belanghebbende ingediende aangiften. Voor het jaar 2010 heeft belanghebbende, na daartoe te zijn uitgenodigd, geen aangifte IB/PVV ingediend. Belanghebbende is niet aangemaand om de aangifte IB/PVV 2010 alsnog in te dienen.

2.3.

De politie heeft, na een melding van rookontwikkeling, op 6 februari 2013 op het adres van belanghebbende een werkend XTC-laboratorium aangetroffen. De politie heeft tijdens het doorzoeken van de woning diverse (financiële) administratieve bescheiden in beslag genomen.

2.4.

Belanghebbende is op 6, 13 en 14 februari 2013 en op 12, 13 en 29 maart 2013 als verdachte door de politie verhoord. Van deze verhoren zijn processen-verbaal opgesteld (bijlagen 10, 11 en 13 tot en met 17 bij het verweerschrift).

2.5.

De inspecteur heeft op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) gegevens opgevraagd bij de Officier van Justitie. Namens de inspecteur is met behulp van die gegevens en met gegevens van de Belastingdienst zelf de materiële belastingschuld van belanghebbende over onder meer de jaren 2008 tot en met 2010 berekend. De bevindingen inzake het onderzoek naar de materiële belastingschuld zijn vastgelegd in het rapport van 12 mei 2013 (hierna: het rapport).

2.6.

In het rapport staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“3.1 In beslag genomen goederen en bescheiden

Aangetroffen goederen en bescheiden met betrekking tot [belanghebbende] op het adres [adres 1] :

-

Twee Western Union Gold cards nummers [# 1] en [# 2] ;

-

Afschrift Postbank met storting van 200.000, storter en valuta onbekend (kopie);

-

Overschrijving GWK van € 50.000 naar Servië (kopie);

-

KBC factuur met daarop een te betalen vergoeding voor kluishuur, safenummer: [# 3] periode 2010-2012 (kopie);

-

KBC overzicht interesten en kosten 2010 (kopie);

-

Huurcontract en huurfacturen 2011 en 2012 gericht aan: [persoon 1] door

[A BV] (kopie);

-

Huurovereenkomst tussen [A BV] en [belanghebbende] , voor het pand aan [adres 1] (kopie);

-

Driemaal 'Bill of Lading' van [A SA] naar de haven van Antwerpen. Waarde van de transporten $ 46.000, $ 44.500 en $ 45.100 alle in 2010 (kopieën);

-

Blanco CMR / vrachtbrieven van: [B BV] , [adres 2] , [postcode] [plaats 3] (kopie);

-

Print contactinformatie [A SA] waarvan [belanghebbende] blijkbaar de Salesmanager Oost Europa is (kopie);

-

(…);

-

(…);

-

Brief van een veterinaire inspectie in of vanwege Bosnië Herzegovina, uitgevoerd op 14-12-2011 (kopie); Een schrijven van een Medische Dienst uit Bosnië inzake [persoon 2] (kopie);

-

'Stortingsbewijzen' of anderszins schrijven van ABS Banka (2x) en UNA Banka (1x) en Sparkasse (1x) (kopieën);

-

GWK Travelex overschrijvingen van [belanghebbende] naar Bosnië, twee originelen en twee vermoedelijk vervalste. Transactienummers zijn gelijk maar de bedragen met de factor 1000 verminderd (kopieën);

-

Overschrijving van geld, € 3.000, naar [belanghebbende] van Bosnië via Western Union + aantekening ' [persoon 3] , [plaats 2] Holland' (kopie);

-

(…)

-

Zeven buitenlandse / Bosnische facturen en betalingsbewijzen (dat is in ieder geval het vermoeden) van aanzienlijke bedragen (kopieën)

-

(…).

3.1.1

Buitenlandse bescheiden

De bescheiden in de buitenlandse taal zijn inmiddels vertaald en in een pdf-bestand raadpleegbaar gemaakt. Daaruit blijkt:

Contante stortingen in het buitenland door belastingplichtige van in totaal

€ 4.290.000;

-

Dat er sprake is van meerdere ondernemingen waar belastingplichtige voor werkt of waarvan hij (mede) eigenaar is;

-

Dat er brieven van-veterinaire organisaties die goedkeuring voor vleestransporten geven bij belastingplichtige in bezit zijn die niet aan hem zijn geadresseerd.

3.2

Inhoud afgelegde verklaringen

(…)

[belanghebbende]

[belanghebbende] heeft verklaard dat;

-

Hij het pand nu huurt van [persoon 4] maar voordien via [persoon 1] uit [plaats 4] ;

-

Hij een im- exportbed[r]ijf in vlees runt genaamd [C BV] , samen met [persoon 5] die vanuit Bosnië werkt. Hij heeft dit bedrijf al sinds 1995;

-

De onderneming is gevestigd in [plaats 5] , Bosnië;

-

Hij hiermee € 2.000 of € 2.200 bruto per maand verdient;

-

Hij niet precies weet hoe dit bedrag uitbetaald wordt;

-

Hij 6 of 7.000 euro op zijn ING rekening heeft staan;

-

Hij € 2.000 huur en € 800 GWL maand betaalt;

-

Hij met de paardenhandel tussen de € 1.500 en € 2.500 per maand verdient;

-

Hij 6 of 7 jaar op dit adres woont;

-

Hij tussen de 600 a 1.000 per maand netto overhoudt om van te leven;

-

Hij geen vermogen in binnen - of buitenland heeft;

-

Hij loodsen verhuurt aan ene [persoon 6] voor 250 per bank per maand en 500

contant per week;

(…)

(Bron PV PL204M 2013026934-11)

Tweede verhoor:

[belanghebbende] heeft verklaard dat:

-

Hij paardenspullen opkoopt, opknapt en weer verkoopt;

-

Hij soms€ 100.000 of € 200.000 per maand verdiend als hij weer iemand heeft opgelicht met zijn handel in vlees;

-

Hij al anderhalf jaar geleden met het Bosnische vleesbedrijf is opgehouden destijds verdiende hij € 0,75 per kilo. Er werd gehandeld tussen de 10 en 40 ton (frequentie onbekend);

-

Van dat bedrijf werd geen administratie bijgehouden;

-

(…).

(Bron PV PL204M 2013026934-97)

Belastingplichtige heeft ook verklaard dat hij geld in de grond verborgen zou hebben.

(Bron: PV PL204M 2013026934-99)

Derde verhoor:

[belanghebbende] heeft verklaard dat:

(…)

De eerder genoemde 100 á 200.000 euro niet per maand is maar eens in de zoveel tijd, verdiend werd met de BMK oplichting en dat het geld alweer op is;

(…)

4 Berekening genoten inkomen 2008-2012

[belanghebbende] heeft verklaard dat hij gemiddeld € 2.100 per maand verdiend heeft bij de buitenlandse onderneming [C BV] . Het is niet bekend of er in Bosnië over deze verdiensten reeds belasting is betaald, maar gezien de verklaring van [belanghebbende] dat er bij dat bedrijf geen administratie wordt gevoerd, is dat te betwijfelen. Ook de hoogte van de verdiensten is dus per definitie de minimale positie.

Daarnaast verdiende [belanghebbende] met de handel in paarden gemiddeld zo'n € 2.000 per maand. Dat geeft een totaal inkomen per maand van € 4.100. Per jaar dus € 49.200.

Als daar de kosten van huur (€ 2.000 per maand) en kosten onderhoud paarden (geschat op € 175 per maand per paard x 6 paarden) € 12.600 in totaal dus € 36.600 van af gaan houden we een netto besteedbaar bedrag over van € 12.600. Rekening houdend met kosten van levensonderhoud er dergelijke komen we met deze berekening dicht in de buurt van de door belastingplichtige aangegeven netto te besteden bedrag van tussen de € 600 en € 1.000 per maand.

Inkomsten vleeshandel

Er is een drietal Vrachtbrieven aangetroffen op het woonadres van belastingplichtige met gegevens van geïmporteerde vleesproducten ter waarde van: $ 46.000, $ 44.500 en $ 45.100 = $ 135.600 = € 100.888.

(…)

Het is onbekend wat er met deze vleesproducten is gebeurd maar aangezien de transporten afkomstig zijn van [A SA] uit Paraguay (een zoekactie op internet naar bovengenoemde onderneming in Paraguay geen resultaat heeft opgeleverd) en aangezien [belanghebbende] Salesmanager is van deze onderneming, getuige een afgedrukte contactpagina van [A SA] , nemen wij het standpunt in dat [belanghebbende] het vlees heeft geïmporteerd voor verder vervoer naar Bosnië Herzegovina zoals de vrachtbrieven aangeven. De verdiensten van deze transacties liggen op minimaal de inkoopprijs, berekend op € 100.888.

Inkomsten transportbedrijf BAJA:

Uit een brief aangetroffen in de woning van belastingplichtige blijkt dat belastingplichtige een transportonderneming drijft genaamd [D BV] , er 35 werknemers werkzaam zijn, de jaarwinst 3,5 miljoen euro bedraagt, er 20 vrachtwagens in de onderneming aanwezig zijn, 24 uur per dag is geopend en zich bezighoudt met vrije uitvoer.

In 2010 wordt er in totaal € 3.500.000 contant gestort. Een kopie stortingsbewijs is aanwezig.

Onderneming [E BV]

Uit een brief aangetroffen in de woning van belastingplichtige blijkt dat [belanghebbende] voor 50% eigenaar is van de onderneming ' [E BV] '. De andere helft van de onderneming is in handen van [persoon 2] . Aan deze onderneming wordt op 1 juli 2010 contant € 50.000 gestort door [belanghebbende] . Een kopie stortingsbewijs is ook aanwezig.

Bankrekening Raiffeisen Bank Sarajevo

Uit een brief aangetroffen in de woning van belastingplichtige blijkt dat [belanghebbende] een rekening heeft bij deze bank en dat daar op 5 juli 2010 een bedrag van € 500.000 op heeft gestort, omschrijving 'partner microkrediet'. Een kopie van dit stortingsbewijs is ook aanwezig. Waarbij opvalt dat de gestempelde datum 1 juli is en later handmatig is veranderd in 5 juli.

Douane Bosnië en Herzegovina

Uit een brief aangetroffen in de woning van belastingplichtige blijkt dat de Douane van Bosnië Herzegovina een bedrag van € 200.000 in beslag heeft genomen. Dit bedrag is afkomstig van [belanghebbende] . Men vermoedt dat het geld van misdaad afkomstig is en mogelijk zou toebehoren aan de Rabobank Utrecht dan wel een 'fabriek van medische middelen' in Polen. Opvallend is dat ook deze brief op 1 juli 2010 is gedateerd.

Stortingsbewijs Raiffeisen Bank

Uit een stortingsbewijs en brief aangetroffen in de woning van belastingplichtige blijkt dat [belanghebbende] een bedrag van € 20.000 contant heeft gestort met de omschrijving 'België 080110'. In de brief wordt melding gemaakt dat dit bedrag moet worden betaald voor de levering van niet nader genoemde 'witgoederen' door ene [persoon 7] .

Onderneming [F BV]

In een verklaring die is aangetroffen in de woning van belastingplichtige blijkt dat [belanghebbende] manager is van de onderneming ' [F BV] '. Hij is vertegenwoordiger voor deze firma voor 'verwerking en distributie van vlees in Zuid Amerika'. Verklaring is gedateerd 1 juli 2010. Ook is een stortingsbewijs van € 20.000 door belastingplichtige namens deze onderneming in verband met betaling van 'een termijn in Amerika’. Ook .het stortingsbewijs is gedateerd op 1 juli 2010.

(…)”

In dit rapport staat eveneens vermeld dat voor de jaren 2008 en 2009 navorderingsaanslagen met een vergrijpboete zullen worden opgelegd en dat voor het jaar 2010 een voorlopige aanslag zonder een vergrijpboete zal worden opgelegd.

2.7.

De navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2008 en 2009 zijn met dagtekening 22 mei 2013 aan belanghebbende opgelegd. Voor beide jaren is het belastbare inkomen uit werk en woning op € 49.200 vastgesteld. Gelijktijdig zijn boeten opgelegd en zijn beschikkingen heffingsrente afgegeven (zie ook 1.1).

2.8.

De inspecteur heeft voor het jaar 2010 een voorlopige aanslag IB/PVV aan belanghebbende opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.393.888. Bij het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2010 is het belastbare inkomen uit werk en woning op nihil vastgesteld. De inspecteur heeft daarna schriftelijk aan belanghebbende te kennen gegeven dat de vermindering van de definitieve aanslag op een kennelijke vergissing berust en dat daarom een navorderingsaanslag zal worden opgelegd. De navorderingsaanslag IB/PVV 2010 is met dagtekening 25 januari 2014 aan belanghebbende opgelegd en gelijktijdig is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht (zie ook 1.1).

3 Geschil

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing