Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-08-2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:4351, BRE 17/ 4760 en BRE 17/6072

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-08-2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:4351, BRE 17/ 4760 en BRE 17/6072

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22 augustus 2019
Datum publicatie
9 oktober 2019
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2019:4351
Zaaknummer
BRE 17/ 4760 en BRE 17/6072

Inhoudsindicatie

BPM. Ontvankelijkheid beroepen en vergoeding van immateriële schade in verband met de redelijke termijn. De rechtbank overweegt dat het arrest van de Hoge Raad BNB 2017/38 evenzeer van toepassing is op gevallen waarin het beroep niet ontvankelijk is in verband met overschrijding van de beroepstermijn. Hieruit volgt een vergoeding van immateriële schade uitsluitend in verband met een overschrijding van de redelijke termijn voor zover deze ziet op de beroepsfase.

Uitspraak

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/4760 en 17/6072

uitspraak van 22 augustus 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

[belanghebbende] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

alsmede

de Minister voor Rechtsbescherming.

De bestreden beslissing(en)

- de uitspraken van de inspecteur van 16 mei 2017 en 26 juli 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door haar ter zake van de registratie van een personenauto op aangifte voldane belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm) met aangiftenummer [aangiftenummer] .

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2019 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, in de persoon van [persoon A] (hierna: de heer [A] ), vergezeld van [persoon B] en [persoon C] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak naar partijen wordt gezonden.

1 Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk;

-

verklaart zich onbevoegd te oordelen over de beslissing inzake een ambtshalve teruggaaf van Bpm, waaronder een beslissing over een rentevergoeding op grond van de AWR bij een ambtshalve teruggaaf;

-

verklaart zich onbevoegd om in deze procedure uitspraak te doen over de verzochte rentevergoeding ter zake van ambtshalve teruggaaf van Bpm voor zover de vaststelling daarvan tot de bevoegdheid van de ontvanger hoort;

-

veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming tot vergoeding van immateriële schade van € 1000;

-

wijst het verzoek tot veroordeling van de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade af;

-

wijst het verzoek tot vergoeding van materiële schade af;

-

gelast dat de Minister voor Rechtsbescherming het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 666 aan deze vergoedt;

-

veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming in de proceskosten van belanghebbende in beroep voor een bedrag van € 256;

-

beslist dat, indien de immateriëleschadevergoeding, de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase, en/of de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.

2 Gronden

Vooraf

2.1.

De beroepschriften zijn ingediend namens ‘voorheen [belanghebbende] , thans [A BV] ’. Het gaat hier om een voldoening van Bpm door belanghebbende; ook de uitspraken op bezwaar zijn ten aanzien van belanghebbende gedaan. De rechtbank begrijpt dat niet beoogd is dat de B.V. op eigen naam de beroepen heeft ingesteld. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat het beroep door de B.V. is ingesteld om de reden dat belanghebbende haar activiteiten heeft ingebracht in de B.V. Ter zitting is onduidelijk gebleven of belanghebbende nog “bestaat”. Voor zowel als dit wel het geval is als dit niet het geval is, gaat de rechtbank ervan uit dat bevoegdelijk beroep is ingesteld namens de heer [A] , nu die (voormalig) vennoot van belanghebbende is en bestuurder is van de B.V.

Feiten

2.2.

De destijds gemachtigde van belanghebbende, [persoon D] , destijds handelend onder de naam [B BV] (hierna: [D] ), heeft op 29 juli 2015 namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de op aangifte voldane Bpm ter zake van de registratie van een geïmporteerde auto, afkomstig uit Duitsland, in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens. Het betreft een auto van het merk en type Volkswagen Pheaton 3.6 V6 5P Highline met VIN [VIN] .

2.3.

Bij uitspraak op bezwaar vervat in een brief met dagtekening 16 mei 2017 (hierna: de eerste uitspraak op bezwaar) heeft de inspecteur het bezwaar van niet ontvankelijk verklaard. In dezelfde brief is belanghebbende een ambtshalve teruggave verleend van € 526. De inspecteur heeft de brief verzonden naar het bij hem bekende adres van [D] , [adres 1] te [plaats 1] (hierna: het adres te [plaats 1] ).

2.4.

Bij e-mail van 29 juni 2017 heeft [D] aan de inspecteur kenbaar gemaakt dat ze de uitspraak op bezwaar niet tijdig heeft ontvangen omdat [B BV] op [datum 1] 2017 (de rechtbank begrijpt [datum 1] 2016) is uitgeschreven op het adres te [plaats 1] en dat [D] inmiddels per [datum 2] 2017 (de rechtbank begrijpt [datum 2] 2016) is verhuisd naar [adres 2] te [plaats 2] (hierna het adres te [plaats 2] ). De nieuwe bewoners op het adres te [plaats 1] hebben de uitspraak op bezwaar op 28 juni 2016 (de rechtbank begrijp 28 juni 2017) aan [D] doorgezonden. In de e-mail verzoekt [D] de inspecteur om een nieuwe uitspraak op bezwaar met een nieuwe datering te verzenden naar het adres te [plaats 2] . Op eveneens 29 juni 2017 heeft [D] namens belanghebbende beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer 17/4760.

2.5.

De inspecteur is aan het verzoek van [D] tegemoet gekomen door een nieuwe/tweede uitspraak op bezwaar met dagtekening 26 juli 2017 (hierna: de tweede uitspraak op bezwaar) te verzenden naar het adres te [plaats 2] . Deze uitspraak op bezwaar heeft een andere inhoud dan de eerste uitspraak op bezwaar: het bezwaar is gegrond verklaard en een teruggaaf van € 526 is verleend. [D] heeft namens belanghebbende beroep ingesteld tegen deze uitspraak op bezwaar. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer 17/6072. Ter zitting is een brief van 17 juli 2019 van de inspecteur overgelegd waarin onder verwijzing naar de tweede uitspraak op bezwaar een belastingrentevergoeding van € 72 wordt vastgesteld in verband met de teruggaaf van Bpm.

2.6.

Het geschil in beroep betreft de hierna aan de orde komende onderwerpen.

Ter zake 17/4760 en 17/6072

Is van belanghebbende terecht en naar het juiste bedrag griffierecht geheven?

2.7.

De griffier heeft van belanghebbende voor beide zaken in totaal € 666 griffierecht geheven. Niet in geschil is dat het door de griffier geheven griffierecht in overeenstemming is met artikel 8:41 van de Awb. De rechtbank verwerpt de beroepsgrond van belanghebbende dat gelet op het arrest Kantarev1 het griffierecht de toegang tot de rechter op ontoelaatbare wijze belemmert, nu in het Nederlandse wettelijke systeem voor de hoogte van het griffierecht geen rekening wordt gehouden met ‘de waarde van het onderliggende geschil’. Uit het arrest Kantarev volgt (i) dat de maatstaf is of, rekening houdend met ‘ontheffingsmogelijkheden’, het griffierecht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt (rov. 134-135) en (ii) dat dit aan de nationale rechter is om dat na te gaan (rov. 137). De rechtbank is van oordeel dat, in aanmerking genomen de mogelijkheid tot vrijstelling van griffierecht bij betalingsonmacht, de hoogte van het Nederlandse griffierecht niet in zijn algemeenheid een onoverkomelijk obstakel vormt voor de toegang tot de rechter, ook niet op het onderdeel dat de hoogte van griffierecht onafhankelijk is van het geldelijk belang bij de procedure.2 Belanghebbende heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat in deze specifieke zaken wel sprake is van het hiervoor genoemde obstakel.

Ter zake 17/4760

Ontvankelijkheid van het beroep tegen de eerste uitspraak op bezwaar

2.8.

In geschil is of de eerste uitspraak op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt door de verzending naar het adres te [plaats 1] . Vast staat dat [D] niet meer op dit adres woonachtig was en het adres evenmin als postadres gebruikte. In dat opzicht is de uitspraak op bezwaar naar een onjuist adres gestuurd. Voor de vraag of (niettemin) sprake is van een bekendmaking op een voorgeschreven wijze is bepalend of die onjuiste adressering aan de inspecteur is te wijten.3 Vast staat dat het adres te [plaats 1] is vermeld op het bezwaarschrift dat door [D] is ingediend. Het gebruik van dat adres is daarom als uitgangspunt niet aan de inspecteur te wijten. Dit zou anders zijn indien [D] een adreswijziging heeft doorgegeven. Dat laatste is hier niet gesteld en blijkt ook niet uit het dossier. Wel heeft belanghebbende ter zitting aangevoerd dat de Belastingdienst van de verhuizing op de hoogte kon zijn doordat de adreswijziging van [D] bij de Belastingdienst bekend kon zijn op basis van de basisregistratie persoonsgegevens. Dat betoog baat belanghebbende niet. In gevallen waarin sprake is van een gemachtigde die zich als juridisch bijstandverlener presenteert, mag de inspecteur afgaan op het door de gemachtigde zelf gebruikte/doorgegeven adres. Daarbij verdient opmerking dat een adreswijziging van een gemachtigde als natuurlijk persoon nog niet wil zeggen dat ook het postadres voor de onderneming van die gemachtigde is gewijzigd. Bij een adreswijziging zal een gemachtigde dus moeten zorgdragen dat dit bij de Belastingdienst bekend wordt. Het betoog van belanghebbende dat dit geen wettelijke verplichting is, doet daaraan niet af. Maatstaf is immers hier of de onjuiste adressering aan de inspecteur te wijten is, en dat is niet het geval indien de gemachtigde de adreswijzing niet heeft gemeld. De eerste uitspraak op bezwaar is dus op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

2.9.

Nu vaststaat dat het beroepschrift van belanghebbende door de rechtbank is ontvangen bij fax van 29 juni 2017 en gelet op de geldende termijn voor het instellen van beroep van zes weken na dagtekening van de uitspraak op bezwaar (artikel 6:7 van de Awb jo artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen) is het beroepschrift niet tijdig ingediend. Nu geen omstandigheden zijn gesteld die de termijnoverschrijding verschoonbaar kunnen maken, is het beroep niet-ontvankelijk.

Bevoegdheid rechtbank ter zake de ambtshalve beslissing(en)

2.10.

Tegen een ambtshalve beslissing op grond van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen staat geen bezwaar en beroep open. Dit geldt ook voor de daaraan gekoppelde beslissing van de inspecteur om rente te vergoeden; het Unierecht maakt dat niet anders.4 Nog daargelaten de termijnoverschrijding, heeft de rechtbank zich daarom onbevoegd verklaard om uitspraak te doen over de ambtshalve door de inspecteur genomen beslissing(en).

Voor zover belanghebbende met een beroep op het Unierecht een rentevergoeding over een langere periode bepleit dan waarop de AWR recht geeft, is de rechtbank niet bevoegd om in deze procedure – waarin niet een beschikking op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 aan de orde is – daarover te oordelen; het Unierecht maakt dat niet anders.5

Ter zake 17/6072

Ontvankelijkheid van het beroep

2.11.

Het beroep tegen de tweede uitspraak op bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard. Het stelsel van wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, brengt mee dat met het doen van de eerste uitspraak op een bezwaar de behandeling van het bezwaar reeds was geëindigd. Een nadere beslissing op een bezwaar is daarom niet aan te merken als een beslissing waartegen op grond van artikel 7:1, lid 2, Awb beroep kan worden ingesteld.6 Dat geldt ook voor de nevenbeslissingen.

Voor zover belanghebbende een rentevergoeding over een langere periode bepleit dan waarop de AWR recht geeft, kan dat in deze procedure niet aan de orde komen (zie 2.10).

Ter zake 17/4760 en 17/6072

Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn?

2.12.

Het gaat hier om zaken waarin het beroep niet-ontvankelijk is. De vraag rijst welke maatstaf gehanteerd moet worden bij de beoordeling óf belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en zo ja hoe hoog die vergoeding is. In het bijzonder is de vraag of de ‘gebruikelijke maatstaf’ of de ‘beroepsfasegerelateerde maatstaf’ geldt. Met de ‘gebruikelijke maatstaf’ doelt de rechtbank op de maatstaf zoals die als uitgangspunt is uiteengezet in het overzichtsarrest van de Hoge Raad (hierna: het overzichtsarrest).7 Die maatstaf houdt in de kern in dat recht bestaat op een vergoeding van € 500 voor elk half jaar waarmee de periode tussen ontvangst van het bezwaar en het moment waarop de rechtbank uitspraak doet, de redelijke termijn – die als uitgangspunt twee jaar bedraagt – overschrijdt. Met de ‘beroepsfasegerelateerde maatstaf’ doelt de rechtbank op de maatstaf die is neergelegd in het arrest BNB 2017/38, dat hierna aan de orde komt. Bij de hierna volgende overwegingen zal de rechtbank zich in eerste instantie richten op het geval van de zaak 17/4760, te weten een niet-ontvankelijkheid wegens onverschoonbare overschrijding van de beroepstermijn (hierna: “no-beroep-termijnoverschrijding”).

2.13.

In het overzichtsarrest zijn geen duidelijke aanknopingspunten te vinden dat in het geval van een niet-ontvankelijk beroep een andere dan de gebruikelijke maatstaf geldt. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de overwegingen in dat arrest betreffende de situatie waarin sprake is (geweest) van een vereenvoudigde behandeling, eventueel gevolgd door een verzetprocedure. Juist bij een no-beroep-termijnoverschrijding wordt vaak het traject van een vereenvoudigde behandeling gevolgd. De bedoelde overwegingen luiden als volgt:

“c) Uitgangspunten voor de vaststelling van de redelijke termijn

3.4.1.

Voor beantwoording van de vraag of de redelijke termijn voor de beslechting van het geschil is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest [BNB 2005/337], voor de duur van de redelijke termijn in fiscale boetezaken (…).

3.4.2.

Dit brengt mee dat voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In de genoemde termijn van twee jaar is tevens de duur van een eventuele verzetprocedure inbegrepen, indien de rechtbank uitspraak doet na vereenvoudigde behandeling op de voet van artikel 8:54 Awb en tegen die uitspraak verzet wordt gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb. In die gevallen eindigt de voor de berechting in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn

(i) indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart: op het moment van de uitspraak waarbij de rechtbank die beslissing neemt, mits tegen die uitspraak niet tijdig beroep in cassatie wordt ingesteld of die uitspraak in cassatie stand houdt;

(ii) indien het verzet gegrond wordt verklaard, hetzij door de rechtbank hetzij door de Hoge Raad: ten tijde van de uitspraak die de rechtbank vervolgens doet nadat zij het onderzoek op de voet van artikel 8:55, lid 9, Awb heeft voortgezet. Indien de rechtbank het verzet bij uitspraak aanvankelijk niet-ontvankelijk of ongegrond heeft verklaard, en zij het onderzoek eerst voortzet nadat de Hoge Raad die uitspraak heeft vernietigd, wordt de duur van de cassatiefase afzonderlijk in aanmerking genomen met inachtneming van hetgeen hierna in 3.4.4 wordt overwogen. De duur van de cassatiefase wordt in die gevallen dus niet in aanmerking genomen bij de bepaling van de duur van de berechting van de zaak in eerste aanleg.”

2.14.

Ook het arrest BNB 2016/1418 lijkt er niet op te duiden dat voor het geval van een niet-ontvankelijk beroep een afwijkende maatstaf geldt. In dat arrest was aan de orde dat een rechtbank bij een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk had verklaard op grond van artikel 6:6 van de Awb. In de verzetuitspraak had de verzetsrechter geoordeeld dat dat terecht was, en daarnaast geoordeeld dat het beroep tevens niet-ontvankelijk was wegens termijnoverschrijding. De ongegrondverklaring van het verzet hield in cassatie stand maar de Hoge Raad casseerde de verzetuitspraak in verband met de beslissing op het verzoek om immateriëleschadevergoeding. De Hoge Raad overwoog onder meer:

2.3.2.

In zijn arrest van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, heeft de Hoge Raad een overzicht gegeven van diverse kwesties met betrekking tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De onderdelen 3.3.1 en 3.4.2 van dat arrest houden – voor zover hier van belang – als uitgangspunten in dat de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg eindigt twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur, dat in die termijn de duur van een eventuele verzetprocedure is begrepen, en dat de termijn voor berechting in eerste aanleg ingeval de rechtbank het verzet ongegrond verklaart, eindigt op het moment waarop de rechtbank die beslissing neemt. Dit brengt mee dat ook nog in de verzetprocedure een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden gedaan. Er bestaat onvoldoende aanleiding om van deze regel af te wijken in gevallen waarin de redelijke termijn reeds was verstreken op het moment waarop de in verzet bestreden uitspraak werd gedaan.

Gelet op het vorenstaande slagen de eerste en de tweede klacht voor zover zij betogen dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn had moeten doen voorafgaand aan de in artikel 8:54, lid 1, Awb bedoelde sluiting van het onderzoek, en dat de Rechtbank heeft miskend dat een dergelijk verzoek ook voor het eerst in de verzetprocedure kan worden gedaan.

2.15.

Naar de rechtbank ambtshalve bekend is, is in de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank9 naar aanleiding van dit arrest de immateriëleschadevergoeding bepaalt op basis van de gebruikelijke maatstaf.

2.16.

Het arrest BNB 2017/3810 werpt echter een nieuw licht op de kwestie. In dit arrest overwoog de Hoge Raad, voor zover relevant:

2.3.2.

Kennelijk heeft de Rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar beroep vanwege het niet betalen van griffierecht meebrengt dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn op de voet van artikel 8:73 Awb (tekst tot 1 juli 2013; hierna: artikel 8:73 Awb). Dat uitgangspunt is in zijn algemeenheid juist.

Dat is slechts anders in het – zich in deze zaak niet voordoende - geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken (zie HR 4 maart 2016, nr. 15/02922, ECLI:NL:HR:2016:352, BNB 2016/141). Indien de rechtbank op de voet van artikel 8:54 Awb na vereenvoudigde behandeling uitspraak heeft gedaan en daartegen verzet is gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb, eindigt deze termijn met de uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard.

2.3.3.

In het hiervoor in 2.3.2, laatste alinea, bedoelde uitzonderingsgeval zal de rechtbank een beslissing moeten nemen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de redelijke termijn is overschreden indien meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur. De vergoeding zal in dat geval alleen toegekend kunnen worden voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. De niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens beroep brengt mee dat het optreden van het bestuursorgaan in zoverre niet meer aan het oordeel van de rechter is onderworpen.

2.17.

Voor een geval waarop het arrest ziet, brengt het arrest in wezen mee dat aan twee voorwaarden moet zijn voldaan om in aanmerking te komen voor immateriëleschadevergoeding (in de desbetreffende procedure voor de belastingrechter):

(i) de beroepsfase heeft langer dan anderhalf jaar geduurd (rov. 2.3.2, laatste alinea); én

(ii) er zijn meer dan twee jaren verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur (rov. 2.3.3, tweede volzin).

Als aan die voorwaarden wordt voldaan, geldt voor de hoogte van de vergoeding:

(iii) de vergoeding wordt alleen toegekend voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank (rov. 2.3.3., derde volzin).

Deze maatstaf voor de bepaling of en zo ja in hoeverre aanspraak kan worden gemaakt op immateriëleschadevergoeding, is hiervoor aangeduid als de ‘beroepsfasegerelateerde maatstaf’ in verband met de elementen (i) en (iii).

2.18.

Element (iii) van de ‘beroepsfasegerelateerde maatstaf’ brengt dus mee dat – in de desbetreffende procedure voor de belastingrechter – géén aanspraak kan worden gemaakt op een vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de periode voorafgaand aan de rechtbankprocedure, dus ook niet indien de bezwaarfase (zeer) lang heeft geduurd.

2.19.

De vraag is of de ‘beroepsfasegerelateerde maatstaf’ beperkt is tot gevallen waarin het beroep niet-ontvankelijk is vanwege het niet betalen van griffierecht (no-beroep-griffierecht) en dus niet geldt voor bijvoorbeeld gevallen waarin sprake is van een no-beroep-termijnoverschrijding. Betoogd zou kunnen worden dat een no-beroep-griffierecht een wat bijzonder karakter heeft dat een uitzonderingspositie rechtvaardigt; kort gezegd: ‘geen betaling, geen behandeling door de rechter’ en dat daarom als uitgangspunt is geformuleerd dat geen uitspraak hoeft te worden gedaan op een schadevergoedingsverzoek.

Daartegenover staat dat het arrest BNB 2017/38 sterke aanknopingspunten biedt voor de opvatting dat de ‘beroepsfasegerelateerde maatstaf’ wél ook van toepassing is op gevallen van een no-beroep-termijnoverschrijding.

Ten eerste, de Hoge Raad heeft bij de overweging betreffende voornoemd element (i) in rov. 2.3.2 een directe verwijzing (‘zie’) opgenomen naar het eerdergenoemde arrest BNB 2016/141 op. In dat arrest was wél sprake van een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op andere gronden dan het niet-betalen van griffierecht (zie 2.14 hiervoor). Kennelijk lag het overwogene al besloten in het arrest BNB 2016/141.

Ten tweede, wat in de slotzin van rov. 2.3.3 is overwogen (“De niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens beroep brengt mee dat het optreden van het bestuursorgaan in zoverre niet meer aan het oordeel van de rechter is onderworpen”) en dat naar de rechtbank begrijpt de ratio c.q. een verklaring bevat waarom de schadevergoeding niet ook betrekking kan hebben op de (eventuele) overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase, doet evenzeer opgeld voor een no-beroep-termijnoverschrijding.

2.20.

Twijfel wordt echter weer opgeroepen door het meer recente arrest BNB 2019/59.11 Die twijfel hangt niet samen met het oordeel in die concrete voorliggende zaak. Het ging namelijk om een geval waarin het bezwaar niet-ontvankelijk was verklaard en het beroep (kennelijk) ongegrond. Op dat geval ziet het arrest BNB 2017/38, ook naar zijn ratio, niet. De bedoelde twijfel wordt opgeroepen doordat de Hoge Raad in rov. 2.4 een algemene overweging geeft die óók over het geval van een niet-ontvankelijk beroep wegens termijnoverschrijding gaat. Deze overweging luidt als volgt:

“2.4. Bij de behandeling van het middel wordt vooropgesteld dat ook op een bezwaar of beroep dat te laat is ingediend, binnen een redelijke termijn moet worden beslist. Ook in die gevallen moeten, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Ook in deze gevallen mag de rechter een verzoek om vergoeding van die schade niet onbehandeld laten. Dat wordt niet anders als hij van oordeel is dat het bezwaar of beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Een dergelijke kennelijke niet-ontvankelijkheid is geen bijzondere omstandigheid.

De Hoge Raad overweegt dus ook voor het geval van een niet-ontvankelijk beroep wegens termijnoverschrijding, zonder een voorbehoud te maken, dat de rechter een verzoek om schadevergoeding niet onbehandeld mag laten. De rechtbank gaat ervan uit dat dit betekent dat de rechter dus uitspraak moet doen op zo’n verzoek. Dit lijkt op gespannen voet te staan met wat in rov. 2.3.2 in het arrest BNB 2017/38 is overwogen, althans uitgaande van de opvatting dat die rechtsoverweging wél van overeenkomstige toepassing is op een no-beroep-termijnoverschrijding. In die laatste rechtsoverweging is immers in de kern juist overwogen dat de rechter als uitgangspunt geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding (tenzij de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken).

2.21.

Al het voorgaande afgewogen gaat de rechtbank verder (toch) uit van de opvatting dat de ‘beroepsfasegerelateerde maatstaf’ van het arrest BNB 2017/38 evenzeer van toepassing is in het geval van no-beroep-termijnoverschrijding, zoals aan de orde in de zaak 17/4760. Dit komt overeen met de opvatting van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.12 Bij deze afweging heeft de rechtbank ook het volgende in aanmerking genomen. Het hanteren van de ‘beroepsfasegerelateerde maatstaf’ in het geval van een no-beroep-termijnoverschrijding brengt mee dat geen vergoeding kan worden toegekend die op de overschrijding van de bezwaarfase betrekking heeft (zie 2.18). Dit gevolg sluit goed aan bij een uitgangspunt in de jurisprudentie over de immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, namelijk dat aan artikel 6 van het EVRM niet een aanspraak op schadevergoeding kan worden ontleend in de situatie dat sprake is van een (te) lange behandelingsduur in de bezwaarfase zonder dat het geschil daarna aan de rechter is voorgelegd.13 Dit sluit in die zin goed bij dat uitgangspunt aan, aangezien bij een no-beroep-termijnoverschrijding het geschil als zodanig niet aan de rechter is voorgelegd.

2.22.

Het ligt dan vervolgens in de rede dat de ‘beroepsfasegerelateerde maatstaf’ evenzeer geldt voor het geval een beroep niet-ontvankelijk is omdat tegen het bestreden besluit geen beroep openstaat, zoals hier in de zaak 17/6072 aan de orde is. Dit ligt in de rede gelet op wat in de slotzin van rov. 2.3.3 van het arrest BNB 2017/38 is overwogen.

2.23.

Het Unierecht verzet zich niet tegen het voorgaande. Opmerking verdient daarbij in de eerste plaats dat hier de vraag aan de orde is hoe het door de Hoge Raad en de hoogste algemene bestuursrechters ontwikkelde stelsel voor immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, moet worden toegepast op een geval zoals hier. Dat stelsel is in die zin ‘forfaitair’ dat op diverse onderdelen gewerkt wordt met ficties/veronderstellingen, forfaits en uitgangspunten, zoals de veronderstelling van spanning en frustratie (immateriële schade), standaarden voor de redelijke termijn, en normbedragen wat betreft de omvang van de schade althans voor de vergoeding ervan (€ 500 per half jaar). De wijze van invulling van dat forfaitaire stelsel op een geval als hier, is op zichzelf een internrechtelijke kwestie, waarover – anders dan belanghebbende mogelijk bepleit – het Unierecht als zodanig niet gaat.

Wél mag, als het concrete geval al onder het toepassingsbereik van het Unierecht valt, het resultaat niet in strijd zijn met het Unierecht. Hier is het resultaat – volgens de uitleg die de rechtbank aan de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake dat stelsel heeft gegeven – dat in deze procedure geen vergoeding op basis van het forfaitaire stelsel kan worden toegekend die op de bezwaarfase betrekking heeft. Dat betekent echter niet dat de duur van bezwaarfase niet kan leiden tot een aanspraak op schadevergoeding; wel geldt de veronderstelling van immateriële schade wegens spanning en frustratie niet.14 Verder kan weliswaar, in dit geval, in deze procedure niet aan de orde komen of een dergelijke aanspraak op schadevergoeding wegens de duur van de bezwaarfase kan worden gemaakt, maar er bestaat daarvoor wel een rechtsingang bij de civiele rechter. Dit betekent dat zelfs als het Unierecht zou meebrengen dat in een geval als hier belanghebbende een vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens de duur van de bezwaarfase zou moet kunnen maken, dit mogelijk is. Tegen de omstandigheid dat, in een geval als hier, die rechtsvordering moet worden ingesteld bij de civiele rechter, verzet het Unierecht zich niet.

2.24.

Het voorgaande leidt hier tot het volgende.

De twee beroepszaken zijn aan te merken als samenhangende zaken in de zin van rov. 3.10.2 van het overzichtsarrest of in elk geval daarmee op één lijn te stellen, nu de zaken gezamenlijk zijn behandeld en in die zin in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp dat ze op dezelfde voldoening van Bpm betrekking hebben en voortkomen uit hetzelfde bezwaar.

Aangezien het eerste beroepschrift op 29 juni 2017 is ontvangen door de rechtbank en op 22 augustus 2019 uitspraak wordt gedaan, heeft de beroepsfase langer dan anderhalf jaar geduurd. Nu ook de redelijke termijn van twee jaar, gerekend vanaf ontvangst van het bezwaarschrift, is overschreden, bestaat recht op een vergoeding van immateriële schade, met inachtneming van wat in 2.17 is vermeld.

Daarbij rijst nog de vraag hoe de hoogte van de schadevergoeding moet worden bepaald. Geldt als uitgangspunt een tarief van € 500 per half jaar waarmee de termijn van anderhalf jaar voor de beroepsfase is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond?15 Of moet eerst worden berekend hoe hoog de schadevergoeding zou zijn indien deze wel toegekend zou kunnen worden voor de gehele overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar te rekenen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift, waarna de werkelijke schadevergoeding wordt gesteld op het deel van de fictieve schadevergoeding dat naar evenredigheid (van de overschrijding) aan de beroepsfase is toe te rekenen? Afhankelijk van de situatie kan de ene berekeningswijze op een hogere of lagere vergoeding uitkomen dan de andere. Om redenen van eenvoud en in aanmerking genomen dat bij de tweede berekeningswijze in zeker opzicht het optreden van het bestuursorgaan wel aan het oordeel van de rechter zou zijn onderworpen, zal de rechtbank hier uitgaan van de eerste berekeningswijze.16 Dit is overigens niet nadelig voor belanghebbende. Dit brengt voor dit geval mee dat de schadevergoeding wordt gesteld op € 1000.

Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van materiële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn?

2.25.

Belanghebbende heeft daarnaast ter zitting verzocht om vergoeding van materiële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Desgevraagd is verklaard dat de schade bestaat uit de proceskosten. Dit verzoek wordt afgewezen. De vergoeding van proceskosten wordt exclusief geregeld door artikel 8:75 van de Awb en voor een aanvullende vergoeding op grond van (een overeenkomstige toepassing van) het hier nog geldende artikel 8:73 (oud) van de Awb is geen plaats.17 In het midden gelaten of het Unierecht hier van toepassing is, maakt het Unierecht dat niet anders, in aanmerking genomen dat op dit punt geen onderscheid wordt gemaakt tussen zuivere nationale geschillen en geschillen die (deels) onder het toepassingsbereik van het Unierecht vallen.

Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van het griffierecht?

2.26.

Belanghebbende heeft met recht verzocht om een vergoeding van immateriële schade en heeft daarom recht op vergoeding van het griffierecht. Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtbank is te wijten, zal de Minister voor Rechtsbescherming worden veroordeeld het griffierecht van € 666 te vergoeden.

De hoogte van de vergoeding voor de proceskosten in beroep.

2.27.

De rechtbank vindt aanleiding de Minister voor Rechtsbescherming te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 256 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 0,5). Er zijn geen andere kosten gesteld dan kosten door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Een wegingsfactor 0,5 acht de rechtbank hier aangewezen, nu uitsluitend recht op proceskostenvergoeding bestaat in verband met het toekennen van een immateriëleschadevergoeding.18 De rechtbank ziet geen gronden voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten van belanghebbende, ook niet op grond van het Unierecht.19 De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden en in dat kader het beroep op de zaak Gascogne, ECLI:EU:C:2013:770, geeft geen aanleiding voor ander oordeel. Belanghebbende betoogt weliswaar met juistheid dat gelet op die omstandigheid de onrechtmatigheid gegeven is, maar dat brengt nog niet mee dat een hogere proceskostenvergoeding geboden is.

Bij de vaststelling van de proceskosten heeft de rechtbank geen punt toegekend voor de aanwezigheid van mevrouw [B] ter zitting, die zich als nieuwe gemachtigde van belanghebbende heeft gemeld. Ter zitting is onduidelijk gebleven wat de rechtsverhouding is tussen mevrouw [B] c.q. [C BV] en belanghebbende, zoals op welke basis haar bijstandverlening plaatsvindt. In het bijzonder is niet gebleken dat mevrouw [B] op eigen naam bijstand verleent. Mede gelet op het briefpapier van de ingediende pleitnota gaat de rechtbank ervan uit dat de bijstandverlening plaatsvindt als werknemer van [C BV] . Daarvan uitgaande is er naar het oordeel van de rechtbank materieel geen sprake van bijstandverlening door ‘een derde’ als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit. Naar de rechtbank begrepen heeft is de heer [A] de (middellijk) eigenaar/bestuurder van [C BV] via een holding. Materieel wordt dus bijstand verleend door een eigen werknemer. Daarbij komt dat de rechtbank niet aannemelijk acht dat de door mevrouw [B] ingediende pleitnota van 8 juli 2019 en pleitaantekeningen van 26 juli 2019 door haar is geschreven. De toonzetting, woordgebruik en argumentatie komen nagenoeg geheel overeen met stukken die de heer [A] zelf schrijft (zoals de door de heer [A] ingediende pleitnota van 19 juli 2019). Ook op de zitting heeft de heer [A] zelf steeds het woord gevoerd in de onderhavige zaken, en niet (mede) mevrouw [B] . Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank niet aannemelijk dat materieel sprake is van ‘kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand’.

Dient rente over het griffierecht, de proceskosten en de immateriëleschadevergoeding te worden vergoed?

2.28.

Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien de immateriëleschadevergoeding, het griffierecht en de proceskosten in beroep niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.20 Er is geen aanleiding om met betrekking tot de vergoeding van griffierecht de rente op een eerder moment in te laten gaan, ook niet op grond van het Unierecht.21

Verzoek om stellen prejudiciële vragen

2.29.

Belanghebbende heeft verzocht om op de voet van artikel 267 van het VWEU ter zake van de geschilpunten waarbij een beroep op het Unierecht is gedaan, prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. De rechtbank ziet in al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om een of meer prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen en gaat daarom voorbij aan het verzoek van belanghebbende. Anders dan belanghebbende betoogt, is de rechtbank niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. De stelling van belanghebbende dat dit volgt uit zaken zoals de recente zaak Eurobolt, ECLI:EU:C:2019:555, en daarbij kennelijk de rechtsoverwegingen 28 en 29 baat hem niet. Daarbij gaat het namelijk om een ander leerstuk, namelijk de kwestie in hoeverre een nationale rechter onderzoek mag doen en mag oordelen over de geldigheid van een handeling van (een instelling van) de Unie. Hier gaat het echter niet om handelingen van een Unie of een instelling daarvan.

Slotsom

2.30.

Op grond van al het vorenoverwogene is beslist als hiervoor is vermeld.

Deze uitspraak is gedaan op 22 augustus 2019 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in tegenwoordigheid van drs. L. Mattijssen, griffier, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.