Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-10-2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:4678, AWB - 19 _ 3530

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-10-2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:4678, AWB - 19 _ 3530

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24 oktober 2019
Datum publicatie
18 december 2019
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2019:4678
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3530

Inhoudsindicatie

Formeel / is (fiscale) bestuursrechter bevoegd inzake paspoortsignalering?

De (fiscale) bestuursrechter is relatief, maar niet absoluut, bevoegd om te oordelen over de beslissing van de ontvanger naar aanleiding van een bezwaar tegen de weigering om een paspoortsignalering op te heffen.

Uitspraak

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 19/3530

uitspraak van 24 oktober 2019

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (Filipijnen),

belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

de ontvanger.

Betreft:

De beslissing in de brief van 5 juli 2019 naar aanleiding van een bezwaarschrift van 9 april 2019.

1 Motivering

1.1.

De gang van zaken tot de beroepsfase laat zich voor zover van belang als volgt samenvatten:

-

Bij brief van 8 augustus 2017 heeft de ontvanger, aan het Agentschap basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten, een verzoek gedaan tot actieve paspoortsignalering van belanghebbende in verband met een belastingschuld (hierna: het paspoortsignaleringsverzoek);

-

Bij brief van 11 september 2017 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gemeld dat, naar aanleiding van het paspoortsignaleringsverzoek, de nader gespecificeerde personalia van belanghebbende vanaf 29 augustus 2017 op grond van artikel 22, onderdeel a, van de Paspoortwet, zijn opgenomen in het Register paspoortsignaleringen (hierna: de beslissing tot opname in het Register paspoortsignaleringen);

-

Bij brief van 22 november 2018 is namens belanghebbende aan de ontvanger verzocht de paspoortsignalering te verwijderen;

-

Bij brief van 1 maart 2019 heeft de heer [de ontvanger] , namens de ontvanger, aan belanghebbende onder meer gemeld het verzoek tot opheffing van de paspoortsignalering af te wijzen (hierna: de afwijzingsbeslissing);

-

Bij brief van 9 april 2019 heeft belanghebbende hiertegen bezwaar gemaakt (hierna: het bezwaarschrift) dat bij brief van 28 mei 2019 nader is gemotiveerd;

-

Bij brief van 5 juli 2019 heeft de heer [de ontvanger] (naar de rechtbank begrijpt: namens de ontvanger) gemeld dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk is (hierna: de beslissing naar aanleiding van het bezwaarschrift).

1.2.

De rechtbank merkt allereerst op dat, uit de door belanghebbende ingediende stukken in beroep, blijkt dat het beroep niet gericht is tegen de beslissing tot opname in het register door de Minister van Binnenlandse zaken, of tegen een beslissing van een ander bestuursorgaan dan de ontvanger. Belanghebbende richt zich expliciet op beslissingen door de ontvanger.

(Relatieve) bevoegdheid om over de (absolute) bevoegdheid te oordelen?

1.3.

Hier is in de eerste plaats in geschil of de (fiscale) bestuursrechter bevoegd is het beroep inhoudelijk te beoordelen.

1.4.

In een geval als dit kan de vraag rijzen of deze rechtbank relatief bevoegd is te beslissen over dat bevoegdheidsgeschil dan wel een andere rechtbank. Voor geschillen over de belastingheffing met de inspecteur wordt met betrekking tot een natuurlijk persoon die geen woonplaats in Nederland heeft aanvaard, dat – gelet op artikel 8:7 van de Awb en artikel 11 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, in samenhang gelezen met artikel 11 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht – als uitgangspunt deze rechtbank relatief bevoegd is. Er is geen aanleiding om voor geschillen waarbij de ontvanger betrokken is, van een ander uitgangspunt uit te gaan, ook niet als een voorafgaand geschilpunt de absolute bevoegdheid van de (fiscale) bestuursrechter is. Deze rechtbank zal daarom beslissen.

Absolute bevoegdheid?

1.5.

De omstandigheid dat het paspoortsignaleringsverzoek van de ontvanger heeft geleid tot de beslissing tot opname in het Register paspoortsignaleringen, maakt nog niet – anders dan belanghebbende betoogt – dat de beslissing van de ontvanger om dat verzoek te doen (of dat verzoek zelf) een beslissing op grond van de Paspoortwet is. Datzelfde geldt voor een beslissing om dat verzoek niet in te trekken, een beslissing om niet een verzoek tot opheffing van de paspoortsignalering te doen, en een beslissing om het verzoek af te wijzen om de paspoortsignalering op te heffen. Al deze beslissingen zijn beslissingen die de ontvanger neemt in het kader van de invordering van belastingschulden. Ook voor zover die beslissingen als zodanig niet expliciet worden benoemd in de Invorderingswet 1990, behoren die beslissingen wel tot dat ‘wetgevingscomplex’.

1.6.

De (fiscale) bestuursrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen op grond van de Invorderingwet 1990. Dit volgt uit de bij de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, de zogenaamde negatieve lijst (artikel 8:5 van de Awb), waarin onder meer de Invorderingswet 1990 wordt genoemd. Voor bepaalde besluiten wordt een uitzondering gemaakt, in welk geval de fiscale bestuursrechter wel bevoegd is. De hiervoor in 1.5 genoemde beslissingen vallen niet onder een van de uitzonderingen.

1.7.

De onbevoegdheid van de fiscale bestuursrechter geldt ook ter zake van de beslissing naar aanleiding van het bezwaarschrift. Dit wordt niet anders door de jurisprudentie waaruit volgt dat als uitspraak op bezwaar wordt gedaan in verband met een ingevolge de belastingwet genomen besluit waartegen geen bezwaar en beroep openstaat, de fiscale bestuursrechter wel bevoegd is om te oordelen over die uitspraak op bezwaar. In deze zaak gaat het namelijk niet om een ingevolge de belastingwet genomen besluit als bedoeld in artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) in verbinding met artikel 2, lid 1, van de AWR. De Invorderingswet 1990 is immers niet een belastingwet in de zin van artikel 2, lid 1, van de AWR.

1.8.

Gelet op het voorgaande is de (fiscale) bestuursrechter niet bevoegd. Aan alle inhoudelijke beroepsgronden wordt daarom niet toegekomen, dus ook niet aan het beroep op Europees recht en schending van rechtsbeginselen. Opmerking verdient daarbij dat voor zover belanghebbende met zijn beroep op EVRM-bepalingen stelt dat toegang tot een rechter dient te bestaan, dit niet tot een ander oordeel leidt. Rechtsvorderingen ter zake van de beslissingen van de ontvanger kunnen worden ingesteld bij de civiele rechter.

1.9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2 Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan op 24 oktober 2019 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken .

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.