Ga verder naar content

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 08-09-2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4484, AWB - 20 _ 7803 tot en met 20 _ 7805

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 08-09-2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4484, AWB - 20 _ 7803 tot en met 20 _ 7805

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
8 september 2021
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2021:4484
Zaaknummer
AWB - 20 _ 7803 tot en met 20 _ 7805

Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Uitspraak

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 20/7803 tot en met 20/7805

uitspraak van 8 september 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden beslissingen

De uitspraken van de inspecteur van 25 juni 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde:

- naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014 en de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde verzuimboetes van € 241 (aanslagnummer [aanslagnummer].F.01.4240);

- naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 juli 2014 tot en met 30 september 2014 en de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde verzuimboetes van € 256 (aanslagnummer [aanslagnummer].F.01.4270);

- naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2014 en de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde verzuimboetes van € 271 (aanslagnummer [aanslagnummer].F.01.4300);

(hierna: de naheffingsaanslagen)

en de beslissingen van de inspecteur van 25 juni 2020 inhoudende de weigering de naheffingsaanslagen ambtshalve te verminderen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2021 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde P.C.B. van de Gevel, verbonden aan VDG Administratie te Geldrop, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2].

1 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- verklaart zich onbevoegd met betrekking tot de beroepen tegen de afwijzingen van de verzoeken om ambtshalve vermindering.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende drijft in de periode 6 juni 2012 tot 1 juli 2015 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [eenmanszaak]. De activiteiten bestaan uit sloop- en isolatiewerkzaamheden.

2.2.

Belanghebbende is uitgenodigd om aangifte omzetbelasting te doen per kwartaal. Belanghebbende heeft voor de periode 1 april 2014 tot en met 31 december 2014 geen aangiften omzetbelasting ingediend. De inspecteur heeft de naheffingsaanslagen over deze periode ambtshalve opgelegd en daarbij voor elk tijdvak een aangifteverzuimboete en een betaalverzuimboete opgelegd.

2.3.

Bij brief van 9 april 2020 (ontvangen door de inspecteur op 14 april 2020) heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om een beschikking omzetbelasting af te geven voor de volgens belanghebbende juiste bedragen van nihil. De inspecteur heeft dit verzoek opgevat als zowel bezwaar tegen de naheffingsaanslagen als een verzoek om ambtshalve vermindering van de naheffingsaanslagen.

2.4.

De bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. De verzoeken om ambtshalve vermindering van de naheffingsaanslagen zijn afgewezen.

2.5.

Tussen partijen is in geschil of de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard zijn. Indien de bezwaren ontvankelijk verklaard hadden moeten worden, is in geschil of de naheffingsaanslagen en de gelijktijdig opgelegde boetes vernietigd dienen te worden.

Ontvankelijkheid bezwaren

2.6.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Awb). Dit wordt een verschoonbare termijnoverschrijding genoemd.

2.7.

Ter zitting heeft belanghebbende erkend dat het bezwaar ruim na het verlopen van de bezwaartermijn is ingediend. Belanghebbende heeft toegelicht dat de reden dat het bezwaar buiten de termijn is ingediend is dat belanghebbende een nieuwe onderneming is gestart, waarvoor hij bij een nieuwe adviseur terecht kwam. Met deze adviseur is hij ook de oudere jaren gaan bekijken.

2.8.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De door belanghebbende aangevoerde redenen vormen geen omstandigheid op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet aan hem is toe te rekenen. Artikel 6:11 van de Awb ziet slechts op gevallen waarin de belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden. Belanghebbende was bekend met de opgelegde naheffingsaanslagen. Hij heeft geen gronden aangevoerd waaruit volgt dat belanghebbende niet eerder bezwaar had kunnen maken, hij heeft enkel gesteld dat hij dit niet eerder gedaan heeft. De inspecteur heeft de bezwaren aldus naar het oordeel van de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoeken om ambtshalve vermindering

2.9.

Voor zover belanghebbendes beroepen mede gericht zijn tegen de afwijzing van zijn verzoeken om ambtshalve vermindering, overweegt de rechtbank als volgt. De inspecteur heeft de bevoegdheid om een aanslag ambtshalve te verminderen op grond van artikel 65 van de AWR. Indien een belanghebbende verzoekt om een ambtshalve vermindering en de inspecteur daarop beslist, is die beslissing niet voor bezwaar en beroep vatbaar. De rechtbank is – gezien artikel 26, eerste lid van de AWR – onbevoegd tot kennisneming van een beroep tegen een dergelijke beslissing. Indien belanghebbende de rechtmatigheid van het niet verlenen van een ambtshalve teruggaaf door de inspecteur aan de rechter wil voorleggen, dan dient dat bij de civiele rechter te geschieden.1

2.10.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard en heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard voor zover de beroepen gericht zijn tegen de afwijzingen van de verzoeken om ambtshalve vermindering.

2.11.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 8 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.