Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30-09-2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:5108, AWB - 20/50

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30-09-2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:5108, AWB - 20/50

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 september 2021
Datum publicatie
13 oktober 2021
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2021:5108
Formele relaties
Zaaknummer
AWB - 20/50

Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Uitspraak

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 20/00050

uitspraak van 30 september 2021.

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2016 met dagtekening 15 januari 2016 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.

1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2016 met dagtekening 14 augustus 2019 een aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (hierna: de aanslag) en tegelijkertijd een beschikking belastingrente (hierna: de beschikking) afgegeven.

1.3.

Belanghebbende heeft op 27 augustus 2019 tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Op 21 november 2019 heeft belanghebbende het bezwaar aangevuld met een stelling gericht tegen de aanslag. De aanslag en de beschikking zijn na bezwaar gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar bij brief van 3 januari 2020, door de rechtbank ontvangen op 6 januari 2020, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 48. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld te zijn schriftelijk gerepliceerd. De inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.6.

Op grond van artikel 8:58 van de Awb hebben partijen vóór de zitting nadere stukken ingediend. Ook deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2021 in Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, tot bijstand vergezeld door haar echtgenoot, en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Tijdens de zitting zijn de zaaknummers BRE 20/00050 (betreffende belanghebbende) en BRE 19/04532, 19/04532, 19/04663 (alle betreffende de echtgenoot van belanghebbende) gezamenlijk maar niet gevoegd behandeld.

1.8.

Belanghebbende heeft op 28 juli 2021 een pleitnota overgelegd. Exemplaren daarvan zijn door de griffier aan de inspecteur gestuurd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1.

Belanghebbende – geboren op [datum 1] 1963 – was in 2016 buiten gemeenschap van goederen gehuwd met [echtgenoot] (hierna: echtgenoot – geboren [datum 2] 1951). Voor het jaar 2016 is belanghebbende niet uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV. De voorlopige aanslag IB/PVV over 2016 (onderdeel 1.1) vermeldt een te ontvangen bedrag aan IB/PVV van € 1.041.

2.2.

Belanghebbende heeft over 2016 geen inkomen genoten. De echtgenoot heeft over 2016 de volgende (bruto) inkomsten genoten:

2016

ASR Levensverzekering N.V.

€ 731

Pensioenfonds ABP

€ 3.890

AOW

€ 3.765

Het hoofdverblijf van belanghebbende en haar echtgenoot kwalificeert als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en is als zodanig verantwoord in de aangifte IB/PVV 2016. Op deze woning rustte geen (hypothecaire) schuld.

2.3.

De echtgenoot heeft in zijn aangifte IB/PVV over 2016 als waarde van bezittingen in box 3 vermeld:

2016

Bank- en spaartegoeden NL

€ 514.966

Overige onroerende zaken NL

€ 626.980

Er zijn geen schulden in box 3. In diens aangifte IB/PVV 2016 rekent de echtgenoot 100% van de rendementsgrondslag in box 3 aan zichzelf toe.

2.4.

Op de in onderdeel 2.3 bedoelde bezittingen hebben belanghebbende en haar echtgenoot over 2016 de volgende bedragen aan rente en huur ontvangen:

2016

Bijgeschreven rente op bank- en spaartegoeden

€ 6.561

Inkomsten uit onroerende zaken

€ 57.532

De hierop drukkende kosten heeft belanghebbende gespecificeerd als volgt:

2016

OZB/waterschap/verzekering/VVE/energie/water

€ 3.538

Voorziene uitgaven plat dak

€ 6.000

Voorziene overige uitgaven

€ 2.000

Waardedaling obv WOZ-waarden

€ 55.000

2.5.

Op 6 mei 2019 heeft belanghebbendes echtgenoot de inspecteur in bezwaar verzocht om herziening van de verdeling van de rendementsgrondslag box 3 tussen beiden zodanig dat 50% van die grondslag alsnog aan belanghebbende wordt toegerekend. Bij brief van 9 juli 2019 verklaren belanghebbende en haar echtgenoot zich gezamenlijk ermee akkoord dat de inspecteur aan belanghebbende over 2016 een aanslag oplegt gebaseerd op 50% van de rendementsgrondslag box 3. De naar aanleiding hiervan op naam van belanghebbende gestelde aanslag en beschikking (onderdeel 1.2) luiden als volgt:

Inkomstenbelasting box III

€ 6.558

Af: heffingskortingen

-

€ 2.242

Bij: eerder verleende voorlopige teruggave(n)

+

€ 1.041

Bij: in rekening gebrachte belastingrente

+

€ 479

Te betalen

€ 5.836

2.6.

De in onderdeel 2.5 vermelde herziening van de verdeling van de rendementsgrondslag heeft voor de echtgenoot geleid tot een bij uitspraak op bezwaar verleende teruggave van IB/PVV over 2016 tot € 6.024 en een terug te ontvangen of te verrekenen bedrag van € 7.708. Daarbij is aan hem ter zake geen belastingrente vergoed. Wel is de bij de aanslag van de echtgenoot over 2016 in rekening gebrachte belastingrente verminderd tot nihil.

3 Geschil

3.1.

Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat:

-

het geschil betreffende de forfaitaire vermogensrendementsheffing van box 3 uitsluitend ziet op de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last.

-

haar uitlatingen over de brieven van de inspecteur over de massaalbezwaarprocedure geen beroepsgrond (meer) vormen.

-

de datum waarop de Belastingdienst beschikte over de door de echtgenoot betaalde IB/PVV gesteld kan worden op 22 juli 2017, zijnde de uiterste betaaldag van de aan hem opgelegde voorlopige aanslag.

3.2.

In beroep is daardoor thans nog in geschil:

I. Is belanghebbende, gelet op de belastingheffing in box 3 over 2016, in strijd met artikel van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP) geconfronteerd met een individuele en buitensporige last?

II. Heeft de inspecteur gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids-, motiverings- en/of gelijkheidsbeginsel dan wel het discriminatieverbod en/of het verbod van willekeur geschonden?

III. Heeft de inspecteur over het bedrag van de aanslag ten onrechte belastingrente in rekening gebracht over de periode na 22 juli 2017?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij ter zitting hebben verklaard.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de beschikking belastingrente en vermindering van de aanslag tot een waarbij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verminderd tot nihil. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing