Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19-01-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:185, AWB - 21 _ 908

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19-01-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:185, AWB - 21 _ 908

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19 januari 2022
Datum publicatie
24 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:185
Zaaknummer
AWB - 21 _ 908

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.

Uitspraak

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 21/908

Beslissing van 19 januari 2022

Tussenuitspraak in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Beslissing

De rechtbank wijst het verwijzingsverzoek af.

2 Gronden

2.1.

Aanleiding voor deze tussenbeslissing is een namens belanghebbende ingesteld beroep bij de rechtbank ‘s-Gravenhage (zaaknummer SGR 21/480) in verband met een aan haar opgelegde medeplegersboete. De inspecteur heeft verzocht om dat beroep voor de inhoudelijke behandeling te verwijzen naar deze rechtbank omdat bij deze rechtbank beroepen van de beboete belastingplichtige aanhangig zijn. Volgens de inspecteur is behandeling door dezelfde rechtbank gewenst vanwege de zeer sterke samenhang tussen de zaken van belanghebbende en deze belastingplichtige. Naar aanleiding van een instemmingsverzoek van de rechtbank ‘s-Gravenhage heeft deze rechtbank op 22 februari 2021 ingestemd met verwijzing. Op 23 februari 2021 heeft de rechtbank ‘s-Gravenhage middels een tussenbeslissing besloten om de zaak met zaaknummer SGR 21/480 VPB te verwijzen naar deze rechtbank. Onderaan die tussenbeslissing staat opgenomen dat tegen de tussenbeslissing niet eerder hoger beroep kan worden ingesteld dan tegelijk met het hoger beroep tegen de inhoudelijke uitspraak in deze zaak. Hiermee staat de verwijzing van rechtbank ‘s-Gravenhage naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant vast.

2.2.

Op 15 april 2021 heeft de rechtbank van gemachtigde van belanghebbende een brief ontvangen waarin zij reageren op de verwijzingsbeslissing. In deze brief hebben zij aangegeven dat zij door de rechtbank ‘s-Gravenhage niet op de hoogte zijn gesteld van het verwijzingsverzoek van de inspecteur. Tevens zijn zij niet in de gelegenheid gesteld om op dat verzoek te reageren. Deze gang van zaken is volgens hen in strijd met de basisbeginselen van het procesrecht. Daarnaast worden enkele argumenten aangevoerd waarom volgens belanghebbende de zaak moet worden (terug)verwezen naar de rechtbank ’s-Gravenhage. De rechtbank heeft daarop belanghebbende medegedeeld dat de verwijzing vaststaat. In reactie op die brief heeft belanghebbende aangegeven ernstige bezwaren te hebben tegen de gang van zaken met betrekking tot de verwijzing. Volgens belanghebbende is onvoldoende rekening gehouden met haar belangen en staat het deze rechtbank vrij om de omissie van rechtbank ‘s-Gravenhage te herstellen. Zij wijzen op de reeds eerder aangehaalde argumenten en verzoeken nogmaals om deze zaak terug te wijzen naar rechtbank ‘s-Gravenhage.

2.3.

Bij brief van 8 oktober 2021 heeft deze rechtbank de reactie van gemachtigde doorgestuurd aan de inspecteur en hem in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. De inspecteur heeft met dagtekening 18 oktober 2021 gereageerd. Deze reactie is, uiteindelijk pas op 22 december 2021, aan belanghebbende doorgestuurd. De inspecteur is het – kort gezegd – niet eens met de argumenten van belanghebbende en meent dat de zaak van belanghebbende bij deze rechtbank moet blijven.

2.4.

Op grond van artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank een zaak verwijzen naar een andere rechtbank. Gelet op de tekst van het eerste lid van dit artikel, gaat het daarbij om een discretionaire bevoegdheid van de rechtbank. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de belangen van partijen.

2.5.

De rechtbank stelt voorop dat zij de verwijzingsbeslissing van de rechtbank ’s-Gravenhage als zodanig niet kan toetsen. De Awb biedt daarvoor geen grond. Bovendien zou dat een verkapte vorm van hoger beroep inhouden, terwijl hoger beroep tegen een dergelijke beslissing juist niet mogelijk is. Gelet daarop vat de rechtbank de verzoeken van belanghebbende om terugverwijzing naar de rechtbank ’s-Gravenhage op als een zelfstandig verwijzingsverzoek op grond van artikel 8:13, tweede lid, van de Awb.

2.6.

De rechtbank is van oordeel dat de beroepszaken van een beboete belastingplichtige en een medepleger samenhang vertonen waardoor behandeling door dezelfde rechtbank doelmatig is. Dit geldt voor zowel administratieve (het stroomlijnen van de behandeling van zaken) als meer inhoudelijke aspecten (het voorkomen van dubbel feitenonderzoek). De rechtbank neemt hierbij ook in ogenschouw de wijze waarop in het strafrecht deelnemingsfeiten worden berecht1. Verder kan het argument van belanghebbende dat behandeling door eenzelfde rechtbank niet in het belang van belanghebbende is omdat dan vermenging van wetenschap door de behandelend rechter(s) op de loer ligt, niet slagen. Uit de bepaling van de (relatieve) bevoegdheid van de rechtbank kan niet enig vermoeden omtrent de wijze van oordeelsvorming door de behandeld rechter(s) worden afgeleid. Tot slot acht de rechtbank het argument van belanghebbende dat de doorlooptijden bij de rechtbank ’s-Gravenhage korter zijn, niet voldoende zwaarwegend voor een verwijzing.

2.7.

De conclusie is dus dat de zaak door de rechtbank Zeeland-West-Brabant wordt behandeld.

Deze tussenuitspraak is genomen door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier, op 19 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat geen rechtsmiddel open. Tegen de beslissing in deze tussenuitspraak kan worden opgekomen in het kader van een rechtsmiddel tegen de einduitspraak.