Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 04-05-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2541, AWB - 21 _ 1089, 21 _ 1091, 21 _ 1103

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 04-05-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2541, AWB - 21 _ 1089, 21 _ 1091, 21 _ 1103

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
4 mei 2022
Datum publicatie
13 mei 2022
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:2541
Zaaknummer
AWB - 21 _ 1089, 21 _ 1091, 21 _ 1103

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.

Uitspraak

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 21/1089, 21/1091 en 21/1103

uitspraak van 4 mei 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaren

De uitspraken van de inspecteur van 1 februari 2021 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde:

-

navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2014 berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.912, alsmede de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde vergrijpboete van € 432 en in rekening gebrachte belastingrente van € 139 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.47.01);

-

navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2015 berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.757, alsmede de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde vergrijpboete van € 3.264 en in rekening gebrachte belastingrente van € 832 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.57.01);

-

aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.478, alsmede de bij gelijktijdige beschikkingen opgelegde vergrijpboete van € 745 en in rekening gebrachte belastingrente van € 129 (aanslagnummer [aanslagnummer] H.66.01).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2022 te Roermond. De zaken zijn gezamenlijk behandeld met de zaken met nummers 21/2402 en 21/2403 van [B.V.] Ter zitting zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , en [inspecteur 4] .

1 Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 gegrond;

-

verklaart de beroepen ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2015 en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 ongegrond wat betreft de aanslag en gegrond wat betreft de daarbij opgelegde vergrijpboeten;

-

verklaart de beroepen voor zover deze zijn gericht tegen het niet vaststellen van een dwangsom gegrond wat betreft de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2014 en 2015 en ongegrond wat betreft het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016;

-

vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover die zien op de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 en op de vergrijpboeten voor de jaren 2014 tot en met 2016;

-

vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.159 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

-

vermindert de vergrijpboete opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 tot € 360;

-

vernietigt de vergrijpboete opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2015;

-

vernietigt de vergrijpboete opgelegd bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016;

-

stelt de door de inspecteur verbeurde dwangsom vast op € 2.884;

-

gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal € 147 aan hem vergoedt.

2 Gronden

Feiten

2.1.

Belanghebbende was in de jaren 2014 tot en met 2016 enig aandeelhouder en directeur van [B.V.] . [B.V.] exploiteert een fiscaal advies- en administratiekantoor.

2.2.

[B.V.] beschikte in de periode van 1 januari 2014 tot 28 juli 2014 over een auto van het merk en type [auto 1] met kenteken [kenteken 1] (hierna: [auto 1] ). [auto 1] heeft een cataloguswaarde van € 36.035. [auto 1] is aan belanghebbende ter beschikking gesteld. Ter zake van [auto 1] zijn loonheffingen vanwege het privégebruik van de auto ingehouden en afgedragen.

2.3.

Daarnaast stond in de periode van 1 januari 2014 tot 1 mei 2014 een auto van het merk en type [auto 2] met kenteken [kenteken 2] (hierna: [auto 2] ) geregistreerd op naam van [B.V.] . [auto 2] heeft een cataloguswaarde van € 33.683. [auto 2] is aan belanghebbende ter beschikking gesteld. Ter zake van [auto 2] zijn geen loonheffingen vanwege het privégebruik van de auto ingehouden en afgedragen.

2.4.

Belanghebbende heeft voor de jaren 2014, 2015 en 2016 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.352 (2014), € 4.729 (2015), respectievelijk € 8.670 (2016), dat volledig bestaat uit loon. De inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2014 en 2015 overeenkomstig de aangiften vastgesteld.

2.5.

De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van onder meer de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2016. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport. In dit controlerapport concludeert de inspecteur tot correcties over het jaar 2014 vanwege het privégebruik van [auto 1] en [auto 2] . Deze correcties zijn door de inspecteur becijferd op € 3.753 ( [auto 1] ) en € 2.807 ( [auto 2] ). Daarnaast concludeert de inspecteur tot correcties van het loon voor de jaren 2015 en 2016, omdat door [B.V.] gelden zijn overgeboekt naar een bankrekening van een ontbonden vennootschap, waarvan belanghebbende alle aandelen hield, en belanghebbende slechts een gedeelte van deze gelden heeft verantwoord als loon in zijn aangiften. De inspecteur heeft de overgeboekte gelden gebruteerd en de correctie van het loon, onder vermindering van het reeds aangegeven loon, gesteld op € 21.028 (2015), respectievelijk € 9.808 (2016).

2.6.

De inspecteur heeft bij brief van 19 november 2019 aangekondigd over de jaren 2014 en 2015 vergrijpboeten op te leggen op grond van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De inspecteur heeft een vergrijpboete opgelegd van 60% over de correcties in de inkomstenbelasting. Daarnaast heeft de inspecteur in hetzelfde geschrift aangekondigd over het jaar 2016 een vergrijpboete op te leggen op grond van artikel 67d van de AWR. De inspecteur heeft deze boete eveneens beperkt tot een boete van 60% over de correctie in de inkomstenbelasting.

2.7.

De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2014 en 2015 en de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 conform de bevindingen in het controlerapport vastgesteld. De boetebeschikkingen zijn eveneens conform de kennisgeving van 19 november 2019 vastgesteld.

2.8.

Belanghebbende heeft op 6 januari 2020 bezwaar gemaakt tegen de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2016. Op 8 mei 2020 heeft belanghebbende ook bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2014 en 2015. Op 22 juli 2020 (2016) respectievelijk 23 september 2020 (2014 en 2015) heeft de inspecteur van belanghebbende een ingebrekestelling ontvangen vanwege het niet-tijdig beslissen op de bezwaren. Op 29 september 2020 heeft de inspecteur van belanghebbende een brief ontvangen waarin – voor zover hier van belang – het volgende is vermeld:

“(…)

onderwerp : Afspraak inzake IB/PVV 2014, 2015 en 2016 t.n.v. [belanghebbende]

(…)

D.d. 28.09.2020 heeft U telefonisch contact met ondergetekende gezocht aangaande de behandeling van de ingediende bezwaarschriften IB/PVV 2014, 2015 en 2016 van ondergetekende. Dit naar aanleiding van het schrijven van ondergetekende betreffende het boekjaar 2016 dat de Belastingdienst de besluit- en reactietermijn ruimschoots overschreden heeft en dat ondergetekende de Belastingdienst in gebreke stelde.

U heeft ondergetekende het voornemen tot een afspraak inzake bovenstaande voorgesteld op zeer korte termijn. Voorwaarde is wel, dat ondergetekende het in gebreke stellen betreffende 2016 intrekt. (…)

Ondergetekende stemt hiermede in met een afspraak inzake bovenstaande en trekt hiermede schriftelijk de in gebreke stelling voor wat betreft 2016 in onder voorwaarde dat ondergetekende alle rechten zich voorbehoud bij geen genoegzame afhandeling dezer.

(…)”

2.9.

Bij uitspraken op bezwaar van 1 februari 2021 heeft de inspecteur de bezwaren afgewezen en de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2014 en 2015, de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2016, en de boete- en belastingrentebeschikkingen gehandhaafd.

Geschil

2.10.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Heeft de inspecteur een dwangsom verbeurd vanwege het niet-tijdig beslissen op de bezwaren?

  2. Zijn de correcties vanwege het privégebruik van [auto 1] en [auto 2] terecht vastgesteld?

  3. Zijn de correcties van het loon terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?

  4. Zijn de vergrijpboeten terecht niet tot te hoge bedragen opgelegd?

1. Dwangsom wegens niet-tijdig beslissen op bezwaren

2.11.

Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op een dwangsom wegens het niet-tijdig beslissen op de bezwaren. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur inmiddels driemaal de maximale dwangsom verbeurd. De inspecteur bestrijdt dat belanghebbende recht heeft op een dwangsom. De inspecteur voert daartoe aan dat belanghebbende expliciet de ingebrekestelling voor het jaar 2016 bij brief van 29 september 2020 heeft ingetrokken. Volgens de inspecteur geldt deze intrekking ook voor de jaren 2014 en 2015 omdat die jaren in de onderwerpregel van deze brief zijn genoemd (zie 2.8).

2.12.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de brief van 29 september 2020 dat belanghebbende de ingebrekestelling voor het jaar 2016 heeft ingetrokken. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende de inspecteur na 29 september 2020 opnieuw in gebreke heeft gesteld. Dat betekent dat de inspecteur geen dwangsom heeft verbeurd vanwege het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016.

2.13.

Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank wel terecht aanspraak gemaakt op een dwangsom vanwege het niet-tijdig beslissen op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2014 en 2015. De inspecteur heeft de ingebrekestellingen op 23 september 2020 ontvangen. In tegenstelling tot hetgeen de inspecteur betoogt, kan uit de brief van 29 september 2020 niet worden afgeleid dat belanghebbende de ingebrekestellingen ook voor de jaren 2014 en 2015 heeft ingetrokken. In de onderwerpregel van de brief van 29 september 2020 zijn weliswaar ook de jaren 2014 en 2015 vermeld, maar uit de bewoordingen van de brief blijkt dat de intrekking uitsluitend betrekking heeft op het jaar 2016. Dat betekent dat de inspecteur, nu hij pas op 1 februari 2021 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, tweemaal de maximale dwangsom is verschuldigd van € 1.442. Het beroep is in zoverre gegrond.

2. Correcties privégebruik [auto 1] en [auto 2] (2014)

2.14.

Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de correctie vanwege het privégebruik van [auto 2] ten onrechte is vastgesteld. Daartoe voert belanghebbende aan dat slechts voor van één auto per jaar een bijtelling kan worden toegepast, nu hij alleen is en één persoon maar in één auto tegelijk kan rijden. Voor [auto 1] is al bijgeteld, dus voor [auto 2] kan er geen bijtelling meer plaatsvinden, aldus belanghebbende. Verder betwist belanghebbende dat [auto 2] door [B.V.] aan hem ter beschikking is gesteld. Dat kan niet want hoewel de auto op naam van [B.V.] staat, is [auto 2] niet geactiveerd op de balans. De inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

2.15.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.15.1.

Het is vaste rechtspraak dat indien aan een belastingplichtige door zijn werkgever meerdere auto’s ter beschikking zijn gesteld, in beginsel voor ieder van die auto’s een bijtelling dient te worden toegepast.1 Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd geen verklaring kunnen geven wat de basis is van zijn tegenovergestelde standpunt of op welke wet, regelgeving of jurisprudentie hij zijn standpunt heeft gebaseerd. De inspecteur heeft als uitgangspunt terecht voor beide auto’s een bijtelling vanwege het privégebruik in aanmerking kunnen nemen.

2.15.2.

Indien een auto aan een belastingplichtige beschikbaar wordt gesteld, wordt deze auto ook geacht voor privédoeleinden aan de belastingplichtige ter beschikking te staan. In dat geval wordt een percentage van de catalogusprijs van de auto tot het loon van de werknemer gerekend. Dit is slechts anders indien blijkt dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer per jaar voor privédoeleinden wordt gebruikt.2

2.15.3.

De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat [auto 2] niet door [B.V.] aan hem ter beschikking is gesteld. Gesteld noch aannemelijk geworden is dat een ander dan [B.V.] , op wiens naam de auto in het kentekenregister staat geregistreerd, de eigendom van [auto 2] bezit. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het feit dat uit de grootboekkaarten voor het jaar 2014 van [B.V.] blijkt dat de verzekeringskosten en motorrijtuigenbelasting ter zake van [auto 2] als kosten bij de BV in aanmerking worden genomen. De omstandigheid dat [auto 2] niet is geactiveerd op de balans bij de BV maakt – wat daar ook van zij - in dit kader geen verschil. Dan is het aannemelijk geworden dat [auto 2] door [B.V.] aan belanghebbende ter beschikking is gesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat [auto 2] voor meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Dat betekent dat de inspecteur terecht een bijtelling vanwege het privégebruik van [auto 2] in aanmerking heeft genomen.

2.15.4.

Wat betreft [auto 1] houdt partijen uitsluitend verdeeld of vanwege het privégebruik van [auto 1] reeds loonheffingen zijn ingehouden en afgedragen. De rechtbank leidt uit de door belanghebbende overgelegde loonstaten met betrekking tot de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2014 af dat ter zake van [auto 1] rekening is gehouden met een bijtelling. De inspecteur heeft daartegen aangevoerd dat door [B.V.] nadien correctieberichten zijn ingediend met betrekking tot haar aangiften loonheffingen in 2014 en dat daarbij geen rekening is gehouden met een bijtelling voor [auto 1] . Kortgezegd, initieel is het wat betreft [auto 1] goed aangegeven en daarna is het weer teruggedraaid door belanghebbende, aldus de inspecteur. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de inspecteur een overzicht overgelegd waaruit de laatst bekende stand van de aangiften loonheffingen voor het jaar 2014 van [B.V.] ter zake van belanghebbende blijkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit een dergelijk overzicht – zonder nadere toelichting en waarvan onduidelijk is wat de herkomst of actuele status van een dergelijk overzicht is – niet worden afgeleid dat door [B.V.] correctieberichten zijn ingediend na de datum van de door belanghebbende overgelegde loonstaten. Het had op de weg van de inspecteur gelegen om, gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende dat er nadien correctieberichten zijn ingediend, ook de gestelde correctieberichten te overleggen. De rechtbank komt tot de slotsom dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat ter zake van het privégebruik van [auto 1] geen loonheffingen zijn ingehouden en afgedragen. De rechtbank acht de correctie van € 3.753 vanwege het privégebruik van [auto 1] daarom dubbelop, zodat de correctie van de bijtelling ter zake van [auto 1] dient komen te vervallen

2.16.

Het voorgaande betekent dat de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 verminderen tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.159. De beschikking belastingrente dient dienovereenkomstig te worden verminderd.

3. Loon (2015 en 2016)

2.17.

De inspecteur heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de correcties van het loon moeten worden begrepen in het kader van de gebruikelijk-loonregeling. Volgens de inspecteur had het gebruikelijk loon veel hoger moeten zijn maar dient nu het gebruikelijk loon in de jaren 2015 en 2016 te worden gesteld op het gebruteerde bedrag dat door [B.V.] in het betreffende jaar is overgeboekt naar de bankrekening van belanghebbende (zie 2.5).

2.18.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.18.1.

Ingevolge artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt onder loon verstaan loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Wet LB.

2.18.2.

Artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) bepaalt, kort gezegd, dat een aanmerkelijkbelanghouder voor zijn werkzaamheden in de vennootschap een gebruikelijk loon geniet. Het gebruikelijk loon wordt – voor zover hier van belang – op de voet van artikel 12a van de Wet LB voor de jaren 2015 en 2016 in beginsel op € 44.000 per jaar gesteld, tenzij aannemelijk is dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is.

2.18.3.

Vast staat dat belanghebbende in 2015 en 2016 enig aandeelhouder was van [B.V.] en ten behoeve van [B.V.] werkzaamheden heeft verricht. Aldus geldt als uitgangspunt dat de gebruikelijk-loonregeling dient te worden toegepast op de (fictieve) dienstbetrekking van belanghebbende. Nu het door de inspecteur vastgestelde gebruikelijk loon niet boven het bedrag zoals genoemd in artikel 12a, eerste lid, van de Wet LB uitkomt, ligt het op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat in dit geval moet worden uitgegaan van een lager gebruikelijk loon.3

2.18.4.

Belanghebbende stelt zich – naar de rechtbank begrijpt – op het standpunt dat het gebruikelijk loon op € 4.729 (2015), respectievelijk € 8.670 (2016) moet worden gesteld. Belanghebbende voert aan dat de gelden, die door [B.V.] in de onderhavige jaren naar de bankrekening van zijn ontbonden vennootschap zijn overgeboekt, geen loonbetalingen zijn. De rechtbank vat dit betoog op in de zin dat belanghebbende hiermee beoogt aannemelijk te maken dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is en dat er financieel geen ruimte was om een hoger loon te betalen. Volgens belanghebbende zijn de gelden verstrekt door [B.V.] in rekening-courant schuldig gebleven. Dat staat echter niet zo op de balans weergegeven omdat, zo verklaart belanghebbende ter zitting, die gelden vervolgens door hem zijn geleend aan derden en toen zijn omgezet in een lening van [B.V.] aan derden. Feitelijk is dan de rekening-courantschuld van belanghebbende aan [B.V.] omgezet in een geldlening van [B.V.] aan de betreffende derden.

2.18.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat moet worden afgeweken van het gebruikelijk loon en dus dat het loon berekend door de inspecteur nog verder moet worden verlaagd naar € 4.729 (2015), respectievelijk € 8.670 (2016). Uit het betoog van belanghebbende valt – ook hier: wat daar ook van zij - niet op te maken dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is. Ook is niet aannemelijk geworden dat er structureel te weinig inkomen werd gegenereerd voor een regulier gebruikelijk loon voor de werkzaamheden van belanghebbende. Dat maakt dat belanghebbende een verdere verlaging van het (gebruikelijk) loon dan waarvoor de inspecteur hem heeft aangeslagen, niet aannemelijk heeft gemaakt.

2.19.

Het voorgaande betekent dat de inspecteur terecht een correctie van het loon van € 21.028 (2015), respectievelijk € 9.808 (2016) in aanmerking heeft genomen. De beroepen tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2015 en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 zijn daarom ongegrond.

4. Vergrijpboeten

2.20.

Indien het aan opzet of grove schuld van een belastingplichtige te wijten is dat de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, dan wel dat de belasting die bij wege van aanslag wordt geheven tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, vormt dit een vergrijp op grond van artikelen 67d respectievelijk 67e van de AWR ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete kan opleggen. Op grond van paragraaf 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boetes Belastingdienst legt de inspecteur in geval van (voorwaardelijke) opzet een vergrijpboete op van 50%. De stelplicht en – bij betwisting – de bewijslast dat de vergrijpboeten kunnen worden opgelegd, rust op de inspecteur.

2.21.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende zich bezig houdt met belastingadvieswerkzaamheden en zeker daarom moet hebben geweten dat ter zake van het privégebruik van [auto 1] en [auto 2] een bijtelling privégebruik in aanmerking moet worden genomen en de gebruikelijk-loonregeling moest worden toegepast. Nu dat niet is gebeurd, heeft belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aanslagen IB/PVV voor het jaar 2014, 2015 en 2016 tot te lage bedragen zouden worden vastgesteld, dan wel is er sprake van grove schuld, aldus de inspecteur.

2.22.

Verder is de inspecteur van mening dat het feit dat belanghebbende belastingadviseur is en derhalve bekend is met de fiscale wet- en regelgeving een strafverzwarende omstandigheid is. De inspecteur stelt zich daarom op het standpunt dat in dit geval boeten van 60% van de geheven belasting aan belanghebbende kunnen worden opgelegd.

2.23.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.23.1.

Wat betreft de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 geldt het volgende. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 in het geheel geen bijtelling wegens privégebruik van [auto 2] in aanmerking genomen. De wet en jurisprudentie biedt geen aanknopingspunt voor het standpunt van belanghebbende dat slechts ter zake van één auto bijtelling kan worden toegepast en dat dit voor [auto 1] al was gedaan zodat het voor [auto 2] niet meer hoefde (zie 2.15.1). Ook desgevraagd ter zitting heeft belanghebbende inhoudelijk geen uitleg kunnen geven hoe hij tot dat standpunt is gekomen. De rechtbank is dan ook gelet op voorgaande in samenhang bezien met alle feiten en omstandigheden van dit geval van oordeel dat belanghebbende minstens grofschuldig heeft gehandeld door zodanig lichtzinnig een standpunt in te nemen en in de aangifte te verwerken waarvan duidelijk is dat het onjuist is. De inspecteur heeft de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV aldus terecht aan belanghebbende opgelegd.

2.23.2.

Naar het oordeel van de rechtbank kan belanghebbende ten aanzien van de jaren 2015 en 2016 geen opzet dan wel grove schuld worden verweten. Belanghebbende heeft in deze jaren loon van enige omvang in aanmerking genomen. De toepassing van artikel 12a van de Wet LB kan in voorkomende gevallen een bron van discussie zijn tussen de inspecteur en de belastingplichtige, waarbij het gebruikelijk loon zich soms niet eenvoudig laat vaststellen. Dat belanghebbende naar later blijkt een te laag gebruikelijk loon in aanmerking heeft genomen, zoals hier het geval, betekent nog niet dat belanghebbende opzettelijk of, voor wat betreft het jaar 2015, grofschuldig heeft gehandeld bij het doen van de aangifte. De gestelde omstandigheden door de inspecteur, zoals het overboeken van zakelijke gelden naar een privé-bankrekening van belanghebbende en dat de boekingen niet goed te volgen zijn, is in dit verband onvoldoende. Daaruit kan namelijk niet zonder meer worden afgeleid dat belanghebbende opzettelijk of grofschuldig een te laag gebruikelijk loon in aanmerking heeft genomen. Een dergelijke lastig controleerbaar of verifieerbare wijze van administreren c.q. boeken kan ook goed andere redenen hebben gehad dan het doen van onjuiste aangiften door middel van een onjuist gebruikelijk loon te hanteren. Andere feiten en omstandigheden ter onderbouwing van de stelling dat sprake is van opzettelijk dan wel grofschuldig handelen door belanghebbende heeft de inspecteur niet aangevoerd. De vergrijpboeten bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2015 en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 moeten daarom komen te vervallen. In zoverre zijn deze beroepen gegrond.

2.23.3.

De boete dient, gelet op wat is overwogen onder 2.16, te worden verminderd. Verder is de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de werkzaamheden van belanghebbende als belastingadviseur, passend en geboden. De rechtbank stelt de boete dan ook in principe – zie hierna – vast op € 400. Feiten en omstandigheden die aanleiding geven om de boete te matigen zijn gesteld noch gebleken.

2.23.4.

De duur van de procedure geeft de rechtbank aanleiding tot verdere (ambtshalve) matiging van de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014, omdat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie. De rechtbank stelt vast dat 19 november 2019 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op dat moment de vergrijpboete is aangekondigd. De rechtbank doet uitspraak op 4 mei 2022. Sinds de aankondiging van de boete zijn dan (afgerond) twee jaar en zes maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met (afgerond) zes maanden.4 De vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 wordt daarom gematigd met 10% tot € 360.5

Slotsom; conclusie en proceskosten

2.24.

Gelet op het voorgaande is het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 gegrond verklaard en dient de navorderingsaanslag te worden verminderd overeenkomstig het overwogene onder 2.16. De beschikking belastingrente dient overeenkomstig te worden verminderd. De vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 dient eveneens te worden verminderd overeenkomstig het overwogene onder 2.23.4 en 2.23.4.

2.25.

De beroepen tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2015 en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 zijn, gelet op het voorgaande, ongegrond wat betreft de aanslag en gegrond wat betreft de vergrijpboete. De vergrijpboeten bij de voornoemde aanslagen dienen te worden vernietigd.

2.26.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel krijgt belanghebbende het griffierecht van in totaal € 147 dat is geheven ter zake van de beroepen met zaaknummers 21/1089, 21/1091 en 21/1103 vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 4 mei 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.