Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25-01-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:299, AWB - 19 _ 1631 tm 19_1636

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25-01-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:299, AWB - 19 _ 1631 tm 19_1636

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25 januari 2022
Datum publicatie
7 februari 2022
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:299
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1631 tm 19_1636

Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Uitspraak

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 19/1631 tot en met 19/1636

uitspraak van 25 januari 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in een geschrifte vervatte uitspraken van de inspecteur van 21 februari 2019 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor de jaren 2013 tot en met 2015 opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de navorderingsaanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2022 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde mr. G.J.P.M. Mooren, verbonden aan Westpoint Advocaten en Mediators te Tilburg, en namens de inspecteur, [inspecteur].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende woont samen met mevrouw [A] . Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren (2010 en 2016). Verder is belanghebbende sinds 2 december 2011 eigenaar van ‘Handelsonderneming [B] ’.

2.2.

Over de onderhavige jaren is belanghebbende steeds uitgenodigd tot het doen van aangifte. Namens belanghebbende zijn over de onderhavige jaren aangiften IB/PVV ingediend naar de volgende bedragen.

2013

2014

2015

Inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking

€ 18.565

€ 19.246

€ 19.455

Verschuldigde IB/PVV

€ 3.144

€ 2.776

€ 2.678

Ingehouden loonheffingen

€ 2.786

€ 2.775

€ 2.955

Te betalen IB/PVV

€ 358

€ 0

€ 277 negatief

De definitieve aanslagen zijn steeds opgelegd overeenkomstig de ingediende aangiften. Van de handelsonderneming was de aangegeven omzet in 2013 nihil en in de jaren 2014 en 2015 is geen omzet gegenereerd volgens de aangiften.

2.3.

Vanwege jegens belanghebbende gerezen verdenkingen met betrekking tot witwassen heeft de politie een onderzoek naar belanghebbende gedaan. Ook is de woning van belanghebbende op 9 december 2015 doorzocht. Op 20 december 2016 werd door de politie een rapport wederrechtelijk verkregen voordeel opgesteld over de periode 17 december 2012 tot en met 29 januari 2016.

Op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) heeft de Officier van Justitie op 26 juni 2017 toestemming verleend om deze onderzoeksgegevens ter beschikking te stellen aan de Belastingdienst. De inspecteur heeft als gevolg daarvan het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling exclusief de in het rapport genoemde bijlagen ontvangen.

2.4.

Uit deze verkregen onderzoeksgegevens heeft de inspecteur het hiernavolgende opgemaakt. Belanghebbende heeft afspraken gemaakt met [J] (hierna: [J] ) van [J] Administraties te Tilburg voor het aangaan van een gefingeerde arbeidsovereenkomst. Belanghebbende bracht maandelijks contant geld naar [J] , die het geld stortte op een bankrekening en, onder inhouding van loonheffingen, vervolgens als salaris overmaakte naar belanghebbende. Uit de bankgegevens van [J] Administraties blijkt dat [J] in drie jaar tijd € 86.345 aan contant geld heeft gestort. [J] heeft verklaard dat dit het geld is dat hij van belanghebbende heeft ontvangen. Over de periode 17 december 2012 tot en met 29 januari 2016 heeft [J] netto € 51.392,76 als salaris uitbetaald aan belanghebbende.

2.5.

Buiten deze inkomsten heeft belanghebbende geen bij de Belastingdienst bekende inkomsten genoten over de jaren 2013 tot en met 2015. Wel heeft hij huur- en zorgtoeslag ontvangen. De partner van belanghebbende heeft geen inkomen.

De inspecteur stelt dat uit afschriften van een op naam van belanghebbende staande bankrekening ( [nummer] ) valt af te leiden dat het salaris aan vaste lasten en benoemde uitgaven werd uitgegeven. Er is nauwelijks contant geld van die bankrekening opgenomen. Ook zijn slechts sporadisch via de bank uitgaven voor levensonderhoud gedaan. Belanghebbende ging regelmatig op vakantie, maar uitgaven daarvoor zijn op de bankrekening niet terug te zien. Voorts hebben zowel belanghebbende als zijn partner een auto, maar via de bank zijn geen betalingen voor brandstof of andere autokosten terug te vinden. Bij een doorzoeking van de woning van belanghebbende is geconstateerd dat de woning recent is verbouwd. Uit de bankafschriften blijken geen uitgaven voor bouwmarkten of aannemers. Verder is tijdens de doorzoeking een bedrag van € 1.530 aan contact geld aangetroffen, aldus nog steeds de inspecteur.

2.6.

Voorts stelt de inspecteur dat de politie aan de hand van het Budgethandboek van het Nibud een opstelling heeft gemaakt van de uitgaven die belanghebbende en zijn partner minimaal moeten hebben gedaan om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Hierbij is de politie uitgegaan van een driepersoonshuishouden en een huurwoning met een gemiddelde huur. De benoemde (bancaire) uitgaven zijn hierop in mindering gebracht. Deze opstelling heeft de politie gebruikt om een berekening wederrechtelijk verkregen voordeel op te stellen waarbij, naast de hiervoor genoemde uitgaven, rekening is gehouden met het contante geld en de maandelijkse bedragen die belanghebbende contant naar [J] bracht (€ 76.000). Uit deze opstelling valt een wederrechtelijk verkregen voordeel af te leiden van € 137.543.

2.7.

Met dagtekening 21 april 2018 heeft de inspecteur de onderstaande navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd. Hierbij heeft de inspecteur een bedrag van in totaal € 62.523 aan belastbaar inkomen uit werk en woning gecorrigeerd. Deze correctie heeft de inspecteur gelijkelijk verdeeld over de in het geding zijnde jaren. Het bedrag van de correctie bestaat uit € 137.543 (zie 2.6) plus € 10.345 (zijnde het verschil tussen de € 76.000 waarmee de politie heeft gerekend en het totaal door [J] gestort bedrag van € 86.345) minus het aan [J] betaalde bedrag waarover direct of indirect reeds premies zijn geheven, zijnde € 86.345.

IB/PVV

2013

2014

2015

Aangegeven inkomen

€ 18.565

€ 19.246

€ 19.455

Correctie row

€ 20.841

€ 20.841

€ 20.841

Vastgesteld inkomen

€ 39.406

€ 40.087

€ 40.296

Te betalen IB/PVV

€ 8.699

€ 9.138

€ 9.205

Belastingrente

€ 1.354

€ 1.056

€ 696

Zvw

2013

2014

2015

Aangegeven premie-inkomen

€ 0

€ 0

€ 0

Correctie premie-inkomen

€ 20.841

€ 20.841

€ 20.841

Vastgesteld premie-inkomen

€ 20.841

€ 20.841

€ 20.841

Te betalen Zvw

€ 1.177

€ 1.125

€ 1.010

Belastingrente

€ 183

€ 130

€ 76

2.8.

Tussen partijen is in geschil of de uitspraken op bezwaar op een juiste manier tot stand zijn gekomen. Verder is in geschil of de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw terecht en niet naar te hoge bedragen zijn opgelegd.

Zijn de uitspraken op bezwaar op een juiste manier tot stand gekomen?

2.9.

Belanghebbende stelt dat de uitspraken op bezwaar niet op juiste wijze tot stand zijn gekomen. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij pas als gevolg van het indienen van het verweerschrift de beschikking heeft gekregen over het door de politie opgestelde rapport wederrechtelijk verkregen voordeel. Volgens hem had de inspecteur dat gedurende de bezwaarfase moeten toesturen.

De inspecteur heeft ter zitting onbestreden verklaard dat het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel als onderdeel van het dossier ter inzage heeft gelegen voorafgaand aan het hoorgesprek. De rechtbank is van oordeel dat, nu belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot inzage voorafgaand aan het hoorgesprek, dit voor zijn rekening en risico blijft.

2.10.

Voorts stelt belanghebbende dat de inspecteur de bijlagen behorende bij het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel had moeten opvragen bij de officier van justitie omdat het rapport zonder die bijlagen niet compleet is en omdat men de bijlagen nodig heeft om te kunnen beoordelen of het rapport juist is.

De inspecteur heeft zich gebaseerd op bepaalde stukken die hem ter beschikking zijn gesteld komend uit het meeromvattende strafdossier. Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur alle stukken die hem ter beschikking hebben gestaan heeft overgelegd. Er bestaat voor de inspecteur geen verplichting om in dit geval alle (eventuele) onderliggende bronstukken, zoals waarop de berekening wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd, uit het strafdossier te pogen te verkrijgen. De stelling van belanghebbende dat de uitspraken op bezwaar niet op de juiste wijze tot stand zijn gekomen treft derhalve geen doel. Het gelijk op dit punt is aan de inspecteur.

Zijn de navorderingsaanslagen terecht opgelegd?

2.11.

Artikel 27e, eerste lid, van de AWR bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’).

2.12.

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast,1 waardoor de bewijslast hiervoor rust op de inspecteur. Hierbij heeft te gelden dat de inspecteur per jaar aannemelijk dient te maken dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

2.13.

De inspecteur stelt dat sprake is van één of meerdere inhoudelijke gebreken in de aangiften omdat uit het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel in combinatie met het uitgavenpatroon van belanghebbende, valt af te leiden dat belanghebbende over de onderhavige jaren een inkomen moet hebben genoten van (minstens) € 137.543, terwijl hij in zijn aangiften een veel lager inkomen heeft aangegeven. Hierdoor zijn de bedragen aan IB/PVV en Zvw die volgden uit de ingediende aangiften op zichzelf en verhoudingsgewijs beschouwd aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting. Verder stelt de inspecteur dat belanghebbende zich hiervan bewust moet zijn geweest, omdat het een feit van algemene bekendheid is dat inkomsten moeten worden opgegeven aan de Belastingdienst.

2.14.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Bij het bepalen van de belastbare inkomens uit werk en woning heeft de inspecteur zich gebaseerd op een door de politie opgesteld rapport wederrechtelijk verkregen voordeel waarin zij eerst hebben gekeken naar het vermogen en de bankrekening van belanghebbende. De berekening van het inkomen dat belanghebbende moet hebben genoten is gebaseerd op de uitgaven zoals aangetroffen op die bankrekening en op basis van algemene Nibud-gegevens voor levensonderhoud. De rechtbank acht het, anders dan belanghebbende, juist om in dit geval de uitgaven voor levensonderhoud te baseren op Nibud-gegevens. De evenredige verdeling van het niet aangegeven inkomen over de onderhavige jaren acht de rechtbank in dit geval eveneens juist omdat de inspecteur (i) de contante betalingen aan [J] aannemelijk heeft gemaakt en (ii) die betalingen met regelmaat in die gehele periode hebben plaatsgevonden. Kennelijk beschikte belanghebbende dus met regelmaat in de gehele periode over grote sommen, niet aangegeven, contant geld waarvan de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het niet opgegeven inkomen betreft. Gelet op het verschil tussen het aangegeven inkomen en het werkelijk inkomen van belanghebbende, is sprake van absoluut en relatief aanzienlijke bedragen. De rechtbank acht het aannemelijk dat belanghebbende zich ten tijde van het doen van de aangiften ervan bewust is geweest dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde IB/PVV niet zou worden geheven.

Dit geldt eveneens voor de Zvw. Bij het oordeel dat het bedrag van de Zvw dat op basis van de aangiften niet zou zijn geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk is, neemt de rechtbank is aanmerking dat het bij Zvw-bedragen in het algemeen om lagere bedragen gaat dan bij de IB/PVV als gevolg van het lagere tarief.2

2.15.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dus de vereiste aangiften IB/PVV voor de jaren 2013 tot en met 2015 niet gedaan. Omkering en verzwaring van de bewijslast is dan van toepassing.

2.16.

Omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de inspecteur bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen moet uitgaan van een redelijke schatting van het inkomen van belanghebbende. Dit vereiste strekt ertoe te voorkomen dat een belastingaanslag naar willekeur wordt opgelegd. In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. Wanneer de inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van belanghebbende, wanneer hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.3

2.17.

De inspecteur is voor de correcties van het inkomen bij het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel aangesloten, in combinatie met de Nibud-normen voor levensonderhoud en het uitgavenpatroon van belanghebbende. De op die wijze tot stand gekomen schatting van wat het niet opgegeven inkomen van belanghebbende moet zijn geweest, komt de rechtbank redelijk voor.

2.18.

Belanghebbende betwist de schatting en brengt in dat hij heeft geleefd onder de Nibud-normen en stelt dat de verklaring van [J] over het bedrag aan contanten die [J] maandelijks van hem ontving niet klopt, dat bedrag was namelijk ongeveer 10.000 euro lager. Deze blote stellingen zijn onvoldoende om te slagen in het op belanghebbende rustende verzwaarde tegenbewijs. Het gelijk is dus ook op dit punt aan de inspecteur.

2.19.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.

2.20.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier, op 25 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.