Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-06-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:3146, AWB - 20 _ 7071

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-06-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:3146, AWB - 20 _ 7071

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
9 juni 2022
Datum publicatie
14 juni 2022
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:3146
Zaaknummer
AWB - 20 _ 7071

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.

Uitspraak

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/7071

uitspraak van 9 juni 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister van Justitie en Veiligheid,

de minister.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 19 mei 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door hem op aangifte voldane belastingen van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2022 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende A.F.M.J. Verhoeven en J.A. Cardol (hierna: de gemachtigde), verbonden aan Netcar Juridische Dienstverlening B.V. te Westerhoven, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2]. Van de zitting is een proces-verbaal gemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.

1 Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep ongegrond;

-

verklaart zich onbevoegd om in deze procedure uitspraak te doen over de verzochte (invorderings- of belasting)rentevergoeding;

-

veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade van € 692;

-

veroordeelt de minister tot vergoeding van immateriële schade van € 808;

-

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in beroep van € 37,50;

-

veroordeelt de minister in de proceskosten van belanghebbende in beroep van € 37,50;

-

gelast dat de inspecteur en de minister, ieder voor de helft, het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 178 aan hem vergoeden;

-

beslist dat, indien de immateriëleschadevergoeding, de proceskostenvergoeding en/of de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.

2 Gronden

Vooraf

Passeren wrakingsverzoek

2.1.

De rechtbank passeert het door belanghebbende gedane wrakingsverzoek. De rechtbank verwijst daartoe naar de overwegingen in haar eerdere uitspraak van 11 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2572, die hier als herhaald en ingelast kunnen worden beschouwd. In die uitspraak was hetzelfde wrakingsverzoek als in deze zaak aan de orde.

Regievoering

2.2.

De rechtbank heeft in deze zaak in het kader van regievoering op 29 oktober 2021 partijen een brief gestuurd over de behandeling van de zaak op de zitting. De rechtbank verwijst daartoe naar de overweging 2.5 in haar eerdere uitspraak van 11 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2572, die hier als herhaald en ingelast kan worden beschouwd.

8:42 stukken

2.3.

Belanghebbende heeft voor het eerst ter zitting aangevoerd dat de inspecteur nog bepaalde stukken in moet brengen en dat de rechtbank deze moet vorderen. De rechtbank is van oordeel dat dit te laat is aangevoerd gelet op de regievoering die voorafgaand aan de zitting heeft plaatsgevonden. Onduidelijk is wat het belang van de stukken is in het licht van de reeds aangevoerde beroepsgronden. Voor zover belanghebbende het er om zou gaan om in die stukken aanknopingspunten te vinden voor nieuwe beroepsgronden, wordt in strijd met de goede procesorde gehandeld gelet op de eerdere regievoering.

Buiten beschouwing laten aanvullende stukken gemachtigde

2.4.

De rechtbank laat in het kader van het belang van een goede procesorde de reacties van de gemachtigde naar aanleiding van de brief van de rechtbank van 29 oktober 2021 verder buiten beschouwing gelet op het taalgebruik. In het geval van belanghebbende gaat het om de volgende ingediende stukken:

- e-mail ‘reactie op wrakingsverzoek’ met dagtekening van 8 maart 2022 in alle zaaknummers;

- e-mail ‘pleitaantekeningen’ met dagtekening van 9 maart 2022 in alle zaaknummers.

De rechtbank heeft per brief van 1 december 2021 de gemachtigde van belanghebbende in andere zaken in de gelegenheid gesteld om geschoonde stukken in te dienen en gewaarschuwd als nieuwe stukken wederom onbetamelijk taalgebruik bevatten deze ook buiten beschouwing worden gelaten.

De rechtbank heeft eerder een dergelijke sanctie ook toegepast1 en daarnaast is deze sanctie ook eerder door andere feitenrechters toegepast.2 Bij deze beslissing heeft de rechtbank ook acht geslagen op het onnodig grievende taalgebruik dat de gemachtigde in andere procedures, zowel bij deze rechtbank als bij andere gerechten, heeft gebezigd.3

Inhoudelijk

Aanleiding

2.5.

Belanghebbende heeft aangifte gedaan van de door hem op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet Bpm) verschuldigde belasting van € 2.421 ter zake van de registratie van een [merk] [nummer]. Bij de bepaling van de afschrijving is uitgegaan van de afschrijvingstabel.

2.6.

De voldoening op aangifte heeft plaatsgevonden op 16 april 2019. Belanghebbende heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend. De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

2.7.

Het geschil in beroep betreft de hierna aan de orde komende onderwerpen.

Is van belanghebbende terecht respectievelijk naar het juiste bedrag griffierecht geheven.

2.8.

Niet in geschil is dat het door de griffier geheven griffierecht in overeenstemming is met artikel 8:41 van de Awb. Belanghebbende stelt dat het op voorhand heffen van griffierecht in strijd is met het Unierecht en het EVRM. Deze stelling vindt geen steun in het recht. Voor zover belanghebbende betoogt dat de hoogte van het griffierecht in strijd is met het Unierecht, volgt de rechtbank belanghebbende daarin ook niet.4

Is het verdedigingsbeginsel dan wel de hoorplicht geschonden?

2.9.

Belanghebbende stelt dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel dan wel de hoorplicht is geschonden doordat hij voorafgaande aan het doen van de uitspraak op bezwaar niet is gehoord. De inspecteur heeft daartegenover aangevoerd dat hij voldoende gelegenheid heeft gegeven aan belanghebbende om te worden gehoord, maar dat belanghebbende steeds niet op de uitnodigingen om gehoord te worden is ingegaan.

2.10.

Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt de inspecteur, voordat hij op een bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord (hoorplicht).

2.11.

Voor deze zaak staat vast dat belanghebbende verzocht heeft om gehoord te worden. De rechtbank overweegt als volgt.

2.11.1.

Voor deze zaak heeft de inspecteur belanghebbende meerdere malen uitgenodigd voor een hoorgesprek. De inspecteur heeft bij brief van 31 oktober 2019 belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek op 28 november 2019. De inspecteur heeft bij brief van 19 februari 2020 belanghebbende nogmaals uitgenodigd voor een hoorgesprek op 3 maart 2020. Bij brief van 21 februari 2020 nodigt de inspecteur belanghebbende opnieuw uit voor een hoorgesprek op 10 maart 2020. De inspecteur heeft met dagtekening 10 maart 2020 een hoorverslag opgemaakt waaruit blijkt dat er een gesprek heeft plaatsgevonden met de gemachtigde van belanghebbende en dat er een meningsverschil is over het al dan niet aanwezig zijn van kentekengegevens bij de dossierinzage.

De rechtbank overweegt dat aan het hebben van een meningsverschil niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat afgezien kan worden van het horen. Dat neemt niet weg dat de inspecteur in de omstandigheden van dit geval wel aan zijn verplichting heeft voldaan om belanghebbende in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. De rechtbank merkt op dat het voor risico van belanghebbende komt om zonder meer niet inhoudelijk in te gaan op de dossiers op een hoorzitting om de reden dat naar zijn mening het dossier onvolledig is.

2.11.2.

In deze zaak is dus de hoorplicht niet geschonden. Ook het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is niet geschonden aangezien belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om gehoord te worden.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat ook indien het hoorrecht wel geschonden zou zijn én zelfs als daaraan niet zou kunnen worden voorbijgegaan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, er geen aanleiding zou zijn voor terugwijzing. Het zou namelijk geboden zijn dat de rechtbank zelf in de zaak voorziet. Daarbij is in aanmerking genomen (i) het belang van definitieve geschilbeslechting (artikel 8:41a van de Awb), (ii) het belang om de tijd die is gemoeid met de bezwaar- en beroepsfase niet verder te laten oplopen, en (iii) dat belanghebbende niet benadeeld zou worden als de rechtbank zelf in de zaak voorziet.5 In verband met dit laatste is nog het volgende van belang. Ter zitting heeft belanghebbende toepassing van de bestuurlijke lus om te horen – als alternatief voor terugwijzing – onomwonden afgewezen, echter zonder (afdoende) inhoudelijke motivering. Er is ook verder geenszins duidelijk geworden wat het belang van belanghebbende bij terugwijzing om te horen zou zijn, in aanmerking genomen dat belanghebbende vooral rechtskundige, op zijn interpretatie van het Unierecht gebaseerde, klachten heeft. Het belang van een hogere immateriëleschadevergoeding is in dat kader geen rechtens mee te wegen belang.

Verplichtingen inspecteur op grond van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna VWEU).

2.12.

Belanghebbende heeft gesteld dat uit (de rechtspraak over) artikel 110 van het VWEU volgt dat op de inspecteur de last rust om na te gaan of niet te veel bpm op aangifte is voldaan. De inspecteur moet alle gegevens overleggen waaruit blijkt dat niet te veel bpm is voldaan.

2.13.

De rechtbank overweegt als volgt. De belasting voor de bpm dient op aangifte te worden voldaan (artikel 6 van de Wet Bpm). Bij het doen van aangifte voor de bpm dient belanghebbende de daartoe van belang zijnde gegevens aan te leveren voor de bepaling van de verschuldigde bpm. In onderhavige zaak is door belanghebbende bpm op aangifte voldaan. Indien belanghebbende in beroep stelt dat te veel bpm op aangifte is voldaan, is het in eerste instantie aan belanghebbende om minstens voldoende concreet te stellen (a) voor welke auto te veel bpm is voldaan, en (b) waarom dat volgens hem het geval is (wat de gronden zijn). Afhankelijk van de gronden rust op belanghebbende dan wel de inspecteur de stelplicht en bewijslast. Indien belanghebbende wil afwijken van de door hem bij het voldoen op aangifte gehanteerde afschrijving, rust op hem in beginsel de plicht om feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken waaruit volgt dat en in hoeverre de afschrijving te laag is.6 Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling.7 Belanghebbendes betoog over de verplichtingen van de inspecteur is, in zo algemene zin gesteld, dus onjuist. Belanghebbende voert bijvoorbeeld ten onrechte aan dat ook al heeft hij aangifte bpm gedaan waarbij de afschrijving is berekend op basis van de tabel, de inspecteur alsnog na moet gaan of de afschrijving aan de hand van een koerslijst niet lager had moeten zijn.8 Het voorgaande doet er overigens niet aan af dat met betrekking tot bepaalde specifieke onderwerpen van geschil nadere uitgangspunten kunnen gelden van wat van partijen over en weer mag worden verwacht.9

Heffings- en betalingsmodaliteiten

2.14.

Zo belanghebbende met zijn betoog over verschillende modaliteiten beoogd heeft te stellen dat voor te importeren voertuigen vroegere betaling van bpm moet plaatsvinden dan voor reeds in het binnenland geregistreerde voertuigen, terwijl artikel 110 van het VWEU zich verzet tegen verschillende heffings- en betalingsmodaliteiten, is de rechtbank van oordeel dat het niet in strijd is met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten een registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt.10 Het betoog van belanghebbende faalt daarom.

Ex-rental

2.15.

Naar het oordeel van de rechtbank faalt eveneens de stelling van belanghebbende dat ook al is geen sprake van ex-rental, de inspecteur daar wel rekening mee dient te houden. De omstandigheid dat in de handel aan het verhuurverleden van een personenauto een waardedrukkende invloed wordt verbonden, brengt niet mee dat met die waardedrukkende invloed ook rekening moet worden gehouden bij personenauto’s zonder verhuurverleden, omdat in zoverre geen sprake is van gelijksoortige personenauto’s.11

Arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2020 12 inzake artikel 16a Wet Bpm; tussentijdstarief; leeftijdskorting

2.16.

Naar aanleiding van de regiebrief van de rechtbank heeft de inspecteur onderzoek gedaan of teruggaaf van bpm dient te volgen op grond van – kort gezegd – het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 202013 inzake artikel 16a Wet Bpm en/of op grond van leeftijdskorting. Naar de rechtbank begrijpt heeft de inspecteur ook onderzoek gedaan of er aanleiding is voor teruggaaf wegens een lager tussentijds tarief. De inspecteur heeft de bevindingen van zijn onderzoek voorafgaand aan de zitting toegestuurd. Daarbij heeft de inspecteur gemotiveerd aangevoerd dat voor onderhavige auto geen teruggaaf van bpm dient te volgen. Belanghebbende heeft de bevindingen van de inspecteur niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank gaat daarom uit van de bevindingen van de inspecteur.

Rentevergoeding

2.17.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat recht bestaat op vergoeding van rente in verband met de teruggave van op aangifte voldane bpm. De rechtbank overweegt dat in dit geval geen sprake is van teruggaaf van bpm. Nog afgezien daarvan geldt het volgende.

Voor zover het gaat om rente op grond van artikel 30ha AWR mag de rechtbank, gelet op de beslissing van de Hoge Raad van 28 januari 202214 geen oordeel geven, nu een dergelijke rentebeschikking niet voorligt in deze zaak die gaat over de voldoening van bpm op aangifte.

2.18.

Voor zover belanghebbende bepleit dat ook recht bestaat op invorderingsrente op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990, kan dat in deze procedure niet aan de orde komen. De wetgever heeft immers erin voorzien dat voor een dergelijke rentevergoeding een verzoek aan de ontvanger kan worden gedaan, en in deze procedures liggen niet (de uitspraken op bezwaar tegen) de beschikkingen van de ontvanger voor. De rechtbank is in zoverre onbevoegd om daarover te oordelen in deze procedures; het Unierecht maakt dat niet anders.15 De rechtbank heeft bij de onbevoegdverklaring in het dictum niet een verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb opgenomen, omdat er wel een rechtsingang bij de belastingrechter is ter zake van voormelde artikel 28c-beschikking.

Conclusie

2.19.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard.

Verzoek om immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

2.20.

De rechtbank stelt voorop dat het Unierecht niet eraan in de weg staat dat zij op het verzoek beslist.16 Voor de beoordeling of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, gelden de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad.17 Als uitgangspunt geldt een redelijke termijn van twee jaar en het tarief van € 500 per half jaar.

2.21.

Het bezwaarschrift is op 22 mei 2019 ingediend. De uitspraak op bezwaar is op 19 mei 2020 verzonden. De uitspraak van de rechtbank wordt op 9 juni 2022 gedaan en dus afgerond 37 maanden na indiening van het bezwaarschrift. Daarmee is de redelijke termijn van twee jaar overschreden met 13 maanden. Belanghebbende heeft daarom recht op een immateriëleschadevergoeding van € 1.500. De overschrijding die moet worden toegerekend aan de bezwaarfase bedraagt afgerond 6 maanden, waardoor de vergoeding over de bezwaarfase afgerond € 692 bedraagt. De vergoeding voor de beroepsfase bedraagt de resterende € 808. De rechtbank heeft de minister in zoverre mede aangemerkt als partij in dit geding.

Proceskostenvergoeding en griffierecht

2.22.

De rechtbank vindt aanleiding om de inspecteur en de minister, ieder voor de helft, te veroordelen, in verband met de toekenning van de immateriëleschadevergoeding, in de kosten die belanghebbende in verband met behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, en dat die omstandigheden aanleiding geven tot een vergoeding van € 75 voor de beroepsfase. De rechtbank verwijst daartoe naar de overwegingen in de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 oktober 2019.18

2.23.

De rechtbank ziet geen gronden voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten van belanghebbende, ook niet op grond van het Unierecht.19

2.24.

Daarnaast dient de inspecteur en de minister ieder voor de helft het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 178 aan hem te vergoeden.

Rente

2.26.

Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente, naar de rechtbank begrijpt niet alleen ter zake van het griffierecht, maar ook in verband met de proceskostenvergoeding en de immateriëleschadevergoeding. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat beslist is dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien de immateriëleschadevergoeding, het griffierecht en/of de proceskostenvergoeding niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.20 Er is geen aanleiding – ook niet met betrekking tot de vergoeding van het griffierecht – de rente op een eerder moment te laten ingaan.21

Tot slot

2.27.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien tot het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank verwijst daartoe naar de overweging 2.40 in haar eerdere uitspraak van 11 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2572, die hier als herhaald en ingelast kan worden beschouwd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier, op 9 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.