Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-07-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:3944, BRE-22-337

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-07-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:3944, BRE-22-337

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22 juli 2022
Datum publicatie
26 juli 2022
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:3944
Zaaknummer
BRE-22-337

Inhoudsindicatie

8:54, beroep niet-ontvankelijk, overschrijding van de beroepstermijn

Uitspraak

Belastingrecht

zaaknummers: BRE 22/337 en 22/338

en

Procesverloop

Belanghebbende heeft bij brief van 27 november 2021, ontvangen door het Openbaar Ministerie te Utrecht op 30 november 2021, gereageerd op de uitspraken op bezwaar van de heffingsambteanaar en een ander opgelegde sanctie vanwege een parkeerverbod. De officier van justitie heeft de brief, voor het gedeelte van de naheffingsaanslagen, doorgezonden naar de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft de brief aangemerkt als een beroepschrift en doorgezonden naar de rechtbank, omdat de rechtbank bevoegd is het beroepschrift te behandelen.

Het beroep is gericht tegen de uitspraken op bezwaar van verweerder van 21 mei 2021 en 4 juni 2021 (de bestreden uitspraken op bezwaar) betreffende de naheffingsaanslagen parkeerbelasting met aanslagnummers 130321130736200016 (zaaknummer BRE 22/337) en 221220120426200016 (zaaknummer BRE 22/338).

Overwegingen

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.

Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.

Vast staat dat de dagtekeningen van de uitspraken op bezwaar 21 mei 2021 en 4 juni 2021 zijn. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 2 juli 2021 en 16 juli 2021.

Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan – in dit geval het Openbaar Ministerie – is bepalend voor de beoordeling van de tijdigheid van het beroepschrift (artikel 6:15, derde lid, van de Awb). Het beroepschrift is op 30 november 2021 ontvangen. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.

Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Na het ontvangen van de naheffingsaanslagen (boete) en het afgewezen bezwaar wilde belanghebbende het er maar bij laten zitten. Na het ontvangen van een derde 'boete' zag belanghebbende wel aanleiding om alsnog beroep in te stellen. Mede door onduidelijke bebording en parkeeraanwijzingen had belanghebbende het idee dat er iets niet klopte aan de rechtmatigheid van de boet(s). Dat is geen verontschuldiging voor dit verzuim.

Wat belanghebbende aanvoert komt erop neer dat belanghebbende binnen de beroepstermijn geen reden had om beroep in te stellen. Die omstandigheid kan de termijnoverschrijding echter niet verschoonbaar maken. Bij verschoonbaarheid gaat het namelijk – voor zover hier van belang – om gevallen waarin de belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was om tijdig een beroepschrift in te dienen.

Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 22 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier,

De rechter,

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?