Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19-07-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:3951, BRE 21/1512

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19-07-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:3951, BRE 21/1512

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19 juli 2022
Datum publicatie
22 juli 2022
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:3951
Zaaknummer
BRE 21/1512

Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV en aanslag Zvw conform de ingediende aangifte, en niet tot te hoge bedragen opgelegd. Belanghebbende uit geen concrete bezwaren tegen de opgelegde aanslagen. Beroep ongegrond.

Uitspraak

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 21/1512

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2022 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] ,

Belanghebbende,

en

De inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 1 maart 2021.

1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.

1.3.

Het bezwaar van belanghebbende tegen die aanslag heeft de inspecteur ongegrond verklaard.

1.4.

Vervolgens heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend en aanvullende stukken toegezonden. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende was niet aanwezig (zie 3.1).

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende staat voor de periode [periode] 2017 in de basisregistratiepersonen (brp) ingeschreven op een adres in Nederland.

2.2.

Door middel van een aan hem uitgereikt aangiftebiljet voor buitenlands belastingplichtigen heeft belanghebbende aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 gedaan.

2.3.

De inspecteur heeft overeenkomstig de ingediende aangifte de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 opgelegd.

2.4

In bezwaar is de aanslag gehandhaafd.

3 Beoordeling door de rechtbank

Zitting

3.1.

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 26 april 2022 aan het door hem opgegeven adres, onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Omdat de genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL blijkt dat de brief op 28 april 2022 aan hem is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende op juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.

De aanslag IB/PVV

3.2.

De rechtbank heeft beoordeeld of de inspecteur de aanslag IB/PVV tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. De aanslag is opgelegd conform de door belanghebbende ingediende aangifte en daarbij is uitgegaan van de in die aangifte vermelde perioden van belasting- en premieplicht. Voor wat betreft de belastingplicht komt die periode globaal overeen met de periode van inschrijving in Nederland. Voor wat betreft de premieplicht lijkt de aanslag zelfs te laag, omdat is uitgegaan van een kortere periode dan de periode waarin belanghebbende was ingeschreven in Nederland.

3.3

Aangezien uit de door belanghebbende ingebrachte stukken overigens niet concreet naar voren komt wat zijn bezwaren zijn tegen de opgelegde aanslag, is er geen reden voor vermindering van die aanslag. Datzelfde geldt voor de over 2017 opgelegde aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor zover het beroep daar betrekking op heeft, omdat ook die aanslag conform de aangifte is opgelegd.

4 Conclusie en gevolgen

5 Beslissing