Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-02-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:656, BRE 20/8516 t/m 20/8519, 20/8806 en 20/8808

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-02-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:656, BRE 20/8516 t/m 20/8519, 20/8806 en 20/8808

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10 februari 2022
Datum publicatie
8 maart 2022
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:656
Zaaknummer
BRE 20/8516 t/m 20/8519, 20/8806 en 20/8808

Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Uitspraak

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 20/8516 tot en met 20/8519, BRE 20/8806 en BRE 20/8808

uitspraak van 10 februari 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

BRE 20/8516

- De uitspraak van de inspecteur van 19 augustus 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2014, de daarbij opgelegde verzuimboete en de gelijktijdig in rekening gebrachte belastingrente.

BRE 20/8517

- De uitspraak van de inspecteur van 18 augustus 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het jaar 2014 en de gelijktijdig in rekening gebrachte belastingrente.

BRE 20/8518

- De uitspraak van de inspecteur van 18 augustus 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015, de daarbij opgelegde verzuimboete en de gelijktijdig in rekening gebrachte belastingrente.

BRE 20/8519

- De uitspraak van de inspecteur van 18 augustus 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw voor het jaar 2015 en de gelijktijdig in rekening gebrachte belastingrente.

BRE 20/8806

- De uitspraak van de inspecteur van 27 augustus 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 en de gelijktijdig in rekening gebrachte belastingrente.

BRE 20/8808

- De uitspraak van de inspecteur van 27 augustus 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw voor het jaar 2016 en de gelijktijdig in rekening gebrachte belastingrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2022 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, ter bijstand vergezeld van

[naam] en [naam] , en namens de inspecteur, [inspecteur] en

[inspecteur] .

1 Beslissing

Ten aanzien van het jaar 2014 (IB en Zvw):

De rechtbank:

-

verklaart het beroep tegen de afwijzing van de ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV gegrond voor zover dit ziet op de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek;

-

vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek;

-

stelt de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek per 31 december 2014 vast op € 1.525;

-

verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Ten aanzien van het jaar 2015 (IB en Zvw):

De rechtbank:

-

verklaart het beroep tegen de afwijzing van de ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV gegrond voor zover dit ziet op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen en de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek;

-

vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen en de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek;

-

vermindert de aanslag IB/PVV tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;

-

stelt de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek per 31 december 2015 vast op € 1.525;

-

verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Ten aanzien van het jaar 2016 (IB en Zvw):

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Ten aanzien van het griffierecht:

De rechtbank gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal € 96 aan hem vergoedt.

2 Gronden

Vooraf:

2.1.

Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende [naam] (de getuige) opgeroepen om als getuige ter zitting te verschijnen. De getuige heeft per brief van 12 januari 2022 aan belanghebbende en aan de rechtbank kenbaar gemaakt geen gehoor te zullen geven aan de oproep van belanghebbende. De getuige is niet ter zitting verschenen. Belanghebbende heeft de rechtbank niet verzocht om de getuige alsnog op te roepen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding de getuige op te roepen, omdat belanghebbende niet gespecificeerd heeft ten aanzien van welke feitelijke stellingen deze getuige zou kunnen verklaren.

Inhoudelijk:

2.2.

Belanghebbende heeft geen fiscaal partner. Belanghebbende en zijn ex-echtgenote hebben vóór 2013 een verzoek tot echtscheiding ingediend en zijn in 2013 duurzaam gescheiden gaan leven. In 2013 hebben zij hun afspraken over de verdeling van de huwelijkse gemeenschap vastgelegd in een echtscheidingsconvenant.

2.3.

Belanghebbende heeft een eigen woning. Tot op heden zijn belanghebbende en zijn ex-echtgenote hoofdelijk aansprakelijk voor de (hypothecaire) schulden die rusten op deze woning. Alle betalingen met betrekking tot de woning komen voor rekening van belanghebbende.

2.4.

Belanghebbende is eigenaar van een eenmanszaak en opereert onder diverse handelsnamen.

2.5.

Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn herinnerd en aangemaand, niet binnen de wettelijke termijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 en 2015 gedaan. De inspecteur heeft daarom het inkomen van belanghebbende in 2014 en 2015 als volgt geschat:

2014

2015

Belastbaar inkomen uit werk en woning

21.603

19.000

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

1.420

1.643

Daarnaast heeft de inspecteur voor beide jaren aan belanghebbende een verzuimboete van € 369 opgelegd.

2.6.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt door alsnog aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 en 2015 in te dienen. Het bezwaar heeft geleid tot een ambtshalve vermindering van de aanslagen. Vervolgens is een beroepsprocedure gevoerd. Daarin is geconcludeerd dat belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt. Verder heeft de inspecteur toegezegd zijn ambtshalve beoordeling te heroverwegen.

2.7.

De inspecteur heeft vervolgens de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2014 en 2015 als volgt nader ambtshalve verminderd:

2014

2015

Winst uit onderneming

21.603

19.000

Af: zelfstandigenaftrek

-/- 7.280

-/- 7.280

Af: niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek

(i)-/- 14.323

(ii)-/- 6.789

Af: afronding winst tot nihil

-/- 4.931

Winst uit onderneming na ondernemersaftrek

0

0

Bij: ontvangen alimentatie

0

0

Af: saldo eigen woning

-/- 6.915

-/- 8.585

Belastbaar inkomen uit werk en woning

-6.915

-8.585

Inkomen uit sparen en beleggen

715

987

Af: (restant) persoonsgebonden aftrek

715

183

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

0

804

(i) 2011: € 7.869 en 2012: € 6.454

(ii) 2012: € 826 en 2013: € 5.963

De verzuimboetes heeft de inspecteur in stand gelaten.

2.8.

De inspecteur heeft voor wat betreft de aanslagen Zvw voor de jaren 2014 en 2015 de bijdrage-inkomens verminderd naar nihil. De belastingrente heeft hij als gevolg hiervan voor beide jaren gewijzigd naar een te ontvangen bedrag van € 15.

2.9.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2016 een aangifte IB/PVV ingediend en daarin een bedrag van € 39.242 aan niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek opgenomen. Bij het opleggen van de aanslag is de inspecteur afgeweken van de aangifte en heeft hij geen aftrek voor niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek toegestaan.

2.10.

In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2014, 2015 en 2016, alsmede de opgelegde verzuimboetes, niet naar te hoge bedragen zijn vastgesteld.

De aanslagen IB/PVV 2014 en 2015

2.11.

De rechtbank merkt op dat in dit geval sprake is van een beoordeling van bezwaren tegen afwijzingen van verzoeken om ambtshalve vermindering. Dat betekent dat als uitgangspunt op belanghebbende de last rust om aannemelijk te maken dat de aanslagen naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. Dit impliceert een actieve houding van belanghebbende – omdat hij dus de bewijslast heeft – om aannemelijk te maken dat een bepaalde toedracht de meest waarschijnlijke toedracht is. ‘Aannemelijk maken’ is een zwakkere vorm van bewijslast. De vraag hier is echter of belanghebbende met deze vorm van bewijslast kan volstaan. De rechtbank gaat daar nu op in.

2.12.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende moet voldoen aan een zwaardere vorm van bewijslast; de omkering en verzwaring van de bewijslast. De reden hiervan is dat volgens de inspecteur de aangiften niet op tijd zijn gedaan.

2.13.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de aangiften niet op tijd heeft ingediend. Op grond van de wet zijn dan niet de vereiste aangiften gedaan.

Op het niet doen van de vereiste aangifte rust een bewijsrechtelijke sanctie. Die sanctie is dat belanghebbende niet langer kan volstaan met het ‘aannemelijk maken’ dat de aanslagen naar te hoge bedragen zijn vastgesteld (de zwakkere vorm van bewijslast). Belanghebbende moet in dat geval ‘doen blijken’ dat de aanslagen naar te hoge bedragen zijn vastgesteld.1 Dat betekent dat de juistheid van de door belanghebbende aangegeven inkomens niet in twijfel moet kunnen worden getrokken. ‘Doen blijken’ is een zwaardere vorm van bewijslast. Anders dan belanghebbende stelt, is het daarom niet onredelijk dat de inspecteur belanghebbende heeft verzocht de volledige administratie te overleggen. Belanghebbende heeft dat echter niet gedaan, omdat hij dat niet proportioneel acht. Welke gevolgen dat heeft komt hierna aan de orde. Eerst zal de rechtbank beoordelen of de schatting van de inspecteur redelijk is. De inspecteur mag namelijk in het geval dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast de aanslagen opleggen op basis van een redelijke schatting van de belastbare inkomens.

2.14.

De inspecteur kan in een situatie van omkering en verzwaring van de bewijslast niet zomaar het inkomen schatten. Dat zou willekeur met zich brengen. De schatting van de inspecteur moet redelijk zijn. 2 De inspecteur moet zijn schatting dus wel op feitelijke aanknopingspunten baseren. De schatting moet op die grond de redelijkheidstoets kunnen doorstaan. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng.3

2.15.

De inspecteur heeft het belastbare inkomen uit werk en woning geschat op € -6.915 voor het jaar 2014 en op € -8.585 voor het jaar 2015. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen heeft hij voor het jaar 2014 op nihil geschat en voor het jaar 2015 op € 804 (zie 2.7). De inspecteur heeft zich daarbij gebaseerd op de gegevens uit de aangiften omzetbelasting die belanghebbende zelf heeft ingediend. Ook heeft hij zich gebaseerd op de omstandigheid dat belanghebbende rente-uitgaven in verband met hypotheeklasten moet voldoen. De daarop gebaseerde schattingen van de inspecteur komen de rechtbank niet onredelijk voor. Dat belanghebbende een minimale levensstandaard heeft wordt niet weersproken door de inspecteur. De rechtbank heeft ook geen reden om daaraan te twijfelen. Dat betekent echter niet dat de schatting van de inspecteur onredelijk is. Die is namelijk gebaseerd op objectieve informatie over (een deel van de) inkomsten en uitgaven van belanghebbende. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de inspecteur hypotheekrenteaftrek heeft toegestaan voor alle rente die belanghebbende aan de bank heeft betaald. Dit terwijl op het deel van de schulden die zijn overgenomen van de ex-echtgenote niet wordt afgelost. Die schulden kwalificeren op grond van de wettelijke bepalingen niet als eigenwoningschulden.4 Voor dat deel van de schulden bestaat dus geen recht op hypotheekrenteaftrek.

2.16.

Vervolgens komt aan de orde of belanghebbende kan weerleggen dat de redelijke schatting niet klopt. Daarvoor geldt de zwaardere vorm van bewijslast. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt belanghebbende daar niet in. Belanghebbende stelt dat uit zijn administratie een ander ondernemingsresultaat volgt en dat die administratie zeer nauwkeurig is bijgehouden. De inspecteur heeft tijdens de bezwaarprocedure verzocht om de administratie op te sturen, maar dat heeft belanghebbende geweigerd. De reden daarvan is dat belanghebbende het overleggen van de hele administratie disproportioneel vindt gelet op de omvang daarvan. Ook tijdens de beroepsprocedure heeft belanghebbende de administratie niet overgelegd. Belanghebbende heeft zijn administratie meegenomen naar de zitting, maar heeft niet verzocht om deze over te leggen. De rechtbank overweegt in dat verband dat als belanghebbende dat wel had gedaan, de rechtbank de stukken buiten beschouwing had gelaten. Om de stukken alsnog mee te nemen zou namelijk volgens de rechtbank in strijd zijn met de goede procesorde. Op de zitting kan namelijk niet een hele administratie worden bekeken. Zowel partijen als de rechter moeten daar de tijd voor krijgen.

Deze gang van zaken leidt tot het oordeel dat belanghebbende niet het (verzwaarde) bewijs heeft geleverd dat van hem verlangd wordt. Uit de informatie die de rechtbank wel heeft ontvangen van belanghebbende kan niet worden opgemaakt dat de aanslagen te hoog zijn. Die informatie biedt namelijk geen sluitend inzicht in het ondernemingsresultaat.

2.17.

De slotsom is dat belanghebbende grotendeels ongelijk krijgt. Op een paar punten is sprake van een gegrond beroep. Dat komt omdat de inspecteur tijdens de beroepsprocedure nadere standpunten heeft ingenomen die ertoe leiden dat onderdelen van de uitspraken op bezwaar niet juist zijn. Het gaat dan om de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek (deze is vastgesteld op € 1.525 op zowel 31 december 2014 als op 31 december 2015) en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor het jaar 2015 (dit is verminderd naar nihil). De overige elementen van de aanslagen IB/PVV 2014 en 2015 zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht en niet naar te hoge bedragen vastgesteld.

De verzuimboetes

2.18.

De inspecteur heeft de verzuimboetes in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen opgelegd.5 Tussen partijen is niet in geschil dat de boetes terecht zijn opgelegd, omdat belanghebbende de aangiften te laat heeft ingediend. De rechtbank acht de boetes ook passend en geboden. Boetematigende omstandigheden zijn door belanghebbende niet gesteld.

De aanslagen Zvw 2014 en 2015

2.19.

Voor wat betreft de aanslagen Zvw voor de jaren 2014 en 2015 is niet in geschil dat deze terecht op nihil zijn vastgesteld. De aanslagen kunnen niet lager dan op nihil worden vastgesteld. De beroepen zijn in zoverre daarom ongegrond verklaard.

De aanslagen IB/PVV en Zvw 2016

2.20.

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslagen voor het jaar 2016 naar te hoge bedragen zijn vastgesteld, omdat belanghebbende recht zou hebben op een hoger bedrag aan niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek. Het antwoord van deze vraag hangt mede af van de uitkomst van de procedures met betrekking tot de jaren 2014 en 2015.

2.21.

Uit deze procedures volgt dat de inspecteur de in aftrek gebrachte niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek in die beide jaren niet te hoog heeft vastgesteld. De inspecteur heeft verder een opstelling van het verloop van de zelfstandigenaftrek vanaf het jaar 2011 overgelegd. Hieruit volgt dat de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek voor het jaar 2016 nihil is. Belanghebbende heeft de juistheid van de door de inspecteur gemaakte opstelling niet weersproken. Ook is geen onderbouwing overgelegd van het door hem bepleite bedrag aan niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek. Dat betekent dat voor het jaar 2016 niet het door belanghebbende bepleite bedrag aan niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek in aftrek kan komen. De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank het bedrag aan niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek in 2016 dan ook terecht op nihil vastgesteld. Belanghebbende heeft als gevolg daarvan geen recht op een verlaging van de aanslagen. De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard.

Belastingrente

2.22.

De beroepen worden mede geacht betrekking te hebben op de beschikkingen belastingrente. Omdat de aanslag IB/PVV 2015 wordt verminderd voor wat betreft het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, is de desbetreffende beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Voor het overige heeft belanghebbende geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de beschikkingen belastingrente. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de belastingrente overigens onjuist is berekend. Om die reden zijn de beroepen in zoverre ook ongegrond.

Vergoeding griffierecht en proceskosten

2.23.

De rechtbank ziet – gelet op wat is overwogen in 2.17 – aanleiding de inspecteur te gelasten dat hij het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 96 (2 x € 48) aan hem vergoedt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 10 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.