Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-02-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:657, BRE 20/9111

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-02-2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:657, BRE 20/9111

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10 februari 2022
Datum publicatie
4 maart 2022
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:657
Zaaknummer
BRE 20/9111

Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Uitspraak

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/9111

uitspraak van 10 februari 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats 1] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 11 september 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de teruggaafbeschikking omzetbelasting voor het tijdvak 4 september 2019 tot en met 31 december 2019 (nummer [nummer] ).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2022 te Breda.

Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [inspecteur] .

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 23 november 2021 aan de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde] , verbonden aan [bedrijf] , op het adres [adres 2] te [plaats 2] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende noch haar gemachtigde is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 24 november 2021 aan de gemachtigde op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft op 24 april 2018 een perceel grond gekocht, gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] . Hierop heeft belanghebbende een woning laten bouwen (de woning). Vanaf 2 november 2019 bewoont belanghebbende de woning.

2.2.

Op het dak van de woning zijn niet-geïntegreerde zonnepanelen geplaatst. Blijkens de door belanghebbende overgelegde factuur is voor de aanschaf en plaatsing van de zonnepanelen € 750,75 aan omzetbelasting in rekening gebracht.

2.3.

Belanghebbende gebruikt de zonnepanelen voor het opwekken van energie. Voor zover zij de energie niet zelf gebruikt, levert zij deze terug aan een energiemaatschappij waarvoor zij een vergoeding ontvangt. De zonnepanelen hebben niet de functie van dakbedekking.

2.4.

Belanghebbende heeft een aangifte omzetbelasting voor startende ondernemers gedaan. Hierin heeft zij een bedrag aan te betalen omzetbelasting van € 80 en een bedrag aan voorbelasting van € 12.149 opgenomen. Belanghebbende verzoekt zodoende om een teruggaaf van omzetbelasting van € 12.069.

2.5.

Belanghebbende is uitsluitend op basis van de exploitatie van de zonnepanelen ondernemer voor de omzetbelasting.

2.6.

De inspecteur heeft bij beschikking een teruggaaf van omzetbelasting verleend van € 750.

2.7.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het bezwaar van belanghebbende richt zich op het deel van de omzetbelasting dat volgens belanghebbende aan haar in rekening is gebracht in verband met de bouw van de woning.

2.8.

In geschil is het antwoord op de vraag of en zo ja voor welk bedrag belanghebbende recht heeft op teruggaaf van het deel van de omzetbelasting dat aan haar in rekening is gebracht in verband met de bouw van de woning.

2.9.

Ter zake de bouwkosten van de woning heeft belanghebbende in beginsel alleen recht op aftrek van voorbelasting indien sprake is van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de levering van de energie via de zonnepanelen en de bouw van de woning. De rechtbank leidt uit het arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021 af dat, of hiervan sprake is ingeval van een woning, die zowel naar diens aard voor economische doeleinden als voor privédoeleinden kan worden gebruikt, het aan belanghebbende is om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting door de inspecteur, aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden aangenomen dat de uitgave haar uitsluitende oorzaak vindt in de belastbare activiteit ondanks het privégebruik van het goed en ongeacht de mate van dat privégebruik.1

2.10.

Belanghebbende stelt – naar de rechtbank begrijpt – dat het rechtstreekse en onmiddellijke verband tussen de bouw van de woning en de onderneming bestaat uit de exploitatie van de zonnepanelen. Volgens belanghebbende is de woning gebouwd met het oogmerk om elektriciteit op te wekken en te leveren en daarmee de economische activiteit mogelijk te maken. Belanghebbende wijst in dat verband op de dragende constructie van de woning ten behoeve van de zonnepanelen.

De inspecteur betwist dat sprake is van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de bouw van de woning en de levering van energie. Bovendien heeft belanghebbende volgens de inspecteur, nu zij enkel de factuur van de zonnepanelen heeft overgelegd, überhaupt niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op aftrek van voorbelasting van kosten die zien op de bouw van de woning.

2.11.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gestelde bouwkosten van de woning uitsluitend zijn gemaakt ten behoeve van het met zonnepanelen opwekken en tegen vergoeding leveren van energie. De rechtbank neemt in aanmerking dat belanghebbende geen facturen heeft overgelegd die zien op de bouwkosten van de woning, of anderszins de gestelde bouwkosten heeft onderbouwd. Ervan uitgaande dat de door belanghebbende gestelde kosten inderdaad zien op de bouw van de woning, dan acht de rechtbank het veeleer aannemelijk dat belanghebbende deze kosten hoe dan ook zou hebben gemaakt, ook wanneer zij de zonnepanelen niet zou hebben aangeschaft. Het bedoelde rechtstreekse en onmiddellijke verband tussen de levering van energie via zonnepanelen en de bouw van de woning is dus niet aanwezig. Dat belanghebbende bij de bouw van de woning rekening heeft gehouden met het (over)produceren van energie door de constructie van de woning dragend te maken doet daar, ook als die stelling klopt, niet aan af.

2.12.

Gelet op wat hiervoor is overwogen is het gelijk aan de inspecteur. Belanghebbende heeft, zoals de inspecteur in de beschikking terecht heeft vastgesteld, uitsluitend recht op teruggaaf van omzetbelasting van de kosten van de zonnepanelen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

2.13.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 10 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.