Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 01-10-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6967, C/02/439259 / KG ZA 25-447 (E)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 01-10-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6967, C/02/439259 / KG ZA 25-447 (E)

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
1 oktober 2025
Datum publicatie
22 oktober 2025
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2025:6967
Zaaknummer
C/02/439259 / KG ZA 25-447 (E)

Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Vaststellingsovereenkomst aangehecht aan proces-verbaal. Is sprake van een executoriale titel voor de boetes?

Uitspraak

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/439259 / KG ZA 25-447

Vonnis in kort geding van 1 oktober 2025

in de zaak van

STIPT POLISH POINT B.V.,

statutair gevestigd te Vught, kantoorhoudende te Best,

eisende partij,

hierna te noemen: Stipt,

advocaat: mr. J.A.A. van der Weijst,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. H.L.J.M. van Grinsven.

1 De zaak in het kort

Stipt en [gedaagde] hebben in een eerdere procedure ter beëindiging van hun geschil een vaststellingsovereenkomst gesloten die is aangehecht aan het proces-verbaal van de zitting. In die vaststellingsovereenkomst zijn boetes opgenomen voor het geval er na het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst nog content over [gedaagde] of zijn auto online te vinden was. Volgens [gedaagde] is dit het geval en hij heeft vervolgens verschillende executoriale beslagen gelegd om de boetes te innen. Stipt betwist dat sprake is van een overtreding, althans dat [gedaagde] een belang heeft, en stelt dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Stipt wil daarom dat de executie wordt gestaakt. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van Stipt afwijzen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dit oordeel uit.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 14;

- de brief van mr. Van der Weijst van 18 september 2025 met USB-stick;- de akte in het geding brengen producties van [gedaagde] met producties 1 tot en met 4;

- de producties 5 tot en met 8 van [gedaagde] ;- de mondelinge behandeling van 23 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitnota van Stipt;- de pleitnota van [gedaagde] met opschrift ‘conclusie van antwoord’.

3 De feiten

3.1.

Op 25 maart 2025 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten in verband met een tussen hen gerezen geschil over werkzaamheden van Stipt aan de auto van [gedaagde] , een Mercedes. Over dit geschil was een rechtszaak aanhangig bij de kantonrechter van deze rechtbank. De vaststellingsovereenkomst is opgesteld door de advocaat van [gedaagde] , mr. Van Grinsven. Stipt werd bijgestaan door haar jurist, mr. Dolstra.

3.2.

In artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst is het volgende opgenomen:

7. Geheimhouding

7.1

Partijen betrachten omtrent deze Vaststellingsovereenkomst strikte geheimhouding, op straffe van verbeurte van een direct opeisbare geldboete van € 25.000,00 bij iedere overtreding van deze verplichting

7.2.

Dat betekent derhalve dat Stipt en [naam 2] zich ook geheel zullen onthouden van het maken van content op sociale media en/of enige website over het Voertuig en over [gedaagde] . De reeds online geplaatste content zal per direct verwijderd worden door/namens Stipt en/of [naam 2] .

3.3.

Uit een e-mail van mr. Dolstra van 7 mei 2025 aan de kantonrechter volgt dat partijen deze vaststellingsovereenkomst wilden laten vastleggen in een proces-verbaal. In de e-mail heeft mr. Dolstra onder meer geschreven dat er echter volgens Stipt nog een geschilpunt resteert:

Mr. Van Grinsven heeft op 3 april jl. bevestigd dat partijen uitvoering hebben gegeven aan de vaststellingsovereenkomst. Stipt heeft derhalve ook uitvoering gegeven aan het verwijderen van alle in de VSO bedoelde content van haar online kanalen en zal geen nieuwe content plaatsen. Indien Stipt tóch nieuwe content plaatst, kan de heer [gedaagde] Stipt houden aan het overeengekomen boetebeding.

Stipt heeft echter van [gedaagde] gevraagd om te bevestigen dat inderdaad alle oude content van Stipt is verwijderd en dat [gedaagde] Stipt enkel en alleen zal houden aan het boetebeding indien Stipt na ondertekening van de VSO nieuwe content over het voertuig van [gedaagde] plaatst. [gedaagde] , althans mr. Van Grinsven, weigert deze bevestiging echter te geven, waardoor Stipt gegronde vrees heeft dat zij – ondanks de bevestiging van mr. Van Grinsven dat

partijen reeds uitvoering gegeven hebben aan de VSO – ineens gehouden zal worden aan het boetebeding. Het wordt namelijk geïnsinueerd door mr. Van Grinsven dat Stipt tóch online aandacht aan het voertuig wil geven (en daar zelfs al mee bezig zou zijn), terwijl dat nadrukkelijk niet het geval is. Voorgaande stelling zijdens [gedaagde] bevestigt voornoemde gegronde vrees van Stipt. Met de stelling dat Stipt al bezig zou zijn met het plaatsen van

online content (quod non!) is het immers met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat mr. Van Grinsven betaling van het boetebeding onterecht zal afdwingen bij Stipt, nadat een en ander in een proces-verbaal is vastgelegd.

Stipt zou vanwege het voorgaande ondubbelzinnig in het proces-verbaal opgenomen willen hebben dat, zoals mr. Van Grinsven heeft bevestigd, partijen per datum ondertekening VSO uitvoering hebben gegeven aan gemaakte afspraken, hetgeen inhoudt dat beide partijen erkennen dat Stipt per datum ondertekening VSO alle bedoelde content van haar social mediakanalen heeft verwijderd en [gedaagde] Stipt niet zal houden aan het boetebeding van artikel 7.2, tenzij Stipt ná de ondertekendatum nieuwe content van het voertuig online zal plaatsen.

Dit om te voorkomen dat Stipt achteraf zal worden gehouden aan een boetebeding, terwijl zij zich naar eer en geweten aan de VSO heeft geconformeerd. (...)”

3.4.

De kantonrechter heeft vervolgens een zitting bepaald op 30 juni 2025 om de vastlegging van de vaststellingsovereenkomst in een proces-verbaal met partijen te bespreken. Tijdens die zitting hebben partijen ermee ingestemd dat de op 25 maart 2025 gesloten vaststellingsovereenkomst aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling wordt gehecht. Een grosse van dit proces-verbaal is aan partijen verstrekt.

3.5.

In een proces-verbaal van constatering van 3 juli 2025 heeft de deurwaarder geschreven dat hij heeft geconstateerd dat op Facebook nog een filmpje stond, geplaatst op 10 juli 2024, met als titel ‘[titel 1]’. Daarnaast heeft de deurwaarder op YouTube een short gevonden met de titel ‘[titel 2]’, geplaatst op 10 april 2025.

3.6.

Op 4 juli 2025 heeft de deurwaarder het proces-verbaal van 30 juni 2025 samen met het proces-verbaal van constatering van 3 juli 2025 betekend aan Stipt met een bevel om twee keer een boete van € 25.000,00 te betalen.

3.7.

Na het bezoek op 4 juli 2025 van de deurwaarder aan Stipt, heeft Stipt de gevonden filmpjes op YouTube en Facebook diezelfde dag verwijderd.

3.8.

Op 9 juli 2025 heeft mr. Dolstra een telefonisch gesprek gevoerd met [gedaagde] . In dat gesprek heeft [gedaagde] onder meer gezegd dat hij op de zitting van 30 juni 2025 een stille hint heeft gegeven dat er nog content op internet stond.

3.9.

Bij brief van 11 juli 2025 heeft de advocaat van Stipt de buitengerechtelijke vernietiging van artikel 2.1 sub v en artikel 7.2 van de vaststellingsovereenkomst ingeroepen vanwege dwaling.

3.10.

Op 18 juli 2025 heeft de deurwaarder opnieuw een proces-verbaal van constatering opgesteld. De deurwaarder constateert dat bij een zoekopdracht in Google op ‘[titel 1]’ afbeeldingen naar boven komen. Eveneens op 18 juli 2025 heeft de deurwaarder het proces-verbaal van 30 juni 2025, alsmede de beide processen-verbaal van constatering betekend aan Stipt met een bevel om (in totaal) driemaal de boete van € 25.000,00 te betalen.

3.11.

[gedaagde] heeft ten laste van Stipt executoriaal derdenbeslag laten leggen onder ING Bank N.V., [B.V. 1] en [B.V. 2] . Het beslag onder ING Bank N.V. heeft een saldo van € 1.135,79 getroffen.

4 Het geschil

5 De beoordeling

6 De beslissing