Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-12-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9168, BRE 24/2670
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-12-2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9168, BRE 24/2670
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 22 december 2025
- Datum publicatie
- 30 december 2025
- Zaaknummer
- BRE 24/2670
- Relevante informatie
- Art. 7:15 Awb, Art. 8:54 Awb
Inhoudsindicatie
8:54, proceskostenvergoeding toegewezen, gegrond
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/2670
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),
en
de heffingsambtenaar van Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 januari 2024 over de opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] .
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.1
Beoordeling door de rechtbank
2. De heffingsambtenaar heeft op 24 april 2024 de rechtbank en belanghebbende bericht dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] is vernietigd. De gronden van belanghebbende behoeven daarom geen behandeling meer. Dit betekent dat het beroep gegrond is.
Het geschil betreft uitsluitend het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase.
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. De rechtbank kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.2 De hoogte van de vergoeding is geregeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Is de heffingsambtenaar aan belanghebbende tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet beoordelen of de heffingsambtenaar geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is tegemoetgekomen.
Op 26 februari 2024 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van belanghebbende ongegrond is verklaard. De heffingsambtenaar heeft alsnog op 24 april 2024 de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd. Hiermee is de heffingsambtenaar tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende.
Moet de heffingsambtenaar de proceskosten van belanghebbende vergoeden in de bezwaarfase?
5. Bij een verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar geldt dat wanneer wordt tegemoetgekomen aan het bezwaar, er in beginsel van wordt uitgegaan dat sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid en reden bestaat om de gevraagde veroordeling uit te spreken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat een kostenveroordeling achterwege moet blijven, als uit de feiten en omstandigheden volgt dat van verwijtbare onrechtmatigheid van het in bezwaar bestreden primaire besluit geen sprake is.3 Uit het betaalbewijs dat gemachtigde in beroep heeft aangeleverd blijkt dat belanghebbende een verkeerd kenteken heeft ingevoerd. Van verwijtbare onrechtmatigheid van de heffingsambtenaar ten aanzien van het primaire besluit is dan ook geen sprake. Er bestaat daarom geen aanleiding voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
Moet de heffingsambtenaar de proceskosten van belanghebbende vergoeden in de beroepsfase?
6. Op 24 april 2024 is de heffingsambtenaar tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende. Als uitgangspunt bestaat dan recht op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Hiervan mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit het handelen van belanghebbende zelf.4 Het beroep is gegrond omdat de heffingsambtenaar na het ontvangen van het betaalbewijs aanleiding heeft gezien alsnog de naheffingsaanslag te vernietigen. Belanghebbende heeft dit bewijs niet in de bezwaarfase overgelegd en destijds ook niet bij de heffingsambtenaar kenbaar gemaakt dat onder vermelding van het verkeerde kenteken was betaald.
Naar het oordeel van de rechtbank vloeide de noodzaak om beroep in te stellen dan ook geheel voort uit het handelen van belanghebbende. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Moet de heffingsambtenaar het griffierecht vergoeden?
7. De heffingsambtenaar heeft het standpunt ingenomen dat vanwege de handelswijze van belanghebbende geen aanleiding bestaat om het griffierecht te vergoeden. De rechtbank overweegt dat indien aan het beroep wordt tegemoetgekomen, de heffingsambtenaar het griffierecht dient te vergoeden. De rechtbank zal de heffingsambtenaar daarom daartoe opdragen.