Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16-03-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1859, 25/4813
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16-03-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1859, 25/4813
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 16 maart 2026
- Datum publicatie
- 23 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1859
- Zaaknummer
- 25/4813
- Relevante informatie
- Art. 8:104 Awb, Art. 8:29 Awb, Art. 8:31 Awb
Inhoudsindicatie
Artikel 8:29 Awb. Afwijzing van het verzoek om geheimhouding (verzoek anoniem procederen).
Uitspraak
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/4813
beslissing van de enkelvoudige geheimhoudingskamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Duitsland), belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1 Het verzoek
De inspecteur heeft, in het verweerschrift met dagtekening 3 november 2025, een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan, door de inspecteur ook aangeduid als ‘verzoek anoniem te procederen’. In deze uitspraak spreekt de rechtbank van het verzoek van 3 november 2025.
De inspecteur heeft het verzoek van 3 november 2025 als volgt omschreven:
“Belanghebbende en haar partner volgen het soevereine gedachtegoed. Omdat mij in dit dossier een dreiging bekend is en hiermee dus de veiligheid van de medewerkers van de Belastingdienst in het geding is, doe ik ten aanzien van het mandaatbesluit een beroep op geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht. Indien de rechtbank dat wenst, kan ik het mandaatbesluit (uitsluitend) aan de rechtbank laten zien tijdens de mondelinge behandeling van de beroepszaak. Hierbij verzoek ik de rechtbank dan ook toe te staan, om in deze zaak anoniem te procederen. In dat verband wijs ik ook op de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 november 2024 (ECLI:NL:RBZWB:2024:7885) en de niet-gepubliceerde uitspraak van Rechtbank Gelderland met zaaknummers ARN 23/4518, 23/3879 en 23/3622.”
De rechtbank heeft het verweerschrift van de inspecteur bij brief van 3 november 2025 doorgestuurd naar belanghebbende. Bij brief van 3 november 2025 heeft de rechtbank belanghebbende verzocht te reageren op het verzoek om geheimhouding.
Belanghebbende heeft niet gereageerd op het verzoek om geheimhouding.
2 Overwegingen
Geen zitting
De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen.1
Kader voor beoordeling
Hetgeen is bepaald in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van (delen van) stukken te weigeren (geheimhouding) of de geheimhoudingskamer mede te delen dat uitsluitend de rechter die in de hoofdzaak beslist (de hoofdkamer) kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).
Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen. Ook indien een partij op grond van gewichtige redenen verzoekt dat een andere partij van persoonsgegevens van deze partij geen kennis mag nemen, handelt de rechtbank zoveel mogelijk overeenkomstig artikel 8:29 van de Awb.2
Vooraf
De geheimhoudingskamer merkt op dat belanghebbende nog een beroepszaak aanhangig heeft bij het cluster belastingrecht van de rechtbank, waaraan zaaknummer 24/6877 is toegekend.
In de hiervoor bedoelde zaak heeft de inspecteur eenzelfde verzoek gedaan. Dat verzoek heeft de geheimhoudingskamer bij beslissing van 3 november 2025 afgewezen. De geheimhoudingskamer heeft de inspecteur verzocht om binnen twee weken na verzending van de beslissing aan de rechtbank te berichten of hij bereid is de stukken ten aanzien waarvan het verzoek om geheimhouding is afgewezen in het geding te brengen en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van twee weken na verzending van de beslissing.
Bij brieven van 18 november 2025 en 28 januari 2026 heeft de inspecteur meegedeeld dat de namen van de inspecteurs ter zitting kenbaar zullen worden gemaakt en dat zij dus niet anoniem zullen procederen.
Beoordeling van het verzoek
De geheimhoudingskamer benoemt allereerst dat in zowel deze geheimhoudingsprocedure als in de hoofdzaak de verwerende partij de ‘inspecteur van de Belastingdienst’ is, aangeduid als ‘de inspecteur’. De inspecteur is een functienaam en deze rol wordt uitgevoerd door een individuele medewerker van de Belastingdienst die daartoe via mandaat bevoegd is (hierna aangeduid als: de procesvertegenwoordiger van de Belastingdienst).
Een bijzonderheid in deze geheimhoudingsprocedure is dat het verzoek van 3 november 2025 niet ziet op gedingstukken met betrekking tot het materiële geschil, maar ziet op de identiteit van de procesvertegenwoordiger van de Belastingdienst die de mondelinge behandeling in de hoofdzaak zal bijwonen en (het bewijs voor de juistheid van) diens mandaat. De geheimhoudingskamer heeft het mandaatbesluit niet kunnen beoordelen. De inspecteur heeft aangeboden dit (desgewenst) aan de rechtbank te laten zien (naar de rechtbank begrijpt) voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de beroepszaak. De geheimhoudingskamer overweegt dat de door de inspecteur voorgestelde handelswijze niet in overeenstemming is met artikel 2.8, vierde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken. De geheimhoudingskamer kan hierdoor niet vaststellen of de procesvertegenwoordiger(s) die namens de inspecteur ter zitting aanwezig zal/zullen zijn juist gemandateerd zijn en aldaar namens de inspecteur kan/kunnen optreden. Dan rijst de vraag hoe te handelen ten aanzien van het verzoek van 3 november 2025.
De geheimhoudingskamer acht zich ook zonder kennisname van het mandaatbesluit in staat om op het verzoek van 3 november 2025 te beslissen.
In het verzoek van 3 november 2025 stelt de inspecteur dat hem een dreiging in dit dossier bekend is. Deze dreiging wordt door de inspecteur niet geconcretiseerd. Uit de stukken in de hoofdzaak is de geheimhoudingskamer ook niet van een dreiging gebleken. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is de kale stelling van de inspecteur dát sprake is van een dreiging van onvoldoende gewicht om te concluderen dat ze opweegt tegen het belang van belastingplichtige om de handelwijze (inhoudende de juistheid van het mandaat) van een bestuursorgaan te kunnen toetsen. Ook bestaat geen aanleiding om aannemelijk te achten dat geen enkele medewerker van de Belastingdienst in staat moet worden geacht om de inspecteur te kunnen vertegenwoordigen. Ook in openbare bronnen vindt de rechtbank niet voldoende steun voor het standpunt van de inspecteur. Daarbij merkt de geheimhoudingkamer op dat in de Fenomeenanalyse soevereinbeweging in Nederland ‘Met de rug naar de samenleving’3 drie categorieën soevereinen worden onderscheiden en dat van slechts één daarvan daadwerkelijk dreiging uitgaat. Het is dus heel wel mogelijk dat belanghebbende tot één van de beide andere categorieën behoort. Gegeven de feiten en omstandigheden zoals ze thans zijn voorgelegd aan de geheimhoudingskamer, komt het verzoek van 3 november 2025 daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
Het voorgaande betekent dat het verzoek van 3 november 2025 wordt afgewezen.
De inspecteur wordt door de geheimhoudingskamer in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na verzending van deze beslissing schriftelijk aan de rechtbank mede te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de geheimhoudingskamer verbindt.4 Dit houdt in dat de inspecteur de keuze moet maken de beslissing van de geheimhoudingskamer (geheel) na te leven of dat niet (geheel) te doen, in welk laatste geval hij de uit toepassing van artikel 8:31 van de Awb mogelijkerwijs voortvloeiende consequenties daarvan zal moeten aanvaarden.5
Beslissing
De geheimhoudingskamer:
- -
-
wijst het verzoek van 3 november 2025 om geheimhouding af;
- -
-
verzoekt de inspecteur om binnen twee weken na verzending van deze beslissing aan de rechtbank te berichten of hij bereid is de stukken ten aanzien waarvan het verzoek om geheimhouding is afgewezen in het geding te brengen en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van twee weken na verzending van deze beslissing.
Deze beslissing is genomen door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 16 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.