Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15-01-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:186, 25/1572 t/m 25/1600
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15-01-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:186, 25/1572 t/m 25/1600
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 15 januari 2026
- Datum publicatie
- 23 januari 2026
- Zaaknummer
- 25/1572 t/m 25/1600
- Relevante informatie
- Art. 31a WKS, Art. 3 WKB, Art. 1 EP EVRM
Inhoudsindicatie
Artikel 3 Wet KSB. Bepalen van bruto spelresultaat bij online kansspelen.
Voor de grondslag voor de heffing van kansspelbelasting is terecht rekening gehouden met de bonussen die belanghebbende aan haar spelers heeft verstrekt. Weliswaar ontvangt belanghebbende bedrijfseconomisch bezien geen inzet, maar de wetgever heeft het begrip ‘ontvangen inzetten’ bewust niet (enkel) bedrijfseconomisch opgevat. De waarde van een bonus is voor de heffing van kansspelbelasting gelijk aan de nominale waarde waarvoor de speler deze kan inzetten. Van schending van het gelijkheidsbeginsel, artikel 26 van het IVBPR en in artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM is geen sprake.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/1572 tot en met 25/1600
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 15 januari 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. T.J. Kok),
en
de inspecteur van de Belastingdienst.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 25 februari 2025.
Belanghebbende heeft voor de volgende tijdvakken tot de volgende bedragen kansspelbelasting op aangifte voldaan, aan welke zaken de rechtbank de volgende zaaknummers heeft toegekend:
|
Tijdvak |
Voldoening op aangifte |
Zaaknummer |
|
Maart 2022 |
€ 114.676 |
25/1572 |
|
April 2022 |
€ 938.521 |
25/1573 |
|
Mei 2022 |
€ 1.215.614 |
25/1574 |
|
Juni 2022 |
€ 824.028 |
25/1575 |
|
Juli 2022 |
€ 1.019.355 |
25/1576 |
|
Augustus 2022 |
€ 972.484 |
25/1577 |
|
September 2022 |
€ 952.517 |
25/1578 |
|
Oktober 2022 |
€ 1.073.574 |
25/1579 |
|
November 2022 |
€ 1.071.282 |
25/1580 |
|
December 2022 |
€ 1.059.547 |
25/1581 |
|
Januari 2023 |
€ 1.051.166 |
25/1582 |
|
Februari 2023 |
€ 947.508 |
25/1583 |
|
Maart 2023 |
€ 1.204.999 |
25/1584 |
|
April 2023 |
€ 1.135.856 |
25/1585 |
|
Mei 2023 |
€ 1.147.833 |
25/1586 |
|
Juni 2023 |
€ 1.103.146 |
25/1587 |
|
Juli 2023 |
€ 1.198.658 |
25/1588 |
|
Augustus 2023 |
€ 1.271.108 |
25/1589 |
|
September 2023 |
€ 1.193.151 |
25/1590 |
|
Oktober 2023 |
€ 1.001.128 |
25/1591 |
|
November 2023 |
€ 1.396.976 |
25/1592 |
|
December 2023 |
€ 1.537.413 |
25/1593 |
|
Januari 2024 |
€ 1.419.890 |
25/1594 |
|
Februari 2024 |
€ 1.176.742 |
25/1595 |
|
Maart 2024 |
€ 1.340.215 |
25/1596 |
|
April 2024 |
€ 1.407.623 |
25/1597 |
|
Augustus 2024 |
€ 1.342.805 |
25/1598 |
|
November 2024 |
€ 1.052.716 |
25/1599 |
|
December 2024 |
€ 1.166.017 |
25/1600 |
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende betreffende de tijdvakken maart 2022, april 2022 en mei 2022 gegrond verklaard en de overige bezwaren ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Zowel belanghebbende als de inspecteur heeft een nader stuk ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 november 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen van [Ltd. 1] , [Ltd. 2] en [Ltd. 3] . Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, [vertegenwoordiger 1] , [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] , namens [Ltd. 1] , [vertegenwoordiger 4] , namens [Ltd. 2] , [vertegenwoordiger 5] , de gemachtigde van belanghebbende, en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] , mr. [inspecteur 4] , mr. [inspecteur 5] en mr. [inspecteur 6] . Van hetgeen op de zitting is besproken is één proces-verbaal opgemaakt, waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen heeft verzonden.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk 15 januari 2026 uitspraak te doen.